Voor wie een betere leeservaring wilt, hier is de link naar de openbare Google Docs:
Link

De weg naar succes is niet altijd even makkelijk, voor sommige situaties moet men een moeilijke beslissing nemen. Een koning van Zandria moet iemand zijn die deze beslissingen kan maken, durft te maken en bovenal ook doet. Dat zijn de laatste woorden die Hilrandír voor zijn archief schrijft.
Na een tijdperk van oorlog brak nu weer een periode van herstel aan, echter ziet Hilrandír zijn volk al voor te lang lijden.
Dan wordt hij nog wel Hilrandír de Grote genoemd, tweede van zijn naam. Al is er weinig groots aan hem, hij ziet het bloed van zijn rijk aan zijn handen kleven, hij hoort het gejank en gekreun van de dwalende zielen die geen rust kunnen vinden in het hiernamaals.
Naast zijn elfen, moet zijn rijk nu ook mensen opvangen onder deze barre omstandigheden.
De volkeren, van heinde en verre, noemen het al “De Verwoesting”, nog te zacht uitgedrukt, vindt hij.
Zelfs na vier jaar vrede lijkt er nog geen vooruitgang te zijn geboekt naar een beter bestaan, zoals hij het al de vorige jaren omschreef. De witte parel van zijn rijk, Millport, lijkt nu meer op een zwart stuk kool. De vele wouden zijn nog steeds verbrandt en groeien niet terug.
Als hij zijn naam, Hilrandír de Grote, wilt bevestigen aan zijn volk, zou het vandaag moeten gebeuren.
‘Vader, bent u binnen?’ vraagt Alexdriaan vanuit de deuropening. ‘Ja, ik ben bezig met mijn archiefstuk, maar kom gerust binnen.’
Alexdriaan komt rustig zijn werkkamer binnen en kijkt naar het papierwerk.
‘U houdt het echt elk jaar bij hè. Ik zou willen dat ik dat later ook kan doen, maar ik had vroeger al moeite met het opdagen bij lessen,’ lacht hij gerust weg. Hij probeert een stuk voor zich te schuiven, vlug grijpt Hilrandír dit terug.
‘Je kent de regels Alexdriaan, je mag het pas lezen zodra ik overlijd,’ hij stopt het stuk bij de rest van het stapel papierwerk.
‘Waarvoor moet je mij spreken?’ Hilrandír richt zich naar zijn zoon toe. ‘Staan er nog meer mensen bij de poort?’ Alexdriaan schudt vervolgens zijn hoofd.
‘Nee vader, ik kom u vragen voor toestemming om Zajá ten huwelijk te vragen.’
Een teleurgestelde rilling giert door zijn lijf bij het horen van het verzoek, ‘de dochter van een verrader is geen geschikte kandidaat voor een koningin dat heb ik je al zo vaak verteld.’
‘Admiraal Zojan is geen verrader, hij is uw vriend!’
‘En toch verklaard Zojan zichzelf tot een verrader, wat zijn naam en nageslacht schendt!’ roept hij woedend.
‘Dat snap ik, maar ze heeft er echt niets mee te maken gehad. Dat weet u ook,’ gaat Alexdriaan tekeer.
‘Als je dat duidelijk wilt maken, moet je hem een bezoek geven in de kerkers en hem vertellen zijn onschuld op te eisen.’
Hilrandír zucht zijn frustatie uit. ‘Wat zou het volk moeten denken van je? En van ons huis?’ probeert hij bij hem te benadrukken.
‘Dat ik trouw uit liefde en rechtvaardig ben door een dochter niet te veroordelen voor de fouten die haar vader heeft gemaakt. Ze is een goed persoon vader, een competente vrouw en een meer dan competente koningin,’ zegt Alexdriaan met een verheven stem. De vader kijkt brommend weg van hem, hij weigert nog een seconde te besteden aan deze onzin en blijft stil.
‘Als dit uw reactie is, u kunt mij dan vinden in de binnentuin waar ik haar de hand zal vragen, desnoods kost het mij de troon.’ Alexdriaan loopt richting de deur.
Ondanks de discussie met zijn zoon, wilt Hilrandír graag nog zijn mening weten over wat hij vandaag gaat doen, het is eenmaal zijn zoon.
‘Jongen, kan ik je nog wat vragen?’ vraagt hij, met de vingers aan zijn kin. Alexdriaan draait zich terug naar hem om, ‘natuurlijk vader, wat wilt u vragen?’ Ze kijken elkaar gespannen aan.
‘Wat vind je van het rijk? Zoals het nu is,’ vraagt hij aandachtig. ‘Er zijn betere tijden geweest, maar er zullen mooie tijden aanbreken. Daar ben ik zeker van,’ zegt Alexdriaan met een zacht optimistische toon. ‘Ja, dat klopt. Bedankt voor je mening.’
Alexdriaan loopt de kamer uit.
Hilrandír pakt zijn papierwerk, zijn teksten over de laatste vier jaren, een nieuw boekwerk voor het archief. Verder pakt hij ook zijn bladspeld, met zijn handtekening erop, uit zijn kastje. Hiermee kan hij zijn toestemming te verlenen aan iemand om, na zijn dood, zijn eigen historie door te spitten. Een blad is het wapen van zijn huis Groenwoud, persoonlijk heeft hij het altijd al best lelijk gevonden, maar het schijnt te zijn afgeleid van de eerste boom in Zandria.
De gangen naar de bibliotheek zijn gevuld met ruiten, om het volk te laten zien dat er gewerkt wordt in dit kasteel om het rijk te verbeteren. Een vorm van bewijs dat wij kennis hebben, en het gebruiken. Overigens is de bibliotheek ook een glazen koepel, met tot op heden twee kleinere koepels, omdat de grote koepel te vol raakte.
Tegenwoordig is er wel een droevige kant aan deze plek, de koepels staan aan de rand van het kasteel, vanuit de koepels heb je een uitkijk over de hele stad en reikt het uitzicht ver over het land.
Hierdoor zie je gauw genoeg wat de verwoesting gedaan heeft, het roet over de stad, het kale woud, al het droefenis van het land kun je zien.
Hilrandír loopt de bibliotheek binnen, ‘Lokiriaan! Ben je er?’ roep ik door de ruimte heen.
‘Ik ben hier, mijn heer.’ Hij komt vanaf zijn werktafel aangelopen.
‘Fijn dat je tijd voor mij vrij hebt, ik heb zojuist mijn zoveelste archiefboek volgeschreven, dus deze kan aan de collectie worden toegevoegd.’ Trots rijkt de koning zijn manuscript aan.
‘Ga zo door en je moet een tweede boekenkast krijgen,’ Lokiriaan kijkt naar het nieuwe exemplaar, ‘laten we het dan maar snel opbergen oude koning.’
Hij lacht naar zijn vriend, wat hem vervolgens even aansteekt.
‘Jij bent degene die grijs en rimpelig wordt, niet ik.’
Lokiriaan zijn lach maakt een neerwaartse spiraal naar chagrijnigheid.
‘Ik ben nog lang niet grijs! In ieder geval niet zo erg als je vader was bij zijn dood. Daarnaast liet hij zijn archief ook achter met lege plekken wat ik elke dag mag schoonmaken,’ klaagt hij.
Met zijn wijsvinger wijst hij richting de kast waar de naam van “de Oude” koning, Visir II, op staat.
‘Mijn vader was nou eenmaal niet de beste in zijn documentatie. De meeste boeken kwamen ook van mij in zijn laatste vijfhonderd jaar.’
Lokiriaan legt het nieuwe deel bij de collectie, op een hoge plank waar hij maar net met zijn laddertje bij kan komen. ‘Als ik nou al die documenten ook mocht lezen, zou schoonmaken een stuk leuker zijn geweest,’ moppert Lokiriaan.
Lokiriaan is altijd al een studiebol geweest, in Hilrandírs tijd als prins kregen zij samen les van de vorige archiefbewaarder. Door die vriendschap vertrouwt hij hem ook met mijn leven, maar het is gissen of dit vertrouwen ook waar kan worden gemaakt bij zijn moeilijkste voorstel.
‘Loki, ken je nog de legende over het heilige meer van de Goden?’ vraagt hij hem. ‘Schiet me nu niet direct te binnen, hoezo?’
De koning kijkt naar de grond toe en spreekt luidkeels, zodat de elf bovenaan de kast hem kan horen, ‘het meer wat je wensen kan vervullen.’
Hij durft weer omhoog te kijken, maar Lokiriaan blijft stil in de lucht hangen, ‘zegt je dat nog iets?’ dringt Hilrandír erop aan.
‘Nee. Ik weet wat je bedoelt, maar nee, je gaat het niet doen. Laat staan dat ik het wil weten, ik wil er niet eens aan denken,’ zegt Lokiriaan hoofdschuddend.
Hij gaat de ladder af en loopt van hem weg, onderweg schuift hij zijn vriend opzij.
‘Het is nodig Loki, het rijk staat nu al vier jaar lang aan een afgrond. Je weet dat er geen andere mogelijkheid is, het volk moet toch een goed leven kunnen lijden? Dan heeft mijn zoon tenminste iets om over te regeren, je kent hem net zo goed als ik.’
De koning blijft achter hem aanlopen, vragend om een antwoord.
‘Als jij je leven wilt opgeven voor de kleine kans dat het lukt, ga je gang. Ik wil gewoon niet nog een vriend kwijtraken aan deze waardeloze oorlog, en wat moet ik doen als je het doet? Het geheim houden voor iedereen?’ vraagt Lokiriaan bezorgd aan me.
‘Ik wil mijn naam gewoon naleven, De Grote. Ik kan gewoon niet langer toezien dat ik mijn volk dit aan doe,’ probeert Hilrandír hem over te halen.
‘Het volk koos die naam omdat je ook een grote bent, je hebt ons door de Verwoesting heen gesleept door een coalitie te vormen met het Zuiden. We leven nog, ons rijk staat nog overeind,’ maakt de leermeester duidelijk.
‘Maar voor hoelang zal het nog bestaan? Al het andere is zo goed als dood.’ Hij wijst naar buiten, waar je het as nog over de ruiten ziet neerdalen. ‘Daar zijn mijn elfen, in honger, aan het lijden.’
‘Lang genoeg dat het as zich omzet in nieuw leven,’ beargumenteerd Lokiriaan. Ondertussen sorteert hij een aantal boeken.
‘Loki, we weten allebei dat dit as kwaadaardig is. Als er nieuw leven zou komen, zou het er allang zijn geweest,’ zegt hij dringend tegen hem.
‘Oké, goed, maar als je dit wilt doen. Waarvoor vertel je het dan aan me?’
‘Loki, ik wil je om een gunst vragen,’ Hilrandír trekt een moeizaam gezicht, ‘pas goed op mijn zoon en zijn nageslacht, en op het rijk.’
‘Biedt hen de wijsheid die jij aan mij gaf,’ benadrukt hij op een serieuze toon.
‘Hilran, is er echt geen andere manier voor je?’ vraagt Lokiriaan aan hem, zijn stem breekt bijna in vroegtijdige rauw.
‘Na lang nadenken, zie ik geen andere oplossing nee.’
Er rolt een traan naar zijn baard toe. ‘Goed dan, omdat je mijn vriend bent zal ik het doen. Voor zolang ik mag leven zal ik alles doen om hen en het rijk te beschermen.’
‘Bedankt, mijn vriend.’
Voor even blijft het stil, Lokiriaan heeft tijd nodig om bij te komen van de plotselinge dreun.
‘Vandaag is de dag dus zeker?’ vraagt Lokiriaan. ‘Ja, dat klopt. Het is de eerste volle maan van het jaar, de dag van Halasa.’
‘Is er niet iets wat je nog graag had willen doen? Kan dit niet over vijf jaar?’ vraagt Lokiriaan. ‘Dit moet nu gebeuren, dit kunnen we niet langer aan, maar…’ buiten ziet hij zijn zoon met zijn aanstaande, ‘ik had eigenlijk nog graag de trouwdag van mijn zoon willen meemaken.’
‘Mag ik nog een laatste advies geven?’ Lokiriaan neemt rustig plaats aan een leestafel.
‘Welk advies?’ vraagt Hilrandír met een sterk vermoeden.
‘Ik denk dat ze een geweldig paar zullen vormen voor het rijk, laat ze gewoon trouwen.’
‘Ik maak me daar ook geen zorgen over, meer om het feit dat het volk niet gediend is van verraders.’
Hilrandír neemt voor de laatste keer plaats tegenover hem, voor hem ligt een boek over de laatste magiër. Alsof het lot hem nog een reden wilt geven om het vandaag te doen.
‘Wat was het nou ook alweer, de straf voor landverraad?’ vraagt Lokiriaan aan hem. ‘De dood, hoezo?’ antwoordt hij.
‘Dat is wel een dilemma ja. De onschuldige vader van je toekomstig schoondochter moeten executeren, omdat de wet het vereist. Daar kun je bijna een toneelstuk van maken, zo poëtisch,’ omschrijft Lokiriaan.
Enigszins heeft hij wel gelijk, het lijkt bijna een toneelstuk. De wet stelt hem aan als een verrader, maar velen weten wel beter, Zajá’s vader, Zojan, is een oud-admiraal en een goede vriend van ons. Zijn heldhaftigheid heeft het rijk vele overwinningen bezorgd bij de Zeeslag van de Mist, maar dat zou uiteindelijk tot niets hebben geleidt, nadat de locaties van de schepen werden doorverteld. Hij nam de schuld op zich, maar iedere onbenul kan weten dat hij het niet kon zijn. Hij zwijgt echter over wat er precies gebeurd is, en is van plan om dit geheim in zijn graf mee te nemen.
‘Tot mijn spijt klopt het wel wat je zegt Loki, het is net een toneelstuk. Een held die de schuld op zich neemt voor het rijk en het volk, wetende dat het zijn dood zal betekenen.’
Hij kijkt hem aan met twinkelende ogen, hij heeft een idee, dat kan niet anders.
‘Het hoeft niet zijn dood te betekenen, je kunt de straf voor iedereen minderen om hem de tijd te geven zijn onschuld te bewijzen. Of in ieder geval in dezelfde wereld als zijn familie te houden, inclusief zijn dochter,’ stelt Lokiriaan aan hem voor.
‘Je hebt daar wel een punt Loki, maar er zitten ook genoeg echte verraders tussen, hun levens sparen zou een groot gevaar voor ons rijk kunnen vormen,’ weerlegt hij het idee van Lokiriaan.
‘Heer, het is misschien het beste om hen allen genade te schenken, tot er genoeg bewijs is.’
Misschien is dat inderdaad het beste, genade tonen zal het volk te vrede stellen en de onschuldigen in leven houden voor een eventueel vervolg op hun proces. Er is eenmaal veel onduidelijkheid wie nu wat gedaan heeft.
‘Ik zal erover nadenken Loki.’
‘Hilrandír…’ fluistert hij, ‘ben je vandaag echt van plan jezelf op te offeren?’
‘Ik heb je al uitgelegd dat het vandaag moet ja, het spijt me oké.’
‘Nee, begrijp me niet verkeerd, ik zal je gewoon missen als vriend,’ zegt hij stilletjes.
Lokiriaan komt verdrietig tot hem over, nog nooit heeft hij zijn vriend zo ongelukkig gezien en zo droevig horen spreken.
‘Je weet toch wel wat ze zeggen Loki? Dat koningen altijd ronddwalen, ik zal er echt wel voor je zijn. Sterker nog,’ hij pakt de bladspeld uit zijn binnenzak, ‘ik geef je de speld.’
Lokiriaan kijkt er geschokt naar, ‘mag ik echt door jouw archief heen lezen?’
‘Je bent mijn meest betrouwbare vriend, natuurlijk mag je dat,’ vertelt hij hem met een glimlach. Lokiriaan neemt het van mij over.
‘Dit vervangt niet onze vriendschap, maar het is me een eer om uw wijze woorden te mogen lezen.’
Hij maakt het vast aan zijn jas. ‘Staat je goed, zorg dat je het goed bewaard,’ beveel ik hem. ‘Ja, mijn heer.’
Hilrandír schuit zijn stoel naar achter om te kunnen vertrekken.
‘Ik geloof dat er geen bezwaar is als ik nu vertrek, ik moet niet te laat komen,’ met deze woorden loopt hij weg van de tafel. Hij hoort Lokiriaan zijn laatste woorden achter hem vandaan komen, ‘lang leve Hilrandír de Grote.’
De koning loopt de gangen door naar de binnentuin, Lokiriaan heeft eigenlijk wel een punt, zoals hij altijd heeft. Zodra hij langs een werkster loopt, beveelt hij haar om een koets klaar te maken.
Ze legt haar werk neer, buigt naar hem en voert zijn opdracht uit.
Hij staat bij de poort van de binnentuin, op dit moment misschien wel de groenste plek in het rijk. Het is niet heel anders dan andere binnentuinen, maar deze bevat wel een kroonjuweel. De boom van Zandria, niet de exacte boom dan, maar wel het nageslacht daarvan, het dient als de culturele wortel van ons rijk. Een kleine vijver weerkaatst iedere dag het zonlicht via het glinsterende water.
Weer is het op deze plek waar geschiedenis zal worden geschreven.
De prins staat in de binnentuin, van een afstand ziet de koning Zajá in zijn armen springen.
Er glinstert een ring om haar vinger met een smaragd erin gezet, de zon weerkaatst het groene licht recht in zijn gezicht en verblindt hem met de mooiste kleur die de wereld rijk is.
‘Ik zie dat u toch bent gekomen vader, maar u bent te laat, vraag oom Yureh maar de troon over te nemen,’ zegt Alexdriaan starend in de ogen van zijn geliefde.
‘Eigenlijk, kom ik je feliciteren op je goede smaak, mijn zoon.’
‘Er zijn nou eenmaal weinig vrouwen zoals ik.’ Ze buigt voor zijn aanwezigheid.
‘Al had ik het over de ring, heb je daar natuurlijk ook gelijk in,’ legt de koning haar uit.
‘Het was de ring van mijn moeder Za, dat bedoelde vader.’
Hilrandír moest op dat moment wel even slikken, zijn lieve Alexia, veel te vroeg gestorven ten tijde van de geboorte van hun zoon. Als ze had kunnen zien hoe moedig en goedhartig hun kind is geworden, zou ze zo trots zijn geweest.
‘Ik kom hier om jullie al het geluk van de wereld toe te wensen, als toekomstige koning en koningin,’ vertelt hij.
Voor even kijkt de prins verbaasd over zijn vaders woorden, ‘u keurt ons huwelijk goed?’
De moeilijkheden die zij tegemoet zullen komen, kan hij niet overzien. Echter besluit Hilrandír dat het niet aan hem is om twee verliefde personen van elkaar te scheiden.
‘Dat doe ik inderdaad.’
‘Mijn heer!’ hoort hij generaal Bitbol roepen.
Het luide gerinkel van zijn harnas komt dichterbij en hij stelt zijn vraag, ‘wat is uw besluit over de verraders?’
Zonder een ogenblik van stilte, roept de toekomstige koningin luidkeels, ‘vrijlaten!’
Ze lijkt de koning er bijna op aan te willen vallen als hij iets anders besluit, erg ongepast, maar begripvol. Alexdriaan houdt haar middenrif vast, voordat ze een verkeerde beslissing maakt.
Ze geeft veel om haar familie, dat is te merken. Hilrandír hoopt dat zij ook net zoveel om zijn zal geven, dan komt hij in de juiste handen terecht.
‘Je weet dat hij dat niet kan doen Za,’ zegt hij om haar te kalmeren. ‘Laat dan op zijn minst mijn vader vrij,’ smeekt ze.
Zajá hangt in de armen van haar verloofde, terwijl ze de koning strak in zijn ogen kijkt, ‘alstublieft, mijn heer.’
Al zou Hilrandír zo graag een uitzondering willen maken voor zijn vriend, er moet iemand boeten voor de duizenden levens die verloren zijn wegens die daad.
‘Levenslang, allemaal, geen uitzonderingen,’ beveelt de koning aan zijn generaal. ‘U weet dat mijn vader onschuldig is!’ roept Zajá.
Ze rukt zichzelf los en slaat haar heerser respectloos tegen zijn schouder.
Zonder spijt staart ze haar koning aan, maar verkoopt geen tikken meer aan hem. Hilrandír legt zijn besluit aan haar uit, waarbij hij zijn boosheid onder bedwang wilt houden.
‘Ik weet dat ja, maar er is op dit moment geen bewijs om dat aan te tonen, zoek het bewijs en gebruik het eventueel tegen hem. Om zo zijn onschuld te bewijzen, dan komt hij vrij. Het spijt me Zajá, maar er kunnen geen uitzonderingen gemaakt worden. Dat is in het belang van het rijk, je weet dat je vader ook mijn eigen vriend was,’ benadrukt hij aan Zajá.
De koning hoort de werkster in de binnentuin lopen.
‘Mijn heer, uw koets staat klaar voor vertrek,’ vertelt ze.
‘Bedankt, gaat u nu gerust verder waar u mee bezig was,’ vertelt hij met een dankbare glimlach.
Het moment was aangebroken om het paleis voor de laatste keer te verlaten, hij is één van de weinige koningen die buiten de muren sterft.
‘Waar gaat u naartoe vader?’
Hilrandír twijfelt of hij het zijn zoon zal vertellen, maar besluit om dit niet te doen. Zijn besluit staat vast om dit voor zijn rijk te doen, een laatste dode aan de gevolgen van de oorlog.
‘Gewoon een rustig rondje door de stad heen.’
Met een draai in zijn hart loopt hij weg van zijn zoon, dit zullen zijn laatste woorden zijn aan zijn zoon. Ooit zal hij het wel begrijpen, zeker als hij de tijd neemt in mijn archief te lezen.
Hij stapt de koets in. ‘Graag richting het Meer van de Goden, geen vragen verder,’ beveelt hij de koetsier.
Het Meer van de Goden zou, volgens geruchten, wensen kunnen vervullen. Dat is enkel op de dag van Halasa zelf.
Als ik vandaag niet ga, moet ik nog vijf jaar wachten en de desbetreffende dagen van Rit, Quíl, Veero en Vader doorkomen. Lokiriaan vroeg nog waarom dit niet vijf jaar later kon, misschien heeft hij daar wel een punt, maar de voedselvoorraad zou het niet nog vijf jaar extra volhouden, dan zullen er zuiderlingen verhongeren.
Beter voorkomen dan genezen, zullen we maar zeggen.
Daarnaast moet Hilrandír nu nog maar hopen dat dit zal werken en het rijk hersteld wordt, voor het welzijn van zijn volk en daarnaast ook het hele Zuiden, zal het moeten werken.
Een teken dat het meer inderdaad heilig is, is dat het bos rondom het meer onaangetast is door de oorlog, maar dat het wensen kan vervullen, is slechts een legende wat nog bewezen moet worden.
In de verte staat de hoge muur die ons tegenwoordig met het Noorden scheidt, er is eigenlijk nooit vrede gesloten met het Noorden, welke vrede kun je überhaupt sluiten met barbaren? De muur die ons nu scheidt is enkel gemaakt om erger te voorkomen. Het heeft alleen wel een hoge prijs gekost, het leven van elke magiër.
Plots zijn we er, de koets stopt. ‘Bedankt voor het vervoer, ik beveel u nu te zwijgen en terug te gaan naar het kasteel.’
Vluchtig stapt de koning zijn koets uit, waarna de koetsier zijn weg terug tegemoet gaat.
Over het pad, richting het meer. Op één knie bij het water, begint de koning met zijn ogen gesloten te bidden.
Na een tijd in stilte te bidden, spreekt hij zijn woorden. ‘Heilige Halasa, godin van vruchtbaarheid en wederopbouw, van alles wat lief en dierbaar is. Na honderden jaren oorlog ligt het continent in puin, hier bied ik u mijn leven, mijn koningsbloed, te offeren voor het redden van mijn rijk,’ bidt hij tot haar bij het meer.
Er was een moment van bijna complete stilte, de laatste vogels vliegen weg uit de bosjes en laten het meer met rust. Zij voelen het al aan, de aanwezigheid van iets bovennatuurlijks.
Hilrandír wacht tot ook hij iets beleeft, hij blijft zich zoveel mogelijk concentreren op zijn gevoel.
Een stem klinkt vanuit het water, voorzichtig opent de koning weer zijn ogen en ziet hij de fel witte gloed vanuit het water voor zich.
Een baken van licht wat zich tot de bomen toe reikt en de schaduwen in zijn kleding versnipperd.
‘Ik zal u geven wat u wilt, een tijd van rust en vrede voor ieder in het Zuiden,’ vertelt de vredige stem van de godin Halasa.
De koning wilt staan om haar te bedanken, maar een zekere kracht houdt hem nog op zijn knie gedrukt.
‘Maar voor iedere wens, is er een prijs,’ maakt ze duidelijk.
‘Vertel me, wat is de prijs die ik u moet geven?’ vraagt de koning nederig.
Ze spreekt haar eigen wens uit, ‘het leven van de eerstvolgende vrouwelijke bloedverwant.’
‘Ik maak bezwaar tegen die eis!’ roept hij luidkeels uit.
‘U durft uw godin zo tegen te spreken, dat toont lef,’ verklaart ze streng, maar kalm. ‘Ga gerust verder.’
‘Neem enkel mijn leven, niet dat van een familielid. Mijn bloed is net zoveel waard als ieder,’ probeert hij haar over te halen.
‘Ik kan niet anders dan het leven te nemen van een vrouw uit uw lijn, het is nodig voor de vruchtbaarheid van het land.’
‘Dat kan toch niet de enige oplossing zijn?’
‘Ik kan met uw dappere leven de mogelijkheid geven haar dood te voorkomen,’ vertelt ze verder. ‘Hoe dan? Leg het mij uit,’ smeekt hij haar.
‘Zonder de vrouw, kan ik het Zuiden slechts beperkt herstellen, maar het zal een zeker onheil niet kunnen tegenhouden. U heeft veel heldhaftige daden verricht in uw leven, dat maakt u moedig, wijs en goed. Deze eigenschappen, kunnen de basis vormen om dit onheil te stoppen.’
Zijn leven geven om het rijk te kunnen redden is waar de koning voor komt, dus zijn leven geven om een laatste heldendaad te verrichten, daar zal hij niet voor terugdeinzen. ‘Een onheil zegt u?’
‘Een onheil die drie mensen kunnen voorkomen.’
Mensen, het is een hoog risico om te nemen, maar het is een risico die Hilrandír durft te nemen. Hij weigert het leven te moeten geven van zijn nageslacht, al zou het tien generaties later geboren worden.
Het is zijn probleem, niet dat van een ander.
‘Ik ga akkoord met die optie, neem mijn leven voor het Zuiden. Kunt u beloven de prinses te helpen?’
‘Ik zal mijn best doen,’ maakt de godin duidelijk.
Waarna de koning wegvaagt in het niets.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen