Het was ver na middernacht. De tribune was steeds leger geworden. Fleur en Krum waren nu beiden uit het spel. Maar nog altijd was er geen spoor van Harry of Cassius. Leraren hadden gekeken of de cup al gehaald was, maar die was verdwenen. Ik had niet langer stil kunnen zitten en ijsbeerde op en neer bij de ingang van het doolhof. Zelfs de juryleden hadden hun posities verlaten en stonden te praten met anderen. Ludo Bagman had ik in geen uren meer gezien, noch Karkaroff. Dit verontruste me.
Mrs. Weasley was aan het doezelen en Bill had een deken te voorschijn getoverd en die om zijn moeders schouders heen geslagen. Nu stond hij echter zacht te praten met Fleur, die behoorlijk van slag was, maar nu langzaam tot bedaren kwam.
Ik fronste. Wat was dat suizende geluid?
“NAYLA!” Hermione wees naar de lucht en ik trok Julie, Cassius zijn vriendinnetje, opzij voordat ze geplet werd en Harry knalde hard in het gras, maar iets was er helemaal mis. Hij hield krampachtig vast aan Cassius Warrington en de Triwizard Cup. Ik vloekte en liet me zonder nadenken aan zijn zijde vallen.
“Harry. Harry? Je bent terug op Hogwarts, je bent veilig. Het is voorbij.” Hij liet abrupt los van Warrington en liet zich in mijn armen vallen, hij bloede en trilde en hij had natte wangen. Ik hield hem alleen maar vast en wiegde hem heen weer.
“Het is voorbij, het is oke.”
“Nay…-” Hij keek eindelijk op. Angst was in zijn ogen gegraveerd.
“Wat is er gebeurd Harry?” Vroeg ik zacht. Ik had niet door dat Fudge, Dumbledore en Moody om ons heen waren gaan staan.
“Hij… hij is… hij is terug... Nayla… Voldemort is terug.”
De stilte daalde neer als een deken van rouw.
“Kom op, Potter.” Moody stak een hand onder Harry’s arm en samen met mij kwam hij terug op zijn voeten.
“Cassius…”
“Harry?”
“Waar is Julie…?” Zijn vriendin kwam naar ons toe, een bleek gezicht, een blik op Cassius en ze barstte in tranen uit.
“Julie…” Harry maakte zich van ons los, “hij… hij vroeg me om hem terug te brengen naar jou.” Ze knikte en omhelsde Harry, die was even verbaasd maar sloeg toen zijn armen om haar heen.
“Het spijt me zo…”

Nauwelijks vijf minuten later namen Moody en ik Harry mee terug naar het kasteel, weg van de chaos, weg van alle mensen. In plaats van de ziekenboeg, op de eerste verdieping, liepen we door naar de tweede, naar Moody’s kantoortje. Moody liet ons bij de deur staan, maar ik begeleidde Harry naar een stoel.
“Alles oké nu, Potter?” Vroeg de man. Hij was geagiteerd, gestrest zelfs. Harry reageerde door zijn hoofd te schudden.
“Ik snap het niet… de cup… was een portkey.” Mompelde Harry. Ik fronste.
“Maar…”
“Wie heeft Warrington gedood?” Verbaasd keken Harry en ik op. Wat zei die nou?
“Peter Pettigrew… die was daar… hij… gebruikte Voldemort’s staf.”
“Wie waren er nog meer op het kerkhof?” Harry viel stil, hij was dan wel van slag maar hij was niet dom.
“Kerkhof? Ik heb niks gezegd over een kerkhof…” hij klonk kleintjes. Moody draaide zich eindelijk om. Een krankzinnige grijns maakte zijn gezicht nog gruwelijker dan gewoonlijk. Ik fronste en reikte naar mijn staf. Maar Moody was sneller en een totale verstijvingsspreuk deed me pal achterover vallen. Ik kon enkel mijn ogen bewegen. Moody grijnsde nog steeds.
“Ja, juffrouw Black, ik had u wel herkend toen ik u voor het eerst zag, je lijkt teveel op je lieve papa die hier vanavond was. Maar nu wil ik dat je ziet hoe ik je kleine neefje aan mijn meester geef, de Heer van het Duister!” Ik wou fronzen, hier klopte helemaal niks meer van. Moody een Death Eater?
Het tafereel voor mijn ging verder.
“Strafte hij hen?” Beet hij Harry toe, “strafte hij hen voor hun lakse gedrag? Voor vluchten? Voor het niet vertrouwen dat hij terug zou keren? Dat ze niet voor hem zochten?” Er was iets vreemds gaande, hij gleed met zijn duim langs Harry’s arm, waar een lelijke, nu al ontstoken, snee zat en likte het bloed van zijn duim. Zijn vijandsvizier kreeg steeds duidelijkere contouren, ik herkende Dumbledore uit alles, om maar te zwijgen van de andere twee figuren. Maar Moody was in de weer tussen Harry en een kist met allemaal potjes. Hij was chaotisch, gestrest en liet zijn waakzaamheid te wensen over. Heel voorzichtig probeerde ik te bewegen, ik was geen plank meer. Toch bleef ik liggen. Er gebeurde hier teveel om nu al los te laten van het ene voordeel dat ik mogelijkerwijs had.
“U…” Harry keek hem geschokt aan, “u hoort bij hen?!”
“Jazeker!” Zijn stem was veranderd, het was niet meer rauw en diep, maar lichter, slissender, en sluiperiger dan ik ooit iemand had horen praten.
“Ik ben zijn meest loyale dienaar! Hij en ik… We hebben veel overeen, Potter. Beiden hadden we zeer teleurstellende vaders. Zeer teleurstellend. Mijn vader hield niet van me. Toch haalde mijn moeder, die zeer ziek was, hem over om mij uit Azkaban te halen.” Hij vertelde hoe zijn moeder zijn plaats had ingenomen en hoe hij verborgen werd door zijn vader. Ik vermoedde dat hij al een hele tijd dit aan iedereen wilde vertellen, niet omdat hij zijn vader bewonderde maar omdat zijn meester hem kwam bezoeken en de rollen werden omgedraaid. Hij had niet door dat de deur open was gegaan en dat de drie mensen die ik net in het vijandsvizier had gezien in zijn kantoor stonden. Ik knikte heel zachtjes naar mijn favoriete docente dit jaar, Minerva McGonagall, zo liet ik haar weten dat ik oké was.
Harry had hen ook gezien maar reageerde niet.
“En toen gaf hij mij de opdracht om die oude Mad-eye over te nemen en jou onder een andere naam in te schrijven bij het tournament!” Hij lachte, en de volgende seconde werd hij opzij geblazen, waardoor de vloek des doods Harry en mij op een haar na miste. Ik rolde opzij, trok Harry met me mee, achter de gigantische hutkoffer van Moody en wachtte wat er gebeuren zou.
Dumbledore en Snape trokken Moody overeind en zette hem in de stoel. McGonagall sloot de deur en transfigureerde een stel handboeien aan de stoel die Moody op zijn plaats zette. Snape opende Moody’s heupflacon en snoof.
“Polyjuice Potion.” Dát verklaarde een hoop, dacht ik.
“Wie is hij dan?” Vroeg ik zacht.
“Dat zullen we zo dadelijk uit vogelen.” Dumbledore klonk voor het eerst in mijn leven, grimmig. Snape haalde een kristallen flesje uit zijn zak, ontpopte het en goot wat in de mond van Moody. Uit een reflex slikte die het door. En een minuut later opende hij zijn oog- de andere lag bij een kast.
“Weet je waar je bent?” Dumbledore klonk trefzeker, ik vermoedde dat dit niet de eerste keer was dat hij mensen moest verhoren.
“Ja.”
“Weet je wie ik ben?”
“Albus Dumbledore.” Voordat ik de ondervraging door kon gaan begon hij te transformeren. Zijn neus werd heel, en kleiner. De littekens verdwenen, op eentje na, die van zijn linkerwenkbrauw naar zijn rechter wang liep. Zijn grijze haren werden blond en vlassig. Het kunstbeen schoot los en de geklauwde voet maakte plaats voor een gewone voet. De mond was niet een grimas meer maar een gewone mond. Ik bekeek met afschuw, hij kwam me bekend voor.
“Barty!” Barty? McGonagall had een hand voor haar mond geslagen. Dumbledore zuchtte, bijna verdrietig.
“Barty. Vertel hoe je hier terecht bent gekomen.” En hij vertelde alles wat hij kort ervoor ook had verteld. Niet lang erna kregen de twee leraren de meest vreemde verzoeken ooit.
“Minerva, aan de rand van het Verboden Bos zul je een grote zwarte hond vinden, breng hem naar mijn kantoortje, licht daarna Poppy in, ik vermoed dat de Weasley’s daar ook zullen zijn, zeg ze dat ik ze later zal informeren. Severus, ga naar het terrein en haal Cornelius Fudge hierheen.” Als de leraren de verzoeken vreemd vonden dan lieten ze het niet blijken en vertrokken. Ik zette mijn neef op een andere stoel. Teder streek ik haar uit zijn gezicht. Ondertussen onderzocht Dumbledore het kantoortje. Maar nergens was er ook maar iets te vinden aan aanwijzingen waar de echte Alastor Moody verbleef. Ik zag de Marauders Map op zijn bureau liggen en toen Dumbledore met de rug naar me toe stond griste ik het weg en stopte ik het in mijn zak.
Dumbledore had de sleutels tot de hutkoffer gevonden, ik vermoedde dat die wel degelijk van Mad-Eye zelf was.
Zeven sloten, Dumbledore opende de eerste en een berg spreukenboeken kwam tevoorschijn. Het tweede slot liet de spreukenboeken verdwijnen en kapotte Sneakoscopes, perkament, veren en een onzichtbaarheidsmantel waren nu zichtbaar. Dumbledore zuchtte en opende het derde slot, ditmaal kwamen er kleren te zien. Het vierde slot had verschillende mantels liggen en het vijfde had nog meer boeken en het zesde bevatte nog meer duister detectors. Pas toen Dumbledore het laatste slot opende snapte ik waar hij naar op zoek was. In elke logische wereld had dit niet gekund. De koffer had plots een schacht, van ongeveer vijf meter diep, dit zou technisch gezien door de vloer heen gaan. Ik kwam dichterbij en keek omlaag. Mad-Eye Moody. Hoe ik wist dat dit wel de echte was wist ik niet. Dumbledore wou naar beneden gaan maar ik hield hem tegen.
“Professor, is het niet slimmer als u hier blijft, in het geval dat hij-?” ik knikte naar Barty Crouch junior. Dumbledore aarzelde even, maar knikte toen en ik klom omlaag langs een ladder. Eenmaal beneden knielde ik naast Mad-eye.
“Alastor?” Het voelde vreemd hem bij zijn voornaam te noemen. Hij kreunde.
“Hij leeft!” Riep ik naar boven en wende me terug tot hem.
“Kun je me horen?” Hij knikte zwakjes, een rilling ging door hem heen.
“Professor, kunt u een mantel of iets dergelijks geven? Hij is ijskoud.” Een dikke mantel dwarrelde omlaag en ik legde het over de ex-schouwer heen. Ik controleerde zijn andere belangrijke levens mogelijkheden, hij had een zwakke maar regelmatige hartslag. Maar verder leek hij in prima staat.
“Mad-Eye, wat is de laatste herinnering die je hebt?” Het was even stil.
“Lawaai in mijn achtertuin…” Zijn stem was laag, zwak maar met de vertrouwde grom erin. Ik zuchtte, ik had al zo’n vermoeden.
“Professor Dumbledore?” Riep ik naar boven, zijn hoofd verscheen, “wat is de tegenspreuk van imperio?”
“Leva Mandatum.” Ik koste me vier pogingen maar toen werd zijn eigen oog, donker bruin, helder in plaats van glazig. Hij knipperde een paar keer en keek me toen direct aan. Ik glimlachte.
“Welkom terug, Sir!” Hij keek me warm aan, ik vermoedde dat dit een van de zeldzame volwassenen was waar ik niet over hoefde te twijfelen of hun intenties juist waren.
“Professor? Kunt het been geven? Dan kan hij staan.” Het been kwam naar beneden gezwoven, en ik hielp mad-eye aan zijn been. Vervolgens hielp ik hem overeind. De mantel wikkelde ik om hem heen, vervolgens klommen we naar boven.
Inmiddels waren McGonagall en Snape terug, de laatste met de minister. Die geschokt leek.
McGonagall begeleidde, niet lang erna, Mad-Eye naar de ziekenboeg, Fudge wou hem verhoren, maar Moody was te zwak. Dus bleef hij achter met Snape, om Crouch te verhoren. Terwijl Dumbledore ons meenam naar zijn vertrekken, maar niet nadat ik ronduit weigerde weg te gaan. Sirius liep te ijsberen toen we aankwamen, een blik op mij en Harry was genoeg. Hij sloot Harry in grote knuffel. Toen namen we plaats en vroeg Dumbledore aan Harry te vertellen wat er gebeurd was, vanaf het begin. Harry knikte en begon te praten. Hij vertelde over de nacht dat zijn naam in de beker was gekomen, hoe Hagrid hem de draken had laten zien, hoe Mad-eye hem het idee voor een accio had gegeven. Hoe hij de draak had verslagen, hoe hij dankzij Warrington uitgevogeld had dat hij iemand moest redden van de bodem van het meer en dat hij een uur onder water moest blijven. Hoe we kennis hadden gemaakt met Luna en Rolf. Hoe Rolf hem gillyweed had aangeraden en hoe we het te pakken hadden gekregen. Harry vertelde hoe hij de opdracht had volbracht. Hij vertelde over voorbereidingen op de derde opdracht. Uiteindelijk zweeg hij even. Ik gaf hem wat water, en keek even naar Dumbledore. Voor het eerst leek die stomverbaasd, alsof het nu pas tot hem doordrong dat hij niet altijd wist wat er gaande was in zijn school.
“Harry… Wil je vertellen wat er in het doolhof gebeurde?” Sirius keek zijn peetzoon ernstig aan. Harry zuchtte diep, maar knikte toen.
“Het leek wel alsof alle obstakels uit de weg waren gehaald… Op een boggart, een skrewt, een Sphinx en een soort… mist? Ik hing plots ondersteboven, maar door te gaan lopen kwam ik weer goed terecht… maar verder ben ik niks tegengekomen… Dat verwarde me... Het ging te soepeltjes… Maar-” Voordat Harry verder kon gaan knalde de deur open en kwamen Norren, Hermione, Neville, Ron en Ginny binnen lopen. Ginny sloot de deur, Norren toverde vijf stoelen te voorschijn en ze namen plaats.
“Ga verder,” Neville klopte op Harry’s schouder. Die knikte.
“Maar toen hoorde ik Fleur gillen… Ik ging op haar af, maar de heg had haar te pakken… Dus spuwde ik rode vonken, en vervolgde mijn weg… is ze oke?”
“Ja, McGonagall heeft haar gered.” Ginny glimlachte minzaam, “ze was niet blij, maar ze vond wel dat ze geen recht tot klagen had.” Harry onderdrukte een glimlach. Sinds hun date met Valentijn waren Ginny en Harry vaker samen te vinden.
“Ik ging verder…” vervolgde Harry, “om niet veel later Cassius te redden van Krum… die… die was niet zichzelf. Ik verlamde hem en Cassius spuwde de rode vonken. We gingen ieder onze eigen weg, daarna… Ik kwam geen wezens meer tegen…” Harry nam een slokje water. “Totdat we op het veld van de cup kwamen. Daar werd Cassius lastig gevallen door een acromentula.” Ron rilde verafschuwd, “gezamenlijk wisten we het beest uit te schakelen. Terwijl we overlegden wie de cup mocht pakken stak er een harde, nare wind op, magisch… denk ik…” Hij haalde een schouder op, “Cassius stelde voor om het ding gezamenlijk te pakken, ik wou achteraf gezien van niet, maar zodra we het beetpakten werden we getransporteerd…” Even was het stil.
“Waar naartoe, Harry?” Vroeg ik zacht.
“Een kerkhof… ik heb er eerder over gedroomd… ik weet niet precies waar… een dorp was in de verte te zien…”
“Dat verkleint het aantal tot een paar duizend.” Norren klopte op zijn schouder, “ga verder.”
“Eerst dachten we dat het een onderdeel was van de opdracht… maar toen kwam er… iemand aan met een bundel van iets in zijn armen… Die bundel zei dat de drager de tweede moest doden…” Harry keek naar zijn schoot. Ik wist dat hij dacht dat hij vond dat hij de schuldige was, maar dit was niet het moment om hem dat te vertellen. Ik kneep in plaats daarvan Harry in zijn schouder en Harry vervolgde zijn verhaal.
“Voordat we iets konden doen, viel Cassius gedood op de grond. Ik was te geschokt en werd overmeesterd door de man die de bundel bij een grafsteen had gelegd. Ik werd aan die steen gebonden, toen pas drong tot me door dat mijn litteken alsmaar pijn had gedaan… Ik keek naar de bundel die mijn pijn verergerde. Een slang kwam om ons heen cirkelen… Ze… was groter dan welke slang dan ook… tien? twintig meter lang…” Harry rilde bij de herinnering. “Toen kwam de man terug, herkende hem… Wormtail…” Als een man mompelde we variaties op ‘shit’.
“Hij had nu een gigantische stenen ketel bij zich, hij was zo groot dat er makkelijk drie mensen in konden… Het was gevuld met iets vloeibaars…”
“Een toverdrank?”
“Denk ‘t.” Harry knikte onzeker.
“Wat deed Wormtail ermee?” Sirius zijn stem was in een vreemde toon, alsof hij nog altijd niet kon geloven dat Peter hem en zijn vrienden had verraden.
“Hij maakte het warm met vuur… Blauw en groen vuur… Toen liet hij de bundel, naakt, erin vallen…” Harry zweeg, afschuw was te zien op zijn gezicht.
“Wat is er, Harry?” Hermione keek hem met een warme blik aan.
“Het… wezen? Was… was Voldemort… Maar hij leek niets op een mens…” Een stilte.
“Op wat dan wel?”
“Niets herkenbaars…” Harry haalde diep adem en sprak weer, “Zijn huid was rood en zwart geblakerd, en het was bedekt met schubben… Hij had rode ogen… en… het leek de grote van een klein kind… zo zwak, maar tegelijkertijd zo krachtig…” Harry viel stil. Ginny knielde voor hem neer en keek hem strak aan.
“Wat deden ze erna?” Vroeg ze zacht.
“Wormtail begon een soort spreuk te zeggen… hij haalde bot uit het graf van zijn vader… h- hij hakte… hakte zijn eigen hand af… en hij sneed in mijn arm voor bloed… de drank ging van zwart naar blauw, naar rood naar wit…”
“Harry?” Dumbledore sprak voor het eerst sinds de anderen binnen waren gekomen, “kun je me vertellen wat de spreuk precies was?”
“Bot van de vader, onwetend geschonken. Vlees van de dienaar, vrijwillig geschonken. Bloed van de gehate, met geweld beroofd. Laat uw vijand herrijzen.” Harry dreunde het op, ik vermoedde dat dit hem hielp het trauma her te vertellen.
“En toen?” Ik had Ron nog nooit zo zachtmoedig meegemaakt.
“Voldemort herrees…” De twee woorden hadden zo’n grote impact dat het ruim tien minuten duurde voordat ik Harry aanmoedigde om verder te gaan.
“Hij begon zichzelf te verkennen.” Even snapte ik niet waarom Harry zou verafschuwd keek, maar toen drong tot me door dat hij letterlijk elke verkenning bedoelde.
“Daarna drukte hij op Wormtails tatoeage van het duistere teken. Tijdens het wachten vertelde hij me over zijn familie…” Harry zuchtte diep toen het schoolhoofd hem vroeg wat hij precies zei.
“Hij zei dat hij het bot van zijn vader had gebruikt, dat ik op zijn graf stond. Dat zijn moeder uit het dorp kwam en verliefd was geworden op zijn muggle vader, dat ze zwanger van hem was geworden en toen ze hem vertelde wat ze was hij haar verliet. Ze stierf bij zijn geboorte en hij groeide op in een weeshuis.”
“En dan vinden mensen het raar dat hij zo’n ploert is geworden…” Ron snoof sarcastisch. We konden niet anders dan het met hem eens zijn.
“Wie kwamen er, Harry?” Ik keek naar mijn neefje die gedwongen werd te snel volwassen te worden.
“De Death Eaters kwamen… ruim twee dozijn, misschien meer…”
“Weet je wie?”
“Sommigen… Malfoy, MacNair, Crabbe, Goyle, Avery, die werden bij naam genoemd, de anderen droegen allemaal maskers en werden niet genoemd…”
“Oke en verder?”
"Hij strafte hen omdat ze niet hadden gezocht naar hem." Harry slikte een brok weg.
“En hij vertelde hen de plannen voor de nabije toekomst.” Ik kon niet veel zeggen over mijn neefje, maar wel dat hij de bom op het juiste moment lieten vallen. Sirius riep een “Wat?!” uit, Ron vloekte in het Latijns, Hermione sloeg haar hand voor de mond, Ginny maakte een onmenselijk geluid, Norren liet zijn theekopje rinkelen op het schoteltje en ik stootte mijn knie hard tegen het bureau omdat ik wou opspringen en vloekte grof. Dumbledore echter ging verzitten, drukte ernstig zijn vingertoppen tegen elkaar en keek Harry aan over zijn halvemaansbrilletje.
“Ga verder,” suggereerde hij Harry op een toon die net zo goed een commando had kunnen zijn. Ik zag bijna de raderen in zijn hoofd aan het werk.
“Hij… hij maakte plannen voor de toekomst.” Harry deed het weer, de bom. Maar Harry ging dit keer uit zichzelf verder.
“Hij wil afgezanten sturen naar de reuzen, hij weet dat de dementors snel genoeg bij hem zullen aansluiten, dat hij de loyale Death Eaters zal belonen en hen uit Azkaban zal halen. Hij wil het ministerie over nemen en… hij wil de toverwereld omver gooien.” Even was het stil.
“Ik zie het hem graag proberen.” Dumbledore glimlachte, al haalde die zijn ogen niet, de twinkeling daar was weg. Hij gebaarde Harry verder te gaan met zijn verhaal.
“Hij vertelde… hoe hij teruggekeerd was. Dat hij minder was dan een geest na… toen.” We wisten dat hij het over de nacht van Halloween had dertien jaar geleden. “Hij vertelde dat hij bezit nam van Quirrell. Hoe hij faalde met de Philospher’s stone en hoe hij Wormtail overhaalde om hem te helpen toen die bij hem terug kwam. Hij vermoordde Bertha Jorkins voor informatie. Over mij, over de Quiddich World Cup, over de Triwizard Tournament. Ze vertelde hem dat er nog een loyale Death Eaters op hem wachtte. Hij bemachtigde een methode om een tijdelijk lichaam te creëren… Dat wat ik zag…” Niet in stat het nog een keer te vertellen ging Harry door met zijn verhaal. “Hij vertelde dat hij hem opzocht en dat Barty Crouch Junior de plaats innam van Mad-Eye… En dat de rest van de tijd wachten was geblazen…” Hij slikte.
“Toen… toen vond hij dat we moesten duelleren… Hij wou dat ik boog- ik weigerde… hij… dwong me. Toen… gebruikte hij crucio…” Hierop haalden we allemaal een scherpe ademteug in afschuw. De martelspreuk was niet voor niets een van de onvergeeflijke vloeken.
“We duelleerden weer. Ik gebruikte Expelliarmus en hij… ava-” De zin hoefde niet afgemaakt te worden, we wisten welke spreuk er gebruikt werd. Harry sloeg zijn handen voor zijn ogen en vertelde verder, niet in staat ons aan te kijken.
“Er gebeurde iets vreemds… onze… stokken verbonden zich door iets… de twee spreuken botsten. We werden getransporteerd naar een andere plek op de begraafplaats. Er werd een soort schild over ons heen gevormd. Er klonk een lied… dat van Fawkes… Toen… kwamen er mensen uit… niet solide, maar ook geen geest…”
“Priori Incantatem,” Dumbledore’s stem was zacht. Ik besefte dat vier jaar Latijnse spreuken en dus Latijnse lessen vruchten afwierp, ik wist, net als iedereen in deze kamer dat het ging om de vorige spreuken die Voldemort had uitgesproken. In dit geval de doden.
“Wie-?” Begon Ron, hees.
“Cassius, Bertha Jorkins, een muggle,-” Zijn stem brak.
“James en Lily?” Sirius zijn wangen waren nat, wat zijn dunne, vuile, gezicht, er niet mooier op maakte. Harry knikte enkel. Ik stond op en nam plaats op de armleuning van mijn vader en sloeg mijn armen om hem heen. Hij liet zijn tranen gaan, een van de zeldzame keren dat hij het toeliet. Zijn hoofd ruste tegen mijn buik. Harry ging verder.
“We konden ons niet lostrekken… Toen begonnen de mensen tegen me te praten…” Harry haalde diep adem.
“Mijn vader zei… zei dat als ik de connectie brak dat zij er maar een paar seconden konden blijven. Hij zei dat ik terug moest naar Hogwarts. Cassius… Cassius zei dat ik zijn lichaam terug moest brengen naar Hogwarts voor Julie… Mijn moeder zei… dat ik dapper was en… dat Sirius een geweldige peetvader is…” Harry keek met natte ogen naar de man links van hem. Sirius glimlachte warm, maar net zo verdrietig en geshockeerd als zijn peetzoon.
“Ik wist bij Cassius te komen, ik sommeerde de cup…” Het verhaal was klaar, maar het leek nog maar net begonnen. Het was lang stil in de ruimte.
“Wat nu?” Ginny’s stem leek van heel ver weg te komen. Ik keek op en zag dat ze mij strak aankeek.
“Nu, Ginny, vechten we. Tot het eind.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen