Foto bij 172. - Lucien

"Hoe kan het dat de zee niet bevriest?" Eschieve leunt hevig tegen me aan als we zo over de golven uitkijken. Ik heb een arm om haar schouders geslagen en draai een losse pluk van haar donkere haar om mijn vinger. Emma staat aan de andere kant van me met haar hoofd op mijn schouder. Pascalle loopt ook rond, op zoek naar schelpen voor Eailyn. Morgen wordt het vonnis voltrokken, maar vandaag zijn we samen met familie.
"Hoe smaakt het water van de zee?" vraag ik haar.
"Dat vroeg ik niet."
Ik glimlach. "Weet ik. Maar met deze vraag geef ik je het antwoord."
Ze kijkt naar me op, ogen vol met ongeloof. "De zee bevriest niet omdat hij zout is?"
"Dat is wat de wetenschappers zeggen."
"Wat zeg jij dan?"
"Er zijn verhalen. Van piraten en zeehelden. Eén van die verhalen gaat over kapitein Bran. Kapitein Bran was een eerlijk man en de beste zeeman van zijn tijd. Hij handelde eerlijk, betaalde zijn mannen een goed salaris en hield voor zichzelf net genoeg om een rustig leven te kunnen hebben. Op een dag, toen hij van het Westen naar het Oosten voer, kwam zijn opperstuurman naar hem toe dat ze een meisje in het ruim hadden gevonden. Nu, vrouwen op een schip brengen ongeluk. In de zeldzame gevallen dat er een vrouw aan boord geraakte, werd ze door de zeelieden overboord gegooid om het schip te behoeden. Maar kapitein Bran gaf het bevel haar warm te kleden, te voeden en water te geven. Ze zou slapen in de kapiteinshut en een ieder die haar kwaad deed zou worden gekielhaald. Zijn mannen waren boos, maar wisten ook dat hun kapitein te vertrouwen was. Ze deden als ze was opgedragen. Ze vervolgden hun reis en al snel staken de stormen op. De wind was hard en guur en het hagelde meedogenloos. Vier dagen stormde het. Het schip raakte beschadigd, de mast was aan het splinteren en de zeilen klapperden zo hard dat de mannen vreesden dat ze zouden scheuren. De opperstuurman ging naar de kapitein en riep: 'Heer, als dit zo doorgaat zullen we de storm niet overleven! We zijn uit koers geslagen door de harde wind en de grote golven, we weten niet waar we zijn. De mannen zijn moe, het water is bijna op. Het meisje brengt ongeluk! Laat mij haar overboord gooien terwijl we bidden dat de storm gaat liggen.' De kapitein weigerde en herhaalde zijn dreigement van kielhalen. De nacht viel en de mannen plotten muiterij. Met het eerste licht zouden ze het meisje én de kapitein overboord gooien, zodat zij konden overleven. Nog voor de laatste matroos zijn 'aye' had geuit, kwam het schip met een grote schok tot stilstand. Alles kraakte vervaarlijk, de mannen op dek schreeuwden in paniek. Alle zeemannen snelden zich naar boven, maar in het donker was er niks te zien. Ze wachten tot de dag kwam, en in het licht zagen ze alleen maar een grote ijsvlakte. De zee was bevroren en het schip lag vast. Wanhopig keerden zij zich tot de kapitein, in de hoop dat hij wist wat ze moesten doen. Kapitein Bran opperde strenge regels en rantsoenen. Ze zouden moeten wachten tot het ijs zou smelten. Opnieuw drongen de matrozen aan dat het meisje ongeluk bracht en dat ze haar van het schip zouden moeten zetten. Kapitein Bran bleef weigeren. En dus werden zijn regels opgevolgd. Twee weken duurde het, totdat het ijs ging smelten. De mannen waren uitgehongerd en verzwakt, maar vervuld met extase toen ze het water zagen terugkeren. Het schip werd vaarklaar gemaakt en de kapitein probeerde met de kaart de dichtstbijzijnde haven te vinden. Nog eens een week later kwamen ze daar aan, op het randje van de dood. Aangekomen in de herberg stond de kapitein erop dat zijn mannen eerst te eten en te drinken kregen. Pas als zij gevoed waren, zou hij zelf nemen. Het was op dit moment dat het meisje van het schip naar hem toe kwam. Ze zag er nog precies hetzelfde uit als toen ze haar gevonden hadden. De kou en het weinige eten hadden op haar geen effect gehad. Kapitein Bran dacht dat hij het zich verbeelde toen ze de gedaante van een engel aannam. Haar stem galmde door de herberg. 'Kapitein Bran,' zei ze. 'U heeft uw goedheid getoond. Alle tormenten van de reis heeft u doorstaan en niet één keer overwoog u mij van boord te zetten. Van begin tot eind werd ik beschermd. Zelfs toen het ijs u aan de lippen stond, nam u mij onder uw hoede. Vanaf vandaag zullen al uw reizen voorspoedig gaan. De stormen zullen u ontwijken en de wateren zullen nooit bevriezen zolang u vaart, om u zo een veilige reis te geven. Dat is uw gift Gods.' En zo was het. Zodra kapitein Bran uitvoer, bleven de wateren vlak en het weer zacht. Als hij aanmeerde, keerde het weer terug naar zijn onstuimige zelf. Het was Brans gift Gods. Nu wordt er gezegd dat zijn geest nog steeds over de wateren vaart, om zeelieden een veilige reis te brengen."
"Dus... de zee bevriest niet, omdat kapitein Bran voor altijd rond vaart?" Eschieve kijkt me sceptisch aan, en dan terug naar de golven. "Ik zou wel kapitein willen worden. Ik wed dat je nergens zo vrij bent als op zee."
"Als de zomer terug komt, kunnen we vast naar de kust om een stuk te varen." zegt Emmeline, net op het moment dat een hoge golf stuk slaat op de kust. De twee jonge vrouwen gillen van plezier en springen naar achteren om natte voeten te voorkomen, al is de sneeuw op het strand al net zo nat en koud.
"Kom," zeg ik lachend. "Ik heb de wachters gevraagd een vuur te maken in een van de grotten. Dat zal nu wel branden."
Als we bij de grot komen, zit tot mijn verbazing de jonge prins bij het vuur. Als ik mijn blik op Eschieve richt om te checken hoe zij hier op reageert, zie ik dat ze lacht. "Ik heb hem uitgenodigd." zegt ze zachtjes. "Niet... niet omdat ik verliefd op hem ben. Maar we hebben het gezellig. Hij heeft het ook moeilijk gehad met alles wat er is gebeurd en we kunnen er samen over praten."
Aan mijn zijde knijpt Emma in mijn hand. En, wanneer we bij het knetterende vuur gaan zitten, kruipt ze dicht tegen me aan. "Dit is precies zoals het moet zijn." fluistert ze.

De wachters hebben een mand met broodjes en een melkdrank met chocolade meegebracht. We warmen ze boven de vlammen en genieten van de tijd met elkaar. Eschieve en Cecilio zijn in discussie verwikkeld en ik, Emma en Pascalle bespreken talloze dingen. Uit het niks piekt Pascalle op en haalt ze een rolletje papier uit haar buidel. "Jullie stonden er zo mooi voor..."
Ik neem het rolletje met een vragende blik aan en rol het uit. Het is een houtskoolschets van drie personen op de kust, van achteren gezien.
"Dat zijn wij." zegt Emma. "Pascalle, dit is prachtig."
Als ik beter kijk, zie ik dat ze gelijk heeft. Het serene beeld is feilloos vastgelegd en zelfs met alleen de simpele lijnen kan ik Emma van achteren zonder problemen herkennen.
En dan zegt Emma, ademloos, iets wat er voor zorgt dat alle emoties die ik voor vandaag had weggestopt in één ruk weer terughaalt: "We zijn net een gezin."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen