Foto bij Scar 65

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik kijk naar de foto en ik denk: Dit is toch geen familie?
En wat ik wil zeggen, wat ik echt, écht wil zeggen, is dat ik haar nieuwe familie wil zijn. Maar ik zeg het niet. Want het is te vroeg. Ze is te bang. Het voelt alsof ze een wild dier is dat weg zal vluchten als ik te dichtbij komt. Dus ik kijk gewoon nog even naar de foto, kijk haar dan aan, en leg een onzekere hand op haar wang. Ze buigt zich naar me voorover en ik kus haar zacht. We hebben allebei geen familie meer. En opnieuw wil ik het zeggen, maar opnieuw doe ik het niet.
Ik wil je nieuwe familie zijn.

Hoewel ik dolgraag de zondag ook met Paige door wil brengen, zijn er dingen die ik moet doen, dus na het ontbijt vertrek ik. Onderweg naar Benjamins huis, maak ik even een tussenstop bij mijn eigen appartement om nog even een douche te nemen en de moed bij elkaar de schrapen.
Bij zijn krakkemikkige, oude huis in de achterbuurten van de stad aangekomen, zoek ik automatisch naar een deurbel. Wanneer ik me herinner dat die er niet is, klop ik over de deur. Ik hoor het geluid van de twee haakjes en drie extra schuifsloten die geopend worden. Dan opent Benjamin de deur.
'Kom. Trek je schoenen aan,' zeg ik. 'We gaan naar je moeder.'
Hij trekt wit weg. Ik had een woede-uitbarsting verwacht, met gescheld en getier, maar hij ziet er juist bang uit, bijna als het jongetje dat hij eigenlijk nog is.
'Ik wil niet dat ze me zo ziet,' zegt hij zacht, zijn stem niet meer dan een schorre fluistering.
Hij kijkt me droef aan, met groeven om zijn mond die niet bij een negentienjarige horen. Hij heeft een stresstremor in zijn gezicht die hij probeert te verbergen door zich een beetje weg te draaien en over zijn gezicht te wrijven. Hij ziet er moe uit. En dat is hij ook. Hij is moe, mager, vertoont afkickverschijnselen, heeft overduidelijk recentelijk gehuild en is volledig losgekoppeld van de rest van de samenleving - en van zijn moeder, die ondanks haar alzheimer bijna elke keer nog naar hem vraagt. En ik ben het zat dat ik haar elke keer moet vertellen dat hij niet van plan is langs te komen.
'Jammer voor je. Want zij wil je wel zien, ook als je er zo aan toe bent,' zeg ik streng, wat heel onwennig voelt, want ik ben maar acht jaar ouder.
Hij doet de deur iets verder open en verplaatst onzeker zijn gewicht van zijn ene been naar zijn andere en weer terug, bijna alsof hij zichzelf probeert te wiegen.
'Ik... Ik moet eerst even sokken aandoen,' zegt hij, waarna ik automatisch naar zijn voeten kijk. Onder zijn smerige broek heeft hij inderdaad geen sokken aan. Zelfs aan zijn voeten is te zien dat hij mager is en ze zien er kwetsbaar uit, alsof ze eigenlijk zijn gewicht niet kunnen dragen.
'Ja,' zeg ik. 'Doe dat maar. En doe gelijk even je vuile was in een plastic zak. Dan neem ik die mee naar huis en breng ik die morgen na werk weer gewassen terug, oké?'
Hij knikt zonder iets te zeggen en loopt richting de slaapkamer.
Ik blijf in de overloop wachten en het duurt zorgwekkend lang voordat hij weer terug is. Net wanneer ik wil gaan kijken wat hij precies allemaal aan het doen is, strompelt hij weer uit de slaapkamer, een half gescheurde vuilniszak met kleren erin meeslepend. Hij houdt zijn gezicht een beetje afgewend, maar ik zie dat hij weer gehuild heeft.
Ik geef hem zijn jas aan en neem de zak van hem over.

'Wat als ze me niet herkent?' vraagt hij nerveus wanneer we door het ziekenhuis lopen naar de afdeling waar Johanna verblijft. Hij blijft zenuwachtig om zich heen kijken, als een prooidier in het nauw. Hij weet zelf natuurlijk ook wel dat iedereen aan hem kan zien dat hij verslaafd is, zeker dokters.
'Dat zou kunnen, maar ik denk dat ze je wel herkent. Ze heeft het bijna elke keer over je. En moederinstinct of zo,' antwoord ik.
'Ik... Ik herken mezelf soms niet meer als ik in de spiegel kijkt,' zegt hij, fluisterzacht.
Ik heb geen idee hoe ik daarop moet antwoorden, dus ik zeg ook niets. Pas wanneer we bij de deur naar haar afdeling aangekomen zijn, open ik mijn mond weer.
'We zijn er.'
'Nathan. Nathan, ik weet niet of ik dit kan.'
'Dat is dan heel jammer, want daar zit ze en ze heeft je al gezien,' zeg ik.
Ze zit in een hoekje in de recreatieruimte te breien en staart ons - of eigenlijk Benjamin - vol ongeloof aan. Haar ogen vullen zich met tranen en ze legt het breiwerkje weg op een tafeltje naast haar. Ze probeert overeind te komen en ik gebaar dat ze gewoon moet blijven zitten, maar dat doet ze niet.
'Ben?' vraagt ze. Haar stem breekt. 'Bennie?'
We lopen naar haar toe en ik pak onderweg twee klapstoeltjes mee, want Benjamin moet duidelijk even zitten.
Wanneer we bij haar zijn aangekomen, slaat Johanna haar zwakke armen om haar zoon heen, die een beetje ongemakkelijk voorovergebukt blijft staan vanwege het hoogteverschil, niet wetende wat hij met die liefde moet doen. Na een tijdje omhelst hij haar terug en begint hij zachtjes te huilen.
Het duurt heel lang voordat ze elkaar loslaten en wanneer ze zich dan toch van elkaar losmaken, help ik haar om weer te gaan zitten. Ik klap een stoeltje voor Benjamin uit en hij gaat er trillend op zitten. Zijn moeder heeft alleen maar oog voor hem en pakt over de tafel zijn hand vast. Ik ga zelf ook zitten en probeer me zo afzijdig mogelijk te houden.
'Ben, wat zie je er...' Haar gezicht betrekt en het duurt heel lang voordat ze het juiste woord vindt, 'ongelukkig uit.'
'Het spijt me, mama,' zegt hij alleen maar.
'Nee, nee, lieverd, ik ben niet boos. Ik ben niet boos. Het spijt míj,' zegt ze en ik ben blij dat ze een helder moment heeft. Het zal Benjamin goed doen om echt een gesprek met haar te kunnen hebben. Zelfs ik vind het moeilijk om haar te zien wanneer ze er slecht aan toe is en het is mijn moeder niet eens. 'Maar waarom ben je nooit langsgekomen?'
'Het spijt me,' is het enige wat hij zegt.
Ze laat zijn hand los en pakt het breiwerkje weer. Driftig gaat ze weer verder met het breiwerk.
'Ik ben een sjaal aan het breien. Hij is bijna af. Je krijgt hem zometeen mee naar huis. Om je warm te houden,' zegt ze.
Wanneer ik Benjamin na een bezoek van een paar uur vol gepraat en tranen en beloftes over dat hij vaker terug zal komen en zijn leven op orde zal krijgen terugrijd naar zijn eigen huis, laat hij de slordig gebreide sjaal geen moment los. Hij blijft hem als een angstig kind tegen zijn borst geklemd houden. Alsof het een teddybeer is.

Wanneer ik die avond weer in mijn eigen, stille appartement ben, raakt van alles me opeens en nadat ik Benjamins vuile kleren in de was heb gedaan, loop ik naar mijn drankvoorraad en haal ik daar tegen beter weten in een whiskyfles en -glas uit.
Tijdens het drinken denk ik aan de zieke Johanna, en de misschien wel nog ziekere Benjamin. Hailey wordt weer beter, maar de drama is daarmee niet uit mijn leven verdwenen. Wat als het altijd zo zal zijn? Wat als ik me altijd zorgen zal moeten maken om de gezondheid van anderen? Wat als ik altijd bang zal moeten zijn? Wat als ik, hoe hard ik het ook probeer, uiteindelijk helemaal niemand kan redden? En dan denk ik weer aan Blueberry.
Fuck.
Ik vul mijn glas weer. En opnieuw. En opnieuw. En ik raak de tel kwijt.
Wanneer ik bijna de bodem van de whiskyfles bereikt heb, gaat de voordeur open en komt Paige naar binnen. Terwijl ze nog bezig is met haar sleutels in haar jaszak te stoppen, zegt ze: 'Nathan? Ben je thuis? Je had je telefoonoplader nog bij mij laten li-'
Ze stopt zodra ze mij ziet. Ze staart me aan en ik kijk weg. Ik schaam me. Als ik zo die verhalen over haar familie hoor, vermoed ik dat ze wel vaker in het gezelschap is geweest van dronken mensen. En ik wil niet ook zo'n mens zijn.
Ze loopt naar me toe en legt onderweg de oplader op het aanrecht. Zonder verder nog iets te zeggen pakt ze de bijna lege whiskyfles en draait ze kalmpjes de dop er weer op. Ze bergt het op in het nog openstaande kastje en spoelt het whiskyglas om, waarna ze die in de vaatwasser legt. Dan loopt ze naar me toe.
'Kom. Je moet naar bed,' zegt ze, zonder woede of walging in haar stem. Ze slaat een arm om me heen en helpt me overeind.
'Ik kan zelf lopen,' weet ik met dubbele tong uit te brengen en ik schrik haast van mijn eigen stem. Wanneer we beginnen te lopen en ik meteen met bijna mijn volle gewicht op haar leun, wordt het tegendeel echter bewezen.
Ze begeleid me naar de slaapkamer en zet me neer op de rand van het bed. Terwijl ik daar maar wat zit, loopt ze naar mijn kledingkast en verzamelt ze wat dingen waarin ik kan slapen.
'Het spijt me,' zeg ik uiteindelijk zachtjes en de stilte die volgt is haast nog meer geladen dan degene die eraan voorafging.
Ze houdt op waar ze mee bezig was en komt naast me zitten, haar bovenlichaam naar me toegedraaid. Ze pakt mijn hand vast en ik staar ernaar.
'Dit is niet de eerste keer, of wel?' vraagt ze.
Ik schud mijn hoofd.
'Alcohol los niets op.'
Melk ook niet, schiet er door me heen. Ik zeg het niet hardop.
Weer stilte. Dan vraagt ze, heel voorzichtig en bijna angstig: 'Wil je alsjeblieft wat minder drinken?'
Ik kijk haar doodsbang aan door de toon in haar stem. Ik pak met mijn beide handen de hare vast, wanhopig, hulpeloos, smekend.
'Wees alsjeblieft niet bang voor me,' smeek ik, op het randje van tranen. 'Wees niet bang voor me. Alsjeblieft. Ik zal minder drinken. Het spijt me. Wees niet bang voor me. Ik... Ik zou nooit... Alsjeblieft. Ik zal minder drinken. Ik beloof het je.'
Ze maakt een van haar handen los en legt die met een droevige, geruststellende glimlach op mijn wang.
'Ik ben niet bang voor je,' zegt ze. 'Echt niet. Integendeel. Maar, lieverd, je moet echt minder drinken. Alsjeblieft. Doe het voor mij.'
Ik heb nog nooit zo snel geknikt. Het beeld van haar wordt onscherp door de tranen in mijn ogen.
'Ja. Ja, natuurlijk.' Alles voor haar.
Ze knikt en strijkt even over mijn wang. Dan kust ze mijn voorhoofd en ze geeft een klopje op mijn been.
'Je moet eigenlijk even douchen en tandenpoetsen. Kun je dat?'
Ik knik zwakjes en kom overeind. Zodra ik klaar ben, ga ik weer zitten, naast haar. Ik wil haar pols vastpakken, maar uit angst om haar bang te maken of pijn te doen, doe ik het niet, waardoor ik mijn hand gewoon aarzelend op haar onderarm leg. Ik kijk haar met een gekwelde frons aan.
'Blijf bij me, vannacht,' smeek ik haar. 'Alsjeblieft. Ik... Ik wil niet... Ik kan... Ik kan niet alleen zijn.'
Ze knikt en staat op om zichzelf ook even klaar te maken voor de nacht. Doodsbang om iets verkeert te doen in mijn eigen huis, blijf ik zonder een spier te bewegen zitten waar ik zit. We gaan samen onder de dekens liggen en ze gaat op haar rug liggen. Ze slaat haar armen om me heen en trekt me dicht tegen zich aan, waardoor ik op mijn buik half op haar lig, mijn gezicht in haar hals. Ze strijkt gewoon zwijgend met één hand door mijn haar en met de ander over mijn rug en hoewel ik onbewust altijd bezig ben mezelf groot en hard te houden, laat ik de zachtheid toe.
'Ik wílde Blueberry niet in de steek laten,' zeg ik na een tijdje schor.
'Ik weet het,' sust ze en ze drukt een kus op mijn hoofd.
Ik kom een stukje overeind en kijk haar aan. Aangezien het licht uit is, kan ik haar maar net zien.
‘Ik meen het echt. Toen ik erachter kwam dat ze ziek was, wilde ik meteen die wereldreis schrappen en maandenlang in het ziekenhuis bivakkeren om obsessief naar haar hartmonitor te staren, maar dat mocht niet van haar. Ze wilde dat ik namens haar op reis ging en veel foto’s en souvenirs mee zou nemen. En toen heb ik dat gedaan. En het was zo dom van me. Ik... Ik had beter moeten weten. Ik had erbij moeten zijn zodat ze beter zou worden en had daarna met háár op wereldreis moeten gaan. En in het ziekenhuis... Voor alle patiënten werd er een feestdag achtig iets gehouden op de laatste dag van hun behandeling. Om het te vieren. Met taart en slingers en gezang en zo. Als een verjaardag. En ik... Wanneer ik bij haar op bezoek kwam, plande ik dat altijd met haar. Ik heb het notitieblok nog ergens liggen. Dan hadden we het over hoe ze dat wilde - welke taart, welke kleur slingers, wie er moest komen. Ze moest al met genoeg mensen praten over een mogelijke begrafenis. Ik... Ik wilde haar gelukkig kunnen maken. En die dag is uiteindelijk nooit gekomen.'
Na een korte stilte voeg ik er haperend aan toe: 'Ik had haar moeten redden.'
Haar hand vindt in het donker de mijne.
'Je hebt haar niet gered. Maar er zijn nog zeven miljard anderen die haar óók niet hebben gered,' zegt ze. 'Je hebt haar niet gered, maar je hebt haar ook niet vermoord. Haal een beetje van de druk van je schouders. Ik weet dat ik je er niet van ga kunnen overtuigen dat het jouw schuld niet is, maar maak jezelf er alsjeblieft niet over kapot.'
Ik had gehoopt dat ze vanwege het donker misschien niet zou zien dat ik begonnen was met huilen, maar blijkbaar heeft ze het wel door, want ze trekt me weer tegen zich aan en zegt sussend: 'Hey, lieverd. Het is oké. Ik weet dat het pijn doet, maar het is oké. Ik ben er voor je. Je hoeft dit niet alleen te doen. Niet meer.'
Hoewel ik het overduidelijk liever anders had gezien, huil ik mezelf uiteindelijk in slaap in haar armen. Ze klaagt geen moment. En ergens in dat gehele proces van onsamenhangend gestamel over Blueberry naar het uiteindelijke slapen, wordt het me opeens duidelijk dat, als het aan mij lag en ik nu moest kiezen, zij de persoon is waar ik de rest van mijn leven mee door zou willen brengen.

Reacties (1)

  • BethGoes

    "zij de persoon is waar ik de rest van mijn leven mee door zou willen brengen."

    Bedoelt Nathan Blueberry of Paige?

    1 jaar geleden
    • AmeranthaGaia

      Paige. Hij zou ook graag de rest van zijn leven met Blueberry (als zusje) door willen brengen, maar hij bedoelt nu Paige (als zeker niet zusje).

      1 jaar geleden
    • BethGoes

      Oke

      1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen