‘Doe voorzichtig,’ fluisterde Erebus. ‘Wil je dat ik in de buurt blijf?’
      Phobos schudde haar hoofd. ‘Nee, ik red me wel.’
      Shades werkte haar op de zenuwen, maar haar intuïtie vertelde haar dat ze niet voor haar leven te vrezen had. Nog niet, in ieder geval.
      ‘Oké.’ Een beetje aarzelend keek hij haar aan. Daarna streek hij met zijn duim langs haar wang en gaf haar een snelle kus.
      Iets wat hij nog nooit gedaan had. Phobos voelde de neiging om hem van zich af te duwen, dit waren niet het soort spelletjes dat zij graag speelde, hoeveel Shades ook op zijn kerfstok mocht hebben. Ze was niet een of ander object dat hij kon claimen, hoe bedreigd hij zich ook mocht voelen door deze nieuwkomer.
      Haar ex-verloofde.
      Ze keek hem koeltjes aan en richtte toen haar blik op Shades. Hij stond vlak naast de deur te wachten, zijn schouder tegen de muur geleund. Een grijns speelde om zijn lippen, alsof hij het grappig vond wat Erebus geprobeerd had. Die arrogante grijns had een nare uitwerking op haar, het jeukte onder haar huid en ondanks haar eerdere bedenkingen had ze zin om Erebus toch op zijn bek te pakken. Ze betwijfelde echter of dat de grijns van zijn gezicht zou vagen – waarschijnlijk was hij al tevreden genoeg dat hij zo’n reactie uitlokte.
      En daarom draaide ze zich zonder wat te zeggen om en ging de deur uit. Ze hoorde Shades’ voetstappen vlak achter zich. Er zat een knoop in haar maag, die een stuk strakker werd toen ze naast elkaar in de lift stonden en de deuren sloten. Hij stond net iets te dichtbij, zijn elleboog raakte die van haar en het kostte haar al haar wilskracht om haar arm niet weg te trekken. Ze twijfelde er niet aan dat hij haar probeerde te provoceren en ze bleef stug vooruit kijken.
      De stilte was drukkend. Phobos hoorde haar hartslag in haar hoofd hameren. Toen het belletje van de lift klonk, maakte ze bijna een sprongetje van schrik.
      Shades grinnikte zachtjes. ‘Diep in gedachten?’
      Ze haalde haar schouders op en liep de lift uit. Zijn stem had neutraal geklonken, vriendelijk. Zo onopvallend mogelijk veegde ze haar klamme handen aan haar broek af, al was ze er vrij zeker van dat niets hem ontging. Ze hield haar pas even in om te zien welke kant ze op moest en Shades knikte met zijn hoofd naar rechts. Langs de rij auto’s begaven ze zich steeds dieper de parkeergarage in. Voor een glimmende, zwarte wagen bleef hij stilstaan.
      Phobos liet haar ogen over de subtiele rondingen glijden. Het was een mooie bak, dat moest ze toegeven.
      ‘Het is een Chrysler 300C,’ vertelde Shades haar. Zijn stem klonk achteloos, alsof hij tien van die wagens achter de hand had. ‘Dat herinner je je vast niet meer. Vroeger was je gek op auto’s. Een echte snelheidsduivel.’ Hij toonde haar een grijns.
      Phobos zei niets. Haar hand liet ze over de lak glijden. Ze probeerde iets te voelen – een verlangen, iets wat haar vertelde dat hij gelijk had en waarmee ze dan een stukje van zichzelf terugvond. Ze voelde echter niets behalve zijn overduidelijke aanwezigheid.
      Ze deed de deur open en zakte op de bijrijdersstoel neer. Shades startte de motor en legde een hand tegen haar hoofdsteun terwijl hij achteromkeek terwijl hij de auto in zijn achteruit zette en hem naar achteren liet rollen.
      Phobos keek vanuit haar ooghoeken opzij toen ze de parkeergarage verlieten. Hij oogde ontspannen, normaal zelfs, en nu ze hem wat langer bekeek moest ze toch wel toegeven dat hij er goed uitzag. Los van zijn gedrag, kon ze wel begrijpen dat ze zich tot hem aangetrokken had gevoeld.
      ‘En? Bevalt het je wat je ziet?’ Hij toonde haar een grijns.
      Ze draaide haar hoofd weg en staarde uit het raam. Nog steeds kon ze niet helemaal geloven dat ze had toegestemd met een moordenaar uit eten te gaan.
      Shades drong niet aan tot een gesprek. Toen ze bij een chic restaurant aankwamen, deed hij wel het portier voor haar open en hij legde een hand op haar onderrug toen ze naar het restaurant liepen. Ook binnen schoof hij galant haar stoel naar achteren; haar stilzwijgen leek hem geenszins te ontmoedigen.
      Met een knikje nam hij de menukaarten van de ober aan terwijl hij twee glazen rode wijn bestelde. Daarna schoof hij de kaart naar haar toe.
      Phobos liet haar ogen langs de namen glijden. De meeste gerechten zeiden haar niets.
      ‘Van de voorgerechten zou je voor de ossenstaartsoep zijn gegaan.’
      Alleen om die reden wilde ze eigenlijk al een ander gerecht uitkiezen, maar ze knikte alleen. Ze was hier om antwoorden te krijgen, niet om een gezellig avondje te hebben. Smaak kon herinneringen oproepen, dus het was het proberen waard.
      ‘Oké. Ossenstaartsoep dus.’
      Ze keek het restaurant rond terwijl ze wachtten tot de ober terugkwam om de bestelling op te nemen. Het was een gebouw met hoge ramen waar statige gordijnen naast hingen. Kroonluchters hingen aan het plafond en bordeauxrode lakens waren over de tafels gedrapeerd.
      ‘Deden we dit vaak?’ wilde ze weten. ‘Dineren in fancy restaurants?’
      ‘Meestal deden we een snelle hap bij een snackbar als we buitenshuis aten. Je voelde je nooit zo op je gemak in chique restaurants.’
      ‘Waarom niet? Was ik arm?’
      Hij trok een mondhoek op. ‘Integendeel. Je ouders bulkten van het geld. Ik was de arme sloeber.’
      Ze fronste lichtjes en dacht aan de club die hij bezat en het luxe penthouse waar ze net vandaan kwamen. ‘Nou, dan heb je een hoop bereikt dankzij mijn dood.’
      Hij keek haar met een koele blik aan. ‘Ja. Er is geen betere drijfveer dan wraak.’
      Phobos sloeg haar blik niet neer en dacht aan Morpheus.
      Ja, daar zat wat in.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen