Foto bij Scar 51

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:

Ik mag het eindelijk van mezelf denken. Ze is mooi. Ze is echt heel mooi. Haar ogen hebben de kleur van een storm en zilver tegelijkertijd. En dat halve glimlachje dat ze me soms schenkt, zorgt ervoor dat mijn hart opzwelt in mijn borstkas. En haar manier van lopen zou ik uit duizenden herkennen. En soms voelt haar stem als een lichtje in het donker; helder en stabiel. En als ik een type zou hebben, zou zij dat zijn.
'Kun je me nou eindelijk vertellen waar we heengaan?' probeer ik, eigenlijk tegen beter weten in, maar tot mijn verbazing gunt ze me deze keer een antwoord.
Ze laat mijn hand los en wijst naar een gebouw, een meter of tweehonderd bij ons vandaan. Het is een oud, inmiddels leegstaand appartementencomplex, begroeid en vol graffiti.
'Daar gaan we naartoe,' zegt ze en ik kan de toon in haar stem moeilijk peilen. 'Dat is het oude appartementencomplex waar ik woonde. Ik wil je mijn voormalige appartement even laten zien. Ik heb het gisteravond opgezocht en wist dat het leegstond. En maak je maar geen zorgen, hoor. Hier in de buurt kun je heel gemakkelijk bij een hele hoop toeristische hotspots komen. Ik weet toevallig nog wel een degelijk lunchplekje, hier in de buurt. Ik sleep je echt niet naar de middle of nowhere, alleen maar om een vervallen gebouw te zien.’
Zelfs als ze me de halve wereld rond zou sleuren om me alleen maar een vieze sloot te laten zien, zou ik het geweldig vinden.
Hoewel ze er luchtig over doet, alsof het niets is, weet ik dat het heel veel betekent. Het is een of ander vervallen appartement, maar het is wel háár vervallen appartement. Dat ze de herinneringen met me wil delen, betekent dat ze me iets dichterbij laat komen. En, weet ik inmiddels, haar vertrouwen is een zeldzaam geschenk.
‘Nou,’ zeg ik. ‘Laat maar zien, dan.’

Ik vertrouw de krakende brandtrap die we nemen niet helemaal, maar ik ga er maar vanuit dat hij niet in zal storten. Ondanks het vuil en de begroeiing, weet ze feilloos haar eigen appartement te vinden. Aangezien het niet meer in gebruik is, gaat de deur zo open. Misschien mogen we hier wel helemaal niet komen, realiseer ik me, maar dat kan me niet schelen.
We lopen naar binnen en het ruikt er muf en stoffig. Het is klein en krap, zelfs zonder al het meubilair, maar ze ziet er haast trots uit.
‘Dit was de eerste plek die echt van mezelf was,’ zegt ze, terwijl ze naar het raam loopt, waar we de straat kunnen zien waar we net gelopen hebben. Ik kom naast haar staan en haar hand vindt de mijne. We zeggen niets terwijl we naar buiten kijken, ondanks het feit dat ik dolgraag zou willen vragen waar ze nu aan denkt.
'Ik heb je verteld waarom ik specifiek voor de naam "Paige" gekozen heb. Deels. Het was niet het hele verhaal,' zegt ze dan opeens en ze draait zich even naar me om, maar besluit dan dat het te ondraaglijk is om me aan te kijken en wendt zich tot een ander raam, met haar rug naar me toe. Mijn hand heeft ze losgelaten.
Mijn blik blijft automatisch hangen bij haar shirt en ik denk weer aan het litteken dat daaronder ligt. Ik wil vragen wat dan wel het hele verhaal is, maar houd wijselijk mijn mond, wetend dat ze het wel uit zichzelf zal vertellen als ze daar klaar voor denkt te zijn. En als ze er niet klaar voor is, houd ik mezelf voor, dan is het niet eerlijk om haar onder druk te zetten.
'Ik zei dat ik voor de naam koos omdat ik het onschuldig vond klinken. Dat is waar. Maar daar is een reden voor. Ik... Toen... Toen ik zes was, zette ik een keer de televisie aan en stond het nieuws aan. Er was beschieting op een school geweest, in een stad ten zuiden van de mijne. Daarbij was een meisje van veertien omgekomen. En die heette Paige. De familie werd geïnterviewd. Ze had een broer van zeventien, die er zo bleek uitzag dat hij zelf wel dood leek. Hij was compleet in shock. De moeder was aan het huilen en hield haar zoon dicht tegen zich aan, alsof ze zo wat er nog over was van haar gezin kon beschermen, alsof... alsof het haar echt kon schelen, wat ook zo was. De vader was aan het woord. En hij huilde ook. Hij vertelde over haar. Ze was vier februari jarig. Ze speelde piano. En ze kon goed tekenen. Ze wilde kunstenares worden. En hij vertelde dat ze in één dag een verschrikkelijk dik boek uit kon lezen en dat ze altijd slechte woordgrappen maakte en serieus overal in slaap kon vallen, zoals achter de piano, bijvoorbeeld. Het waren echt beschrijvingen die voor niemand iets betekenden, behalve voor hem. Voor hem was het alles, want hij... hij was haar vader en híéld van haar. Ze was veertien, wat voor een zesjarige zoals ik al echt oud was, maar hij noemde haar klein. Zijn kleine meisje. Zijn Paige. Zijn kleine Paige, twee meter onder de grond begraven. En hij zag er zo verloren uit. Zo kapot.' Ik hoor de brok in haar keel en automatisch wil ik haar troosten, maar ik doe het niet, bang haar weg te halen van een herinnering die ze zich misschien ergens toch wel wil herinneren. 'Ik was jaloers op haar. Niet omdat... Niet alleen omdat ze dood was, maar ook omdat ze gelíéfd was. Op Kaiden na - waarschijnlijk - heeft nog nooit iemand van me gehouden, Nathan. Mijn vader hield van hoe goed ik kon leren vechten en mijn moeder hield van hoe ik misschien nog te redden was van mijn vaders invloeden. Echt... Nathan... Ik heb dagenlang gehuild om Paige. Mijn beste vriendin Paige. Ik vertelde haar wekenlang over mijn dag. Ze was er niet, natuurlijk, maar ik was dom en eenzaam. Ik heb gerouwd om haar. Ik heb tekeningen voor haar gemaakt. Jarenlang heb ik op haar verjaardag heel zachtjes in mijn kussen gezongen voor haar, hopend dat niemand het zou horen. Lieve hemel, soms denk ik dat ik nog nooit zo veel van iemand gehouden heb als van die Paige die ik niet eens kende. En toen mijn moeder zei dat ik mijn naam mocht veranderen, koos ik zonder twijfel voor Paige, want ik hoopte dat ik in dat geval, tegen de tijd dat ik dood zou gaan, misschien geliefd zou zijn.'
Even ben ik stil.
‘Toen ik zes was,’ zeg ik dan, ‘had mijn vader net een vintage flipperkast gekocht. Een Jurassic Park flipperkast. Ik was nog heel klein, dus elke keer als ik erop speelde, moest ik op een krukje gaan staan om erbij te kunnen. We speelden dan om ste beurt een potje. En mijn moeder was toen zwanger van Blueberry. En ik had... ik had zo’n vreemde “telefoon” van twee blikjes met een draadje ertussen. Als ze ‘s avonds op de bank zag, zette ik een van de blikken op haar buik en “telefoneerde” ik met mijn ongeboren zusje. Ik was gelukkig. En toen jij zes was, was je jaloers op een meisje omdat ze dood was.’
Ze kijkt me even aan met een blik die ik niet kan plaatsen.
‘Dat klopt,’ zegt ze dan, met een stem waar helemaal geen pijn in doorklinkt, wat betekent dat het waarschijnlijk heel erg veel pijn doet.
Ik zet een stapje naar haar toe. Aarzelend steek ik een hand naar haar uit, maar het voelt bijna alsof ze een wild dier is dat weg zal vluchten als ik haar aanraak of een wild beweging maak. Toch neem ik haar gezicht in mijn handen en ze sluit haar ogen. Ze ziet er zo verloren uit, met de onhandigheid van iemand waar nog nooit van gehouden is en nu moet improviseren, dat ik mijn armen om haar heen sla in de hoop haar bijeen te houden. Ik druk een kus op haar haar. En daarna nog een.
‘Ik hoop dat ik je gelukkig ga kunnen maken,’ zeg ik. ‘Ik hoop het echt. Je... Je verdient het.’
‘Ik verdien het niet.’
‘Wel waar.’
Ze maakt zich van me los en kijkt me met glinsterende ogen aan.
‘Ik heb mijn familie in de steek gelaten.’
‘Je familie heeft jou in de steek gelaten.’
Heel lang is ze stil. Dan zegt ze: ‘Kaiden.’
‘Als je die kaart gaat spelen, ga ik weer zeuren over dat Blueberry’s dood mijn schuld is,’ zeg ik en ze opent haar mond om te protesteren, maar laat dan met een gefrustreerde blik haar kaken weer op elkaar klappen.
Ze pakt mijn hand in de hare en begeleidt die zonder het oogcontact te verbreken naar haar linkerschouderblad. Ineens herinner ik me haar tattoeage weer - de Russische tekens met de datum eronder - maar ik vraag er niet naar en wacht tot ze er zelf over begint. En dat doet ze.
‘Die tattoeage is mijn Russische naam. En de datum is de datum dat ik weg ben gegaan uit Rusland. Ik... Ik heb nooit mijn verleden uit willen wissen. Wat gebeurd is, is gebeurd en ik zal daar nooit aan kunnen ontsnappen. Het is onzinnig om te denken dat ik dat ooit zou kunnen. Ik zal er waarschijnlijk ook nooit vrede mee kunnen hebben en daar heb ik vrede mee. Maar... Ik... Ik weet onderhand wel dat je dom genoeg bent om verliefd te zijn op Paige, maar... maar kun je ook leven met Agraishka?’
Ik antwoord niet meteen, want ik weet dat dat niet is wat ze wil. Ze wil dat ik er goed over nadenk. Dus dat doe ik. Dus ik zie een jongere Paige voor me, met Russische klanken op haar tong en een paar missende tanden omdat ze nog volop aan het wisselen is. Ik zie haar televisie kijken, met op het beeldscherm een huilende man die vertelt over zijn kleine Paige. En dan zie ik een iets oudere Paige voor me, die in bed ligt te luisteren naar hoe haar vader iemand vermoordt en haar handen voor haar mond gedrukt houdt zodat niemand haar hoort huilen. Ik zie een dertien jaar oude Paige voor me, die met een weekendtas achter haar moeder aan sluipt, langs de kamers van haar broers, op weg naar een nieuw leven in Frankrijk. Ik zie het allemaal voor me. Ik laat alle gruwelbeelden binnen. En ik antwoord niet meteen.
‘Ja,’ zeg ik dan. ‘Dat kan ik.’

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen