–In het vorige hoofdstuk beschreef ik de lange weg naar het moordenaarshol van Järke Roslund. Deze sla ik de komende delen over.

      –Wat hem opviel was de geur. Dood en verderf. Een vieze stank die diep in zijn neus binnendrong en die hem deed kokhalzen.
      ‘Wat is dit?’ fluisterde Eli. ‘Järke…’ Hij draaide zich om: Järke stond nonchalant tegen de deurpost geleund. Alsof het hem niets deed. Misschien was dat ook wel de waarheid.
      Na een lange minuut maakte Järke zich los van het hout, en sloot de deur. Een korte klik. Het slot.
      ‘Weet je,’ begon hij, ‘wat erger is?’
      Eli kon geen woord uitbrengen. Daarom schudde hij maar zijn hoofd, bij gebrek aan iets beters.
      ‘Het is niet erg om dood te gaan. Het is erger om alles te verliezen wat je hebt.’ Korte stilte. ‘Je vrouw, je kind, je huis, je baan.’
      Eli bleef hem sprakeloos aankijken. Zijn hart bonkte in zijn keel en even was hij bang dat Järke het zou horen.
      Järke slenterde naar een wasbak in de hoek van de kamer en zette de kraan open. De herrie van stromend water dat op metaal kletterde, vulde de kleine ruimte. In Eli’s broekzak zat zijn mobiele telefoon. Ongemerkt bewoog hij zijn rechterhand in zijn zak en omvatte het apparaatje, om te voelen waar het volumeknopje zat. Drukte hij dat drie keer snel achter elkaar in, dan kreeg zijn vrouw een berichtje dat hij in nood was. Hij had het nooit hoeven gebruiken, dus hij wist niet of het werkte. Op hoop van zegen dan maar.
      Plotseling draaide Järke zich om. Eli voelde dat de koude ogen dwars door zijn ziel heen drongen. Hij verstijfde. Zijn keel was kurkdroog, Zijn vingers weigerden dienst. Kom op nou.
      ‘Houd je van zwemmen, Eli?’
      Hij slikte. En nog een keer. Maar hij kreeg geen woord over zijn lippen. De scheve grijns bracht hem van zijn stuk. Om hem heen duizelde het. De muren leken op hem af te komen en weer van hem weg te gaan. De houten vloer deinde op en neer, als een onrustige zee.
      De woede in Järke ontvlamde. Hij vloog op Eli af en greep met zijn sterke handen diens keel vast. Met enorme kracht ramde hij Eli tegen de muur.
      Eli kreeg het gevoel dat hij iets had geslikt of gesnoven. Het woeste gezicht was maar twee centimeter van hem verwijderd, de kille ogen boorden zich in de zijne. Een ijzeren greep omklemde zijn hals en drukte op zijn halsslagaders. Zwarte vlekjes verschenen voor zijn ogen, zijn benen voelden slap. Eli vocht om de tranen tegen te houden, maar die lieten zich niet zomaar bedwingen. De angst kroop omhoog in zijn aderen, vanuit zijn tenen, tot in zijn keel, tot hij uiteindelijk een bange kreet slaakte. Het afgrijzen kronkelde in zijn ingewanden, zijn maag speelde op. Hij kokhalsde.
      Järke kneep nog harder. ‘Ik ga je vermoorden, Eli,’ fluisterde hij. De felle razernij droop van zijn stem.
      En Eli wist dat hij ging sterven. In deze kamer, waar al iemand was gestorven. Misschien wel meerderen. Dat water in die wasbak, dat was voor hem. Järke ging hem verdrinken. O, god. Hij zou verdrinken. En niemand wist waar hij uithing of wat er aan de hand was. Niemand zou hem zoeken, niemand zou hem missen.
      De afkeer was omhoog geklommen tot in zijn maag en buikspieren die plotseling samenknepen en zijn maaginhoud naar buiten stuwden. Bruinachtig braaksel golfde over Järkes armen heen. De kolkende tornado in zijn ogen ging heviger tekeer. ‘Gadver,’ spuugde hij grimmig, ‘sta je nu te kotsen?’ Zijn wenkbrauwen waren vervormd in een bedenkelijke frons, toen hij Eli losliet om te voorkomen dat die hem verder onder kotste.
      Eli snakte naar adem en greep een houten tafel vast. Die plakte en stonk. Donkerbruine vlekken die verdacht veel…
      Bloed. Veel bloed. Hier was iemand doodgebloed. Het beklemmende gevoel nam toe toen Eli besefte dat Järke werkelijk in staat was te moorden. Te martelen, tot hij het zou uitschreeuwen. En schreeuwen zou hij.
      Huilend strompelde Eli naar de deur die uiteraard op slot zat. Tevergeefs sjorde hij aan de deurklink, maar die gaf niet mee. Kermend van angst bonkte hij op de deur, terwijl Järke daar maar bleef staan, grijnzend, en met zijn handen in zijn zakken. Voldaan. Tevreden. Eli jankte als een gewond dier, de radeloosheid deed hem krijsen als een klein kind.
      Tot een voet hard in zijn zij terechtkwam. Hij klapte op de grond, tranen stroomden over zijn wangen. ‘Järke,’ smeekte hij, ‘alsjeblieft, doe dit niet… je hoeft dit niet te doen…’
      ‘Wie bepaalt dat, Eli?’ Hij boog zich over Eli heen. ‘Al die tijd dat ik voor je werkte bepaal je al wat ik moet doen. De kutklusjes. Die schuif je door terwijl je zelf geen reet uitvoert.’ Hij ging rechtop staan. Eli durfde weer te ademen.
      ‘Maar nu is het mijn beurt. Nu is het mijn beurt om jou omlaag te trappen.’
      Eli haalde diep adem. ‘Järke, laat me gaan en ik spreek hier met niemand over. Echt, ik beloof het.’
      Järke grinnikte even. Daarna werd hij weer serieus. Zijn onvoorspelbaarheid beangstigde Eli. Hij kon zijn tegenstander niet peilen, het gedrag was te wispelturig. Een sterke hand hand greep zijn kraag vast en trok hem overeind, om hem vervolgens richting de wasbak te trekken. Zijn benen weigerden dienst, hij kreeg ze niet onder zijn lichaam. Hij huilde. Hij huilde zoals hij dat in jaren niet had gedaan en vreesde voor zijn leven. Hier ging hij hem vermoorden. Verdrinken.
      Met een kalm gebaar draaide Järke de kraan dicht, terwijl hij Eli’s hoofd boven het water hield. ‘Ik hoop dat je van water houdt,’ siste hij nog, voordat hij zijn hoofd omlaag drukte.
      Eli’s rugspieren spanden zich aan en probeerden weerstand te bieden. Aanvankelijk slaagde hij erin om zijn hoofd boven water te houden, maar Järke was zo sterk dat dat na enkele seconden niet meer lukte. Zijn armen maaiden naast hem in het rond, maar hij raakte niets dan lucht. De randen van de wasbak waren glad en gaven geen grip. Hij had zijn ogen dicht geknepen, zijn neusholte zat vol water, maar hij weigerde te ademen. Hij weigerde toe te geven aan deze zieke geest die niet kon verkroppen dat hij doodging. Met mzijn linkerhand probeerde hij Järkes pols vast te grijpen, maar hij kon niet genoeg kracht zetten om de hand van zijn kraag te verwijderen. Op de achtergrond hoorde hij gelach. De klootzak. Het deed hem niets, helemaal niets.
      Een ferme kracht rukte hem omhoog, hij snakte naar adem. Gierend en hijgend probeerde hij tot rust te komen, maar het besef dat hij hier en nu zou sterven, deed daar geen goed aan. Järke zweeg, Eli begon weer te huilen. ‘Haal me hier weg,’ jankte hij, maar hij wist dat hij niet levend uit deze kamer zou vertrekken. ‘Alsjeblieft, Järke…’
      ‘Jankerd. Vieze jankerd.’ En weer duwde hij Eli onder water.
      Die had er niet op gerekend, water kwam in zijn keel terecht en hij kon niet voorkomen dat het zijn luchtwegen in stroomde. Slechts enkele seconden kon hij de reflex onderdrukken, daarna begon hij weer te hoesten. Luchtbellen stegen op in het water, en hij wist dat dat het teken was waarop Järke had gewacht. Water stroomde onbelemmerd zijn longen in, hij hoestte nog meer, maar verergerde daarmee het proces alleen maar. En hij kon niet stoppen.
      Opnieuw trok Järke hem omhoog. Water druppelde uit zijn natte haren in zijn nek, de rillingen liepen over zijn rug. Hij sloot zijn ogen en hoorde een zachte stem in zijn oor fluisteren: ‘Schreeuw maar. Zo hard je kan. Niemand hoort je, Eli.’
      Hij maakte geluiden waarvan hij niet wist dat hij ze ooit nog zou maken. Zijn stembanden leidden een eigen leventje, hij had geen controle meer over zijn lichaam. Urine liep langs zijn benen omlaag. Eli jankte, hij krijste en jammerde als een klein kind.
      En Järke? Die lachte alleen maar. Hij genoot hiervan, en dat beangstigde Eli nog veel meer. Die klootzak kende geen schuldgevoel. Geen geweten.
      De derde keer dat Järke hem in het water duwde, gaf hij geen tegengas meer. Hij was moe. Zo moe. Verlamd van pure doodsangst. Het enige wat hij kon doen, was de hoestreflex onderdrukken, maar ook dat ging hij niet eeuwig volhouden. Zijn armen wilden niet meewerken, zijn handen gleden van de randen van de wasbak af en stootten tegen iets hards. De pijn trok omhoog tot in zijn schouder, van pure schrik hapte hij naar adem. Opnieuw won het water van de wil te overleven. Minutenlang hing zijn hoofd onder water, tot hij opnieuw zwarte vlekken begon te zien. De duizelingen maakten hem misselijk. De hoofdpijn was niet te harden, en ondanks zijn torenhoge hartslag leek hij de verschijnselen te hebben van een shock. Eli werd zich bewust van het klotsende zweet onder zijn oksels en ellebogen en voelde dat een onbehaaglijk gevoel van schaamte zich van hem meester maakte. Pure vernedering. Alsof hij een beest was dat zou sterven in zijn eigen pies.
      Al snel wist Eli niet meer wat boven of onder was. Links en rechts. Waar zijn voor- en achterkant zaten. Gedesoriënteerd probeerde hij met zijn handen te voelen waar de muur zat en waar Järke zich bevond. Dat hij niets anders voelde dan lucht maakte hem nog angstiger. Järke leek verdwenen. Zijn lichaam was verslapt tot een klein hoopje ellende, hij bezat de kracht niet meer om te vechten.
      Zuurstof. Een klein beetje maar. Zijn borstspieren spanden zich aan om zijn longvolume te vergroten, en uiteindelijk gaf hij toe. Het water vloeide naar binnen, ongeduldig als het was. Eli verslikte zich en deed geen moeite meer om de hoestreflex te onderdrukken. Talloze bellen lucht verschenen in het water. Tot er geen lucht meer was. Het was op. Het was gewoon op: hij ademde water. En hij besefte dat de bewusteloosheid snel zou intreden.
      ‘Vaarwel, Eli.’
      De woorden klonken ver weg. Zijn hersenen draaiden overuren, maar konden er niets van maken. Hij was kapot. Zo voelde het dus om dood te gaan. Zo voelde het om niet meer te weten wat je met jezelf aanmoet. Zo voelde een verloren doodsstrijd. Het duurde niet lang meer voordat zijn hersenen zichzelf uitschakelden. Ter bescherming, maar waartegen? De dood stond al te wachten, achter de gesloten deur, en Järke zou haar met beide handen vastgrijpen.
      Duisternis. Daarna stilte.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen