Foto bij Scar 64

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Nou en. Stoerheid en autoriteit worden zwaar overschat. De wereld kan wel wat meer dingen als Darling gebruiken. En mocht het helpen: ik vind het leuk. Heel leuk.’
Dat helpt zeker. En uit het niets denk ik: Paige Darling.
En ineens klinkt mijn achternaam een stuk minder stom.

Na een tijdje valt Paige weer in slaap op de bank, waardoor ik me afvraag hoe lang ze vannacht nog wakker heeft gelegen zonder dat ik het wist. Ik lig op mijn rug en zij ligt op haar buik bovenop me, haar hoofd op mijn borstkas. Van mij mag ze slapen zoveel ze wil. Ik vind het niet erg om gewoon naar haar te kijken.
Ze heeft de marineblauwe hoodie van mij die ik had meegenomen aangetrokken en ze lijkt er bijna in te verdrinken. Alleen haar vingertoppen steken nog uit de mouwen. Het is mogelijk het schattigste wat ik ooit heb gezien.
Ik streel gedachteloos haar haar en doe alsof ik naar de televisie kijk in plaats van naar haar.
Tegen de tijd dat ze wakker wordt, is het tijd om te koken. Hoewel ik normaal gesproken allesbehalve een keukenprins ben - ik beperk me meestal tot kant-en-klaarmaaltijden of diepvriespizza's - is het verassend leuk om te koken als zíj erbij is.
Terwijl ik een pan water aan de kook breng, begint Paige de courgette te snijden. Met verbazing kijk ik naar het tempo waarop ze de courgette in stukken hakt. Ik ben doodsbang dat ze in haar eigen vingers snijdt.
'Jezus. Leid jij een geheim dubbelleven als chef-kok of zo?' vraag ik en ze begint te lachen.
Na een tijdje wordt haar blik iets serieuzer en ze zucht.
'Mijn vader,' zegt ze en ik let gelijk op. Ze gaat de courgette weer te lijf, alsof ze op die manier haar frustratie kwijt denkt te kunnen, 'had wilde plannen voor mij. Mijn broers moesten gewetenloze moordenaars zijn om hem op te kunnen volgen. Ik... Ik moest een gewetenloze moordenaar zijn om hem op te kunnen volgen én een goede huisvrouw. Hij heeft het woord "uithuwelijken" nooit gebruikt, maar mij is van jongs af aan al duidelijk gemaakt dat ik een strategische partner moest kiezen en die zo goed mogelijk tevreden moest houden. En daar werd ik eigenlijk... tja... voor getraind. In conclusie, kan ik je kaak breken, maar heb ik ook een zwarte band stofzuigen.'
'Voel je vrij om dat stofzuigtalent eens vrij te laten in mijn appartement,' grap ik en ze geeft me een speels elleboogje in mijn ribben.
Ik word iets serieuzer en raak voorzichtig haar middel aan, onzeker wat te doen met alle pijn die ze ongetwijfeld heeft en ongetwijfeld wil verbergen.
'Ik vind het zo erg dat hij zo was,' zeg ik.
'Is.'
'Ja, is.' Ik schraap mijn keel. 'Ik hoop dat je hem nooit meer hoeft te zien. Als... Als het aan mij lag, zou je hem nooit meer hoeven zien.'
'Ik zal hem nooit meer zien, waarschijnlijk,' zegt ze. 'Want hij heeft vast en zeker genoeg macht om erachter te kunnen komen waar ik ben. Hij zou erachter kunnen komen en me op kunnen komen zoeken. Maar dat doet hij niet. Want hij wil mij ook niet zien.'
En ze is er blij mee - ik weet dat ze er blij mee is - maar toch klinkt er iets van verdriet door in haar stem. En ik begrijp het. Ik begrijp hoe het is om zo graag een familie te willen hebben die van je houdt. Maar dat is haar niet gegund, ook al verdient ze het wel. En mij is het ook niet gegund, ook al verdien ik het niet.

Om elf uur 's avonds beginnen we weer moe te worden.
‘Blijf je hier slapen vannacht?’ vraagt ze zacht en haast verlegen, alsof ze eigenlijk bang is dat ik haar hoor en af zal wijzen.
‘Ja, natuurlijk,’ zeg ik snel, en ik probeer de boodschap kracht bij te zetten door haar hand vast te pakken en er zachtjes in te knijpen. Als het kon, zou ik elke nacht van mijn leven met haar doorbrengen.
In tegenstelling tot de rest van haar kale, onpersoonlijke appartement, is haar slaapkamer volgestampt met van alles en nog wat. Er liggen slordig opgestapelde leesboeken waar rafelige boekenleggers uitsteken. Ik zie boeken in het Engels, Frans, Russisch. In de hoek ligt een oud, versleten prentenboek met een Russische titel, waarschijnlijk uit haar kindertijd. Ik zie een fotoboek dat ik met geen vinger aan durf te raken. Het voelt als de sleutel tot haar verleden. En hoewel ik het graag wil weten, ben ik soms doodsbang voor datzelfde verleden. Op het nachtkastje ligt een potje slaappillen en ik weet dat het vrij zware medicatie is, want ik slikte vroeger dezelfde pillen toen herinneringen aan mijn zusje me nachtenlang wakker hielden. Ze stopt het potje snel weg in een van de laatjes, ook al weten we allebei al dat ik het gezien heb.
'Sorry voor de rommel,' zegt ze terwijl ze neerploft op het onopgemaakte bed.
'Ik vind het geweldig,' zeg ik zonder erbij na te denken, wat mogelijk 's werelds vreemdste opmerking ooit is.
Ze glimlacht in zichzelf en pakt een tekenblok van het voeteneinde. Ze bergt het op onder het bed. Aangezien ik niet wist dat ze ook tekende, jeuken mijn handen om het weer te pakken en erdoorheen te bladeren, nieuwsgierig naar alle dingen die ze het waard vond om te tekenen.
'Ik had niet gedacht dat jij zo'n sloddervos was,' zeg ik plagerig en ze geeft zogenaamd beledig een tik tegen mijn knie.
Ze laat zich op haar rug vallen en nestelt zich in het matras, haar handen op haar buik ineen gehaakt. Haar warrige haren liggen als een waaier om haar hoofd.
'Net zei je nog dat je het geweldig vond, Darling,' merkt ze op.
'Dat is het ook,' beloof ik haar. 'Nog buikpijn?'
Ze knikt en haalt onhandig haar schouders op. 'Een beetje.'
Ik buig me voorover en geef met alleen haar shirt ertussen een kus op haar buik, alsof ik het zo beter kan maken. Ze glimlacht weer. Ik laat me naast haar op het bed zakken en we staren heel lang in stilte naar het plafond. Onze handen vinden elkaar.
Dan komt ze een stukje overeind. Ik zie de twijfel en onzekerheid in haar blik.
'Mag ik je iets laten zien?' vraagt ze.
Ik kom ook overeind. 'Ja, natuurlijk.'
Ze staat op en loopt naar haar kledingkast, waar ze ergens achterin weggestopt een oude doos vandaan haalt. Het is niet heel groot en er zitten een patroontje op. Het is voornamelijk gemaakt van karton en plastic, vermoed ik. Het is het type doosje dat mijn moeder in een souvenirwinkel zou kopen voor vijftig cent om er vervolgens niets mee te doen. De hoeken zijn wat versleten en de kleur is waarschijnlijk door de jaren heen valer geworden, maar ze houdt het vast alsof het miljoenen waard is, of eigenlijk eerder alsof ze doodsbang is om het in haar handen te hebben.
Ze gaat weer naast me op de rand van het bed zitten en legt de doos op haar schoot. Haar handen blijven er even op liggen, maar dan haalt ze de deksel eraf. Er zitten een paar oude knopen in. En een gedroogd, ingelijst vergeetmenietje, heel klein. Een rafelig, vermoedelijk zelfgeknoopt, leren armbandje. Een traditionele, cameeën hanger van een vrouwenhoofd aan een fijne, gouden schakelketting - een erfstuk, vermoedelijk. Nog een hanger - maar zonder ketting eraan - van een twee zilveren engelenvleugels die je waarschijnlijk uit elkaar kunt schuiven om een fotootje te onthullen. Een aantal oude munten waarvan ik vermoed dat het Russische roebels zijn. Een paar kiezelstenen die ze waarschijnlijk als kind verzameld heeft. Een - misschien zelfs handgemaakt - houtsnijwerkje van een beer met een jong. En een stapel foto's die ik niet kan zien omdat ze er zo snel doorheen bladert. Ze haalt er één uit de stapel. Het is een horizontaal afgedrukte afbeelding op fotopapier. Een familiefoto, besef ik. Van haar familie. Ze staan buiten, voor een vrijstaand huis met een bos erachter en een schuur eraan vast.
'Ik heb niet veel dingen meegenomen uit Rusland,' zegt ze, zonder verdere toelichting. Ze zucht en laat me de foto beter zien. Haar stem klinkt bijna ongelovig wanneer ze vertelt: 'Dit... Dit is mijn familie.'
Mijn blik vindt een meisje op de foto. Het is Paige, waarschijnlijk een jaar of acht. Ze draagt een vormeloze, donkergroene jurk tot haar kuiten met ouderwetse kapmouwtjes. Haar haar is iets lichter en hangt los achter haar schouders. Ze heeft geen pony of twee staartjes of vlechtjes aan weerszijden van haar hoofd, zoals veel meisjes van haar leeftijd. Ze glimlacht, maar de glimlach is te volwassen, te nep. Kinderen horen veel te breed te grijnzen, om een gebit met gaten erin te ver te ontbloten en hun ogen tot haast ongemakkelijke spleetjes te knijpen. Ze staat stijf en ongemakkelijk, alsof ze niet thuis is in haar eigen thuis, alsof ze als een pop is neergezet. Haar armen hangen slap naast haar.
'Dat...' Ze slikt, alsof ze heel lang niet naar de foto heeft gekeken en niet meer gewend is aan het beeld, wat aan de laag stof op de doos waarschijnlijk nog waar is ook. 'Dat ben ik.'
Ik strijk voorzichtig met het topje van mijn wijsvinger erlangs en knik afwezig.
Rechts van haar staat een jongetje dat er nog iets jonger uitziet dan zij, met x-benen en een nerveuze uitdrukking. Ze delen dezelfde grijze ogen, maar zijn haar is donkerder.
'Kaiden?' gok ik, haar jongere broertje en tevens het enige familielid waar ze van hield voordat ze Rusland voorgoed achter zich liet, en ze knikt.
Schuin achter hem staat Paiges moeder - Aline, vertelt ze - die er iets gemakkelijker bijstaat, maar haar ongelukkige blik vertelt me dat het acteerwerk is. Ze steunt iets op één been en houdt Kaiden met zijn rug tegen haar aan, haar hand op zijn borstkas met gespreide vingers, bijna angstvallig.
Links van Aline staat een man, potig en met grijze haren in zijn zwarte haar en stoppels. Paiges vader. Hij heeft een sterke arm om Alines middel geslagen, bijna bezitterig. Hij heeft een donkere blik, met donkerbruine ogen die zwart lijken. Hun grijze oogkleur hebben Paige en Kaiden duidelijk van hun moeder geërfd. Hij ziet er zelfs op een foto kil uit. Ze veegt even met haar duim over zijn gezicht, alsof ze hem weg kan vegen uit haar bestaan, en zegt dan alleen: 'Hij heet Vanir.'
Naast hem staat zijn duidelijk oudste zoon, Vadìm, die er al volwassen uitziet en erg op zijn vader lijkt. Het enige verschil is de ongelukkige blik in zijn harde ogen, die ik ook zag in die van zijn moeder. Hij staat erbij als een soldaat, met zijn handen achter zijn rug, want dat is het enige wat hij voor zijn vader is.
Voor Vadìm staat een iets jongere jongen met zijn vaders haar, maar de rest van zijn gezicht heeft meer weg van dat van zijn moeder. Zijn gelaatstrekken zijn zachter en zijn ogen zijn ook grijs. Grigory, vertelt Paige me. De op een na oudste: acht jaar ouder dan zijzelf.
De laatste is een jongen die niet heel veel ouder lijkt dan Paige en tussen haar en Grigory in staat, voor zijn vader, die een zware hand op zijn schouder heeft legt. Vanirs knokkels lijken nog licht geschaafd, alsof hij een tijdje geleden iemand geslagen heeft. En het jongetje heeft een bijna genezen blauw oog, dat lichtelijk verborgen wordt achter zijn vettige, iets langere, lichtbruine haar - dat van zijn moeder. Zijn ogen zijn zo donkerbruin dat ze zwart lijken, net zoals bij zijn vader. Hoewel Vadìm ook duidelijk niet veel menselijkheid meer overheeft, lijkt het jongetje een nog doodsere blik te hebben, net als zijn vader. Ik realiseer met dat dit Dennis moet zijn, één jaar ouder dan Paige en de broer die voor zijn zachtheid probeert te compenseren met kilheid. Het lukt hem, zie ik.
'Ik weet niet precies waarom ik je dit wilde laten zien. Ik dacht... Aangezien ik een foto van Blueberry had gezien... Het leek me wel zo eerlijk als ik je mijn familie zou laten zien,' zegt ze met zachte, hese stem.
Ik kijk naar de foto en ik denk: Dit is toch geen familie?
En wat ik wil zeggen, wat ik echt, écht wil zeggen, is dat ik haar nieuwe familie wil zijn. Maar ik zeg het niet. Want het is te vroeg. Ze is te bang. Het voelt alsof ze een wild dier is dat weg zal vluchten als ik te dichtbij komt. Dus ik kijk gewoon nog even naar de foto, kijk haar dan aan, en leg een onzekere hand op haar wang. Ze buigt zich naar me voorover en ik kus haar zacht. We hebben allebei geen familie meer. En opnieuw wil ik het zeggen, maar opnieuw doe ik het niet.
Ik wil je nieuwe familie zijn.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen