Phobos kon haar ogen niet geloven.
      Die vent – dat was haar geliefde geweest? Met hém had ze willen trouwen? Een… gangster?! Vele dagen had ze zich afgevraagd wat voor persoon ze vroeger was geweest, maar ze had nooit kunnen bedenken dat ze met zulke lui omging.
      Dat ze van zo’n soort man kon houden.
      ‘Je bent een moordenaar,’ bracht ze met een verbeten trek om haar mond uit.
      Hij haalde zijn schouders op. ‘Jij en vriendjes niet dan? Je kwam niet naar me toe om een lapdance te geven.’
      Haar kaken spanden zich. Wat een eikel. Erg blij leek hij overigens ook niet te zijn om haar te zien.
      ‘We gaan,’ zei ze tegen Erebus. Ze wilde geen moment langer bij die vent in één ruimte zijn. Als haar verleden zulke duistere geheimen versluierde, kwam ze liever niet meer te weten.
      ‘Waar wil je heen dan?’
      ‘Kan me niet schelen.’ Ze keek weer even vluchtig naar Shades’ gezicht. Ze probeerde er niet bij stil te staan, maar zijn koele houding deed haar pijn. Eigenlijk had ze verwacht dat men anders op haar terugkeer zou reageren – en al helemaal iemand van wie ze veel had gehouden. ‘Ik moet weg bij hem.’
      ‘Wil je hem wel in leven laten?’
      Ze wilde hem aankijken, maar zijn zonnebril belette oogcontact. ‘Voorlopig,’ antwoordde ze maar. Stel dat ze toch antwoorden wilde hebben, dan zou het dom zijn om haar enige vraagbaak in een grafkist te stoppen.
      ‘We kunnen hem ook in het bezemhok stoppen en zijn huis gebruiken,’ opperde Psamathe. ‘Hij lijkt me een type dat privé en werk gescheiden probeert te houden en niet zo veel vrienden heeft.’
      ‘Nee,’ mompelde ze. Nog steeds wekte Shades de indruk dat hij alles in de hand had en zijn arrogantie werkte haar op de zenuwen. Ze wilde niet constant in zijn buurt zijn. Ze wilde alleen iets achter de hand hebben.
      ‘Ik heb nog een tweede huis,’ zei Shades. ‘Buiten de stad. Voor de momenten dat ik de rust nodig heb. Wat niet zo vaak is – toegegeven.’
      Argwanend kneep Phobos haar ogen tot spleetjes. ‘Waarom zou je ons in vredesnaam willen helpen?’
      ‘Hun niet. Jou wel.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Waarom maak je me niet los, laat je me mezelf opfrissen en dan neem ik je mee uiteten. Dan praten we bij. Misschien lukt het me om wat herinneringen van je te triggeren.’
      Ze perste haar lippen op elkaar. ‘Dat is het domste idee ooit.’
      ‘Alleen maar omdat je je geen van mijn andere ideeën herinnert.’ Er speelde een grijnsje om zijn lippen.
      Ze ademde diep in. Wat moest ze hier nou mee? Hulpzoekend keek ze naar Erebus, maar aan zijn donkere blik zag ze dat hij helemaal niet blij was met het voorstel. Maar wat als het om zijn verleden, om zijn herinneringen was gegaan?
      ‘Goed dan,’ zei ze toen de nieuwsgierigheid won. Anders zou ze er waarschijnlijk altijd spijt van hebben – al viel het nog te bezien of ze hier geen spijt van zou krijgen. Ze liep naar hem toe, pakte een afstandsbediening van de bank en maakte de glazen boeien met een paar ferme tikken kapot. ‘Ga je maar opfrissen dan.’
      Hij wreef even over zijn polsen en hing toen zijn zonnebril aan zijn borstzak. Zijn ogen hielden die van haar vast, een arrogant grijnsje krulde zijn lippen om. ‘Waarom ga je niet met me mee onder de douche hmm?’
      Ze zond hem een dodelijke blik, waardoor hij zachtjes grinnikte.
      ‘Oké, te vroeg. Ik snap het.’ Hij gaf haar een knipoog en stond op. ‘Dat komt nog wel.’
      Met op elkaar geklemde kiezen keek ze hem na totdat hij achter een deur verdween.
      ‘Denk je echt dat we hier goed aan doen?’ vroeg Erebus. Hij was op armleuning van de andere bank gaan zitten en streelde Athena’s haren.
      ‘Ik heb geen idee,’ mompelde ze.
      Al wist ze dat wel. Uiteten gaan met een gangster die een paar uur geleden haar vriendin had vermoord, klonk als een uitermate achterlijk plan.
      En toch zag ze er niet van af.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen