Foto bij Scar 67

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Mensen zeggen altijd dat het wel goed komt. "Het komt allemaal wel goed." Het is een leugen, want niet alles kan goed komen, maar omdat het niet opzettelijk is en het zo vastgeroest in in de vocabulaire, leidt het in de meeste gevallen niet tot een litteken, wat alleen ontstaat als er bewust sprake is van een leugen. Ik geloof het nooit wanneer iemand het zegt, maar als ik Paiges eeuwig serieuze blik zie verzachten en ik zie hoe ze glimlacht om mijn woorden, voelt het toch alsof het wel goedkomt. Ik weet niet wat precies, maar íéts. Om de een of andere debiele reden geloof ik het echt. Het komt wel goed met ons.

Omdat Paige niet weet waar mijn ouders wonen en sowieso op de terugweg zal moeten rijden, rijd ik op de heenweg naar mijn ouderlijk huis, waar ik in geen jaren ben geweest.
'Mijn vader is niet zo erg als mijn moeder,' zeg ik uit het niets, wanneer we ongeveer nog vijf minuutjes voor de boeg hebben.
Ze knikt en legt een hand op mijn knie. Mijn gespannen houding moet haar ook zijn opgevallen.
'Het komt waarschijnlijk wel goed. En, Nathan, als het niet goedkomt, is dat ook niet zo erg. Geef jezelf er dan niet de schuld van, oké?' zegt ze.
Ik antwoord niet en knijp in het stuur tot mijn knokkels wit zien. Ze haalt haar hand niet weg.
Wanneer we er zijn, parkeer ik op de meest verschrikkelijke manier de auto, waarbij ik bijna de postbus raak. Ik geef de zenuwen de schuld. We lopen langs de oerlelijke tuinkabouter met de reservesleutel eronder naar de deur en ik druk op de bel. Paige komt bescheiden naast me staan, maar ik laat een arm om haar middel glijden en trek haar tegen me aan.
'Ik heb je dichtbij me nodig, vanavond,' zeg ik.
Ze knikt en draait haar hoofd opzij om een kus tegen mijn schouder te geven.
Het duurt niet lang voordat de deur opengaat en mijn beide ouders staan daar, verschrikkelijk geacteerd opgesteld als het meest traditionele, gelukkige koppel.
Paige schud eerst mijn moeder de hand, die niet meer hetzelfde gif in haar ogen heeft als gisteren, ook al weet ik dat het elk moment weer op kan komen borrelen.
'Mina-Nora,' stelt ze zich officieel voor, waarop Paige knikt.
Daarna schudt Paige mijn vader de hand.
'Paige. Leuk u te ontmoeten.'
'Sander,' zegt mijn vader, waarna hij mij aankijkt en zegt: 'Ferme handdruk, heeft ze.'
Zelfs ik zie daarna in zijn blik dat hij zich afvraagt waarom dat is wat hij na al die jaren als eerste tegen me zegt.
Ik begroet mijn moeder met een knikje en wil hetzelfde bij mijn vader doen, maar hij trekt me in een omhelzing en geeft twee klopjes op mijn rug. Opeens is hij in mijn hoofd weer papa, en wil ik hem nooit meer loslaten en wil ik huilend erkennen hoe verschrikkelijk alles na Blueberry's dood is geweest. Maar ik doe het niet. Ik ben 27. Een volwassen man, goddomme.
Ik maak me los en Paiges hand vindt de mijne. Terwijl mijn ouders druk beginnen te praten en vragen beginnen te stellen zonder ons de tijd te geven die te beantwoorden, hangen we onze jassen op en lopen we naar de woonkamer. De hoeveelheid foto's die er van Blueberry hangen is beangstigend. En geen een van mij. Mijn moeder heeft gewoon op een dag besloten geen zoon meer te hebben. En dat besef zorgt ervoor dat ik nog meer geneigd ben om Paige te geloven toen ze zei dat ze niet dacht dat mijn moeder het goed met me wilde maken, maar dat ze alleen maar op zoek was naar meer drama.
De plek aan de muur waar eerst een jeugdfoto van mij hing - een overenthousiaste, zesjarige Nathan met een lelijke kerstrui en een te brede glimlach die mijn ogen doen samenknijpen tot spleetjes - is leeg. Ernaast hangt een gigantische portretfoto van Blueberry uit groep vijf. Haar blauwe ogen staren me aan en ik krimp ineen. Dit hele huis lijkt wel ingericht als een soort altaar voor haar en het doet pijn.
Terwijl ik met mijn moeder de keuken in loop, blijf Paige achter, druk in gesprek met mijn vader. Terwijl mijn moeder de oven opent om te kijken hoe het met de aardappelen gaat, hoor ik uit de woonkamer de klanken van pianomuziek komen.
‘Rachmaninov,’ merk ik op.
‘Prelude in C,’ voegt mijn moeder eraan toe. Ze sluit de oven weer en ik zie een iets dromerige glimlach op haar verweerde gezicht, zoals altijd als ze mijn vader dat muziekstuk hoort spelen.
Toen ik nog echt jong was, had ik eigenlijk zoals vele kinderen een wel heel vreemd beeld van mijn ouders. Ik dacht dat mijn moeder leefde voor het moederschap en verder niet echt een eigen persoon was. Dat hield abrupt op toen ik op mijn achtste ergens in een oude schoenendoos liefdesbrieven van mijn vader vond, die hij jaren eerder aan mijn moeder had geschreven. Hij beschreef haar op een manier waar ik mijn moeder niet in herkende. Zo had ik nooit naar haar gekeken. Later, na Blueberry’s dood, zag ik haar vooral als de moeder wiens dochter ik had laten sterven. Ze had pijn. En dat was mijn schuld. Ik had haar iets onvergeeflijks aangedaan. En nu weet ik het niet meer.
Even is het stil, waarna er een ander muziekstuk gespeeld woord. Zelf herken ik het niet, totdat mijn moeder zegt: ‘Chevaliers de Sangréal.’
‘Hij is veel verbeterd,’ merk ik op na nog even aandachtig geluisterd te hebben. Er zit niet één onzuivere noot tussen.
Ze maakt een bevestigend geluidje en pakt het dienblad met de drankjes erop, waarna ze terug de woonkamer in loopt. Tot mijn moeders grote verassing - en ook die van mij - is het niet mijn vader, maar Paige, die achter de piano zit. Terwijl zij met haast eerbiedige precisie de toetsen bespeelt, staat mijn vader er goedkeurend naast. Ik probeer vooral niet te lijken alsof ik geen idee had dat ze überhaupt een instrument speelde.
Mijn moeder kijkt me zwaar onder de indruk aan, haar wenkbrauwen opgetrokken. Ik glimlach lichtjes. Paige heeft in ieder geval mijn ouders goedkeuring. Nu ik nog.
‘Heb je thuis een eigen piano?’ vraagt ze dan. Paige, die niet doorhad dat wij inmiddels ook in de ruimte stonden, drukt verschrikt de verkeerde toets in en houdt die even ingedrukt, waarna ze zich herstelt en overeind komt.
‘Nee. Als kind heb ik het geleerd en ik ga vaak naar die openbare ruimtes met muziekinstrumenten. Ik ben er wel wat geld voor opzij aan het zetten, maar het is er nog niet van gekomen,’ antwoordt ze en ze komt naast me staan.
Mijn moeder geeft haar haar drinken aan en geeft me dan grijnzend een por een elleboogje in mijn ribben. ‘Dan weet je gelijk wat je voor haar verjaardag moet kopen.’
‘Dat zou een stuk gemakkelijker gaan als ik wat financiële hulp zou krijgen bij het betalen van de verzorging van jóúw zus,’ merk ik scherp op. Alsof Paige doorheeft dat ik het nodig heb, zoekt ze met haar hand de mijne.
Mijn moeder, die Johanna in geen jaren heeft gezien, klemt even haar kaken op elkaar, maar dwingt dan een glimlach op haar gezicht en doet alsof haar neus bloedt. Ik pak het meest volle glas wijn van het dienblad en neem een grote slok. Paige geeft een geruststellend kneepje in mijn hand en ik glimlach kort naar haar, ook al ziet het er waarschijnlijk minder ontspannen uit dan ik op doelde.
Mijn moeder zet een neppe glimlach op en zegt: 'Het eten is klaar. Ga maar alvast aan de eettafel zetten, dan zal ik het zo opdienen.'
Tijdens het eten praten we over algemene dingen. Wanneer ter sprake komt dat Paige ook politieagente is en we collega's zijn, vraagt mijn vader met een slok wijn: 'Hoe lang werk je al bij de politie? Net zo lang als Nathan?'
'Pas een paar maanden,' antwoordt ze eerlijk. 'Ik heb eerst psychologie gestudeerd, maar besefte na mijn afstuderen dat ik dit liever wilde doen.'
Ondanks dat ze nog op geen enkele manier aangevallen wordt, voel ik gelijk de neiging om haar te verdedigen en zeg ik: 'En ze is er goed in ook. Echt een natuurtalent.'
Mijn moeder neemt nog een hap vis en kauwt er even bedachtzaam op.
'Dus jullie zijn collega's?' vraagt ze. 'Is dat niet tegen de regels?'
Ik schud mijn hoofd. 'Nee, natuurlijk niet.'
'Oh, gelukkig. Je weet het maar nooit met Nathan. Die doet wel vaker dingen puur uit eigenbelang,' zegt mijn moeder op een veel te luchtige toon en ik verstijf.
'Pardon?' vraagt Paige met opeengeklemde kaken. Ze haalt even diep adem en relaxed haar houding. Wat minder vinnig voegt ze eraan toe: 'Wat bedoelt u daarmee?'
'Oh, gewoon,' zegt ze nonchalant. 'Hij komt niet zomaar aan het gemakkelijke leventje wat hij nu leidt.'
Ik vang Paiges blik en probeer haar woordeloos te vertellen dat ze op Blueberry doelt. Blueberry en niets meer. Mijn moeder laat het haast klinken alsof ik mijn huur betaal met drugsgeld. Paige vertelt me met een geruststellend, bijna onzichtbaar knikje dat ze dat ook al doorhad.
'Ja? Volgens mij is zijn leven een stuk minder gemakkelijk dan u denkt, met alle respect,' zegt Paige op bijna diplomatieke toon.
Mijn moeder gaat verzitten.
‘Ik weet meer over míjn zoon dan jij,' sist ze.
Ik drink in één slok mijn glas leeg en vul hem weer aan.
‘Dat betwijfel ik absoluut niet. Ik vraag me enkel af of u hem ook beter kent,’ merkt Paige scherp op. Ik zie dat ze ontzettend haar best doet om aardig te blijven. Het lukt haar beter dan mijn moeder. Sussend voegt ze eraan toe: ’Ik probeer geen wedstrijdje te houden. Ik wil alleen zeggen dat u trots kunt zijn op uw zoon.’
‘Er is een hoop wat je niet weet, meisje,’ antwoordt mijn moeder en haar ogen vernauwen zich.
Aan de manier waarop haar kaak verstrakt, zie ik dat Paige het niet prettig vind om zo aangesproken te worden, maar ze trekt snel haar gezicht weer in de plooi en gaat iets rechter zitten.
‘Met alle respect, ik denk dat ik meer weet dan u denkt.’
‘Weet je ook waarom die plek daar leeg is?’ vraagt ze terwijl ze met haar hoofd gebaart naar de lege stoel waar Blueberry altijd zat. Ik krimp ineen.
'Minnie...' probeert mijn vader, maar hij wordt genegeerd. Paige en mijn moeder kijken elkaar als blazende katten aan.
‘Ja. Ja, dat weet ik,' antwoordt Paige met opeengeklemde kaken. Ik heb haar nog nooit zo boos gezien.
Mijn moeder lijkt ineens ijzig, beangstigend kalm te worden en neemt nog een slok wijn, zonder oogcontact te verbreken.
'Jij bent maar een vriendin, Paige. De kans dat jullie uit elkaar gaan, is vrij groot. Ik blijf zijn moeder.'
Paige kijkt haar verbijsterd aan. 'U blijft zijn moeder?! Oh ja?! Waarom is dan aan dit hele huis te zien dat u hem uit de familie verbannen hebt?!'
'Heb je zelf kinderen?'
'Nee.'
'Nou, dan weet je niet hoe het is om als moeder van je kind te houden.'
Paige staat op, mijn trillend van woede en met tranen in haar ogen. Mijn moeder doet hetzelfde.
'Ik ken dat soort liefde misschien wel niet, maar ik herken wel het gebrek eraan. U bent een waardeloze moeder en ik wálg van u!'
Mijn vader en ik staan nu allebei ook op en ik leg voorzichtig een hand op Paiges onderrug. Ze verkrampt onder de aanraking.
'Hey, het is oké,' zeg ik. De enige reden dat mijn lichaam het niet als leugen registreert, is omdat de uitspraak zo abstract is.
Ze kijkt naar me opzij, haar ogen nat van de tranen.
'Nee! Nee, het is niet oké!' Ze kijkt mijn moeder weer aan. 'Hebt u dan geen idee wat u hebt gedaan?! Ja, u bent uw dochter verloren, maar Nathan is zijn zusje verloren. En dat is ook verschrikkelijk. Hij... Hij had u nodig!'
Mijn vader blijft mijn moeder geruststellende dingen toefluisteren in de hoop de boel te sussen, maar ze negeert hem volledig.
‘Kan mijn zoon niet namens zichzelf spreken?!' snauwt ze.
‘Ja, dat kan hij wel, maar dat gaat hij niet doen, want hij wil zo verschrikkelijk graag dat jíj van hem zou houden, godverdomme!’ schreeuwt Paige.
En dan is het stil.
'Misschien is het beter om te gaan,' zeggen mijn vader en ik tegelijkertijd. En we gaan.
Wanneer Paige en ik net de deur uit willen lopen, pakt mijn moeder in een verassend venijnige grip haar pols vast en trekt haar een beetje naar zich toe. Ze fluistert iets in haar oor en ik zie Paiges gezicht wit wegtrekken. Dan lopen we weg, zonder dan iemand nog iets zegt. Geen laatste scheldwoorden. Geen verwensingen.
'Wat zei ze?' vraag ik.
Paige antwoordt niet en doet de auto gewoon open. Ze werpt haar jas achterin en wanneer ze aanstalten maakt om achter het stuur te gaan zitten, zeg ik: 'Ik rijd wel.'
'Nee.'
'Het kan best.'
'Geen sprake van. Je hebt teveel gedronken.'
'Ik... Ik moet gewoon even mijn energie kwijt.'
Ze kijkt me door de nog steeds niet weggeëbde tranen heen streng aan en zegt: 'Als dat de reden is dat je achter het stuur van een levensgevaarlijke áúto wilt gaan zitten, mag je al helemaal niet rijden.'
Mokkend ga ik in de bijrijdersstoel zitten en voor iemand die zoveel om de verkeersregels schijnt te geven, rijdt ze vrij hard weg.
Nadat we de hoek om zijn, weg van mijn moeders haatzaaiende blik en mijn vaders droeve ogen, vraag ik: 'Kun je even stoppen?'
Ze doet wat ik zeg en kijkt me vragend aan.
'Mag ik je pols even zien?'
'Wat bedoel je?' vraagt ze.
'Mijn moeder pakte je echt hard vast.'
Ze steekt haar pols uit. 'Het valt wel mee.'
Als een rode armband zit er een beurse plek om haar pols. Ik kijk er met een verkrampte blik naar. Ik breng haar onderarm naar mijn mond en druk voorzichtig een kus op de zere plek.
'Wat zei mijn moeder tegen je?' vraag ik opnieuw.
Ze slikt en wendt haar blik af. Wanneer ze antwoordt, hoor ik de brok in haar keel.
'Ze zei dat ik op moest passen dat je mij ook niet dood zou laten gaan.' Ze knippert een paar tranen weg. 'Ik bedoel... Ik... Mijn eigen ouders hebben wel ergere dingen tegen mij gezegd, maar... ik heb in ieder geval geen contact meer met ze en ik vind het gewoon zo erg dat je moeder zo tegen je doet. Je verdient gewoon zoveel beter en ik... ik zou zo graag willen dat ze je beter behandelde.'
Ze veegt snel een paar tranen uit haar ooghoeken, hopende dat ik het niet zal zien.
'Hey,' zeg ik met zachte stem en ik klik onze gordels los. 'Hey, het valt allemaal wel mee.'
Ik trek haar in een omhelzing en ik hoor hoe ze wanhopig haar snik in probeert te slikken.
'Ik zou jou moeten troosten. Niet andersom,' snuft ze, maar ik verstevig gewoon mijn grip en pak haar steviger vast.
'Niet waar. Ik heb er al lang vrede mee dat mijn moeder me haat.'
Wetende dat ik het nooit goed uit zou kunnen leggen, neem ik me voor haar nooit te vertellen dat het me juist oprecht veel geholpen heeft dat mijn moeder en zij zo met elkaar botsten. Ik ben altijd bang geweest om boos op mijn moeder te zijn, om haar gedrag oneerlijk te vinden. Schuldgevoel maakte dat onmogelijk. Omdat ik de man was die haar dochter dood heeft laten gaan, durfde ik niet tegen haar giftige gedrag in te gaan. Maar nu is ze ook de persoon die Paige - mijn Paige - aan het huilen heeft gemaakt. En eindelijk durf ik haar te haten. En ik heb me zelden zo opgelucht gevoeld.

Reacties (2)

  • BethGoes

    Dat is dan wel fijn voor Nathan!

    1 jaar geleden
  • Sunnyrainbow

    Yes go Nathan, let it go!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen