Foto bij 178. - Lucien

Op eindeloos veel manieren is Eschieve volwassener dan ik. Wat betreft emoties steekt ze met kop en schouders boven me uit, al zal ik dat nooit aan haar toegeven. Ik weet dat ze gelijk heeft wat betreft Emmeline en haarzelf. Maar ik kan het niet helpen, hoe hard ik ook mijn best doe. Er zijn al zoveel momenten geweest waarop ik degenen die ik het meest liefheb bijna heb verloren. Ik wil niets liever dan ze beschermen.
Niet dat het de nachtmerries er minder om maakt.
Ik leg voorzichtig een hand op Emma's been, een stukje boven de wond. "Het spijt me." zeg ik zachtjes. Ze glimlacht naar me. Alles is nu weer goed. Alles komt altijd weer goed tussen ons. Maar over mijn hoofd durf ik niks te zeggen.

Ik word met een schok wakker. Het blad van de dolk flikkert nog voor mijn ogen, vlak voor dat het zich tussen Eschieve's ogen boorde.
"Lucien?" Ik voel Emma's hand op mijn arm. Ik ga overeind zitten en rek me uit, voor zover dat mogelijk is in de koets. "Het weer is slecht." gaat ze verder. "Je mannen wachten op orders."
Ik trek een van de gordijntjes opzij. Het lijkt alsof we in een regelrechte sneeuwstorm zijn beland. Nog half slapend geef ik het bevel te stoppen en kamp op te slaan. Als we op deze manier doorgaan, raakt iedereen onderkoeld. Bovendien zijn de paden nu al bijna onbegaanbaar. Als we pech hebben, staan we de komende dagen vast. Dagen die we niet hebben. We moeten zo snel mogelijk het land uit.

We zitten met zijn vieren om het vuur. De tent is behaaglijk terwijl om ons heen de storm woedt. De dames lijken een gesprek te hebben, maar zeker weten doe ik het niet. Mijn gedachten blijven afdwalen.
"Lucien?"
"Huh?" Ik kijk op naar een enigszins beledigde Eschieve. "Sorry, ik... Ik luisterde niet."
"Dat moge duidelijk zijn." snuift ze.
Ik haal een hand over mijn gezicht. Er zit een migraineaanval aan te komen, ik voel hem branden aan de randen van mijn ogen. Ik heb hier geen papavermelk. Geen whiskey. Geen enkele manier om de pijn te verzachten. "Ik moet even naar buiten."
Voor ze kunnen protesteren ben ik al opgestaan. De koude wind van buiten slaat me hard in het gezicht. De sneeuw voelt als kleine naaldjes tegen mijn huid, maar het leidt me in ieder geval af van het draaiende gevoel in mijn hoofd. Het weer schreeuwt te hard om goed te kunnen nadenken. Toch vinden mijn gedachten een manier om me te teisteren. Eindeloze beelden van de keren dat Emma in gevaar was. Eschieve, gillend in de armen van haar ontvoerder. Eschieve die nog harder gilt omdat ik een pijl door haar been schiet. Moeder, bleek en levenloos op haar bed terwijl Sabastien het uitschreeuwd in zijn eerste minuten op deze aarde. Emma, overgeleverd aan de wreedheid van Aleran. En zelfs Aleran, onderworpen aan de druk die kwam met het zijn van de koningszoon.
Hulpeloos. Keer op keer was ik hulpeloos. En de enkele keren dat ik dat niet was, was ik te laat.
Het voelt alsof mijn schedel openbarst. Alle scenario's vormen samen een eindeloze cirkel die zich in mijn hoofd afspeelt. Ik leun hevig op een boom. Mijn benen knikken onder me. Mijn ademhaling is zo snel dat ik er duizelig van wordt, het voelt alsof er een molensteen op mijn borst ligt.
Dan, twee zachte handen die me ondersteunen. Een gezicht met blonde krullen, met elkaar verwikkeld door de wind en de sneeuw. Pascalle. Ook zij is in gevaar. Als het ooit uitkomt dat zij en Eailyn...
"Kom." zegt ze, haar lippen tegen mijn oor. Haar warme adem bezorgd me rillingen. Ik klamp me aan haar vast als ze ons terug leidt over het kamp. Als we de tent naderen, besef ik ineens wie daar nog zitten.
"Nee." zeg ik zwakjes. "Nee. Ik.. ik kan niet... Ik wil niet..."
"Ssh, het is oké. We gaan naar mijn tent. Haal eens diep adem voor me."
Ik probeer te doen wat ze me vraagt, maar het lukt niet. De molensteen ligt er nog steeds.
Haar tent is simpel. Net groot genoeg voor één iemand om te slapen, met een klein vuur dat slechts kolen is, maar weer oplaait nadat Pascalle het opstookt. Rillend zit ik op haar bed, mijn ogen gesloten, hopend dat ik snel weer lucht zal krijgen.
"Focus je op mij." Pascalle's stem is bijna hypnotiserend. "Je hoeft niet te luisteren. Alleen maar te horen. Net zoals we vroeger deden, weet je nog? Dat ik voor je zong, omdat mijn moeder je niet kon helpen?"
Ik druk mijn handpalmen tegen mijn slapen. Het gevoel gaat niet weg. Steeds meer en meer voelt het alsof...
"Je gaat niet dood, Lucien. Je hebt een paniekaanval." Haar handen pakken de mijne. Die van haar zijn bedekt met een zoetruikende olie. "Je had ze vroeger ook, weet je nog? Toen zijn we ze ook samen doorgekomen." Ze masseert mijn handen met de olie. "We zaten samen bij het vuur, en je huilde, en zei dat je geen lucht kreeg." Ik knik - een herinnering die ik lang verbannen had, maar nu in alle heftigheid weer terugkomt. "En mijn moeder was er niet, dus ik moest je helpen. Ik was zelf een kind, ik wist niet hoe."
"Je zong voor me." herinner ik me ineens. De molensteen voelt iets lichter. "Liederen uit het Noorden."
Ik hoor de glimlach in haar stem. Ze duwt mijn mouwen omhoog om ook mijn onderarmen te masseren. "Je weet het nog. Ik leerde ze van mijn vader, en je was er zo door geïntrigeerd dat je me zo erg aanstaarde dat ik er bang van werd."
"Het spijt me."
"Het is oké. Dat duurde niet lang. Elke keer dat ik kwam, bleef je staren. Ik was al snel niet meer bang, en ik was stiekem een beetje verliefd op je."
Ik open mijn ogen. Ze kijkt me speels aan, een blos op haar wangen.
"Nu denk ik dat ik verliefd was op het idee van verliefd zijn op een prins. Ik was een dienstmeisje, dat zelfs amper. Een jonge, knappe prins die op mij vertrouwde hem weer te kalmeren... Het was de ultieme droom."
Ze legt mijn handen in mijn schoot. Het draaiende gevoel in mijn hoofd is opgehouden, ik kan weer ademhalen.
"Ik wist ook dat jij nooit verliefd zou zijn op mij. Ik was slechts een dienstmeisje. Dus ik hield het bij de droom en prees mezelf gelukkig dat ik je mocht dienen op een unieke manier."
Ik kijk haar met vernieuwde interesse aan. Hoewel ze een dierbare is, realiseer ik me hoe weinig ik over haar weet. En dat terwijl... "Ik was wel verliefd op je." geef ik toe. "Stapel, zelfs. Maar je was een dienstmeisje en ik een prins, dus ik dacht dat je me zou verafschuwen vanwege mijn rank."
Pascalle's lach is zo licht dat het me kippenvel bezorgd. "We hebben onszelf een boel pijn bespaard, denk je niet?"
Ik knik stilletjes. Ze kust mijn voorhoofd, teder en zacht. "Toen al hield je al je emoties voor jezelf. Het is oké om je zorgen te maken. Zeker over de twee vrouwen in de tent hiernaast. Ik zie hoeveel je van ze houdt. Maar je kunt niet alles voorkomen. Sommige dingen moeten ze zelf doen."
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik hou me stil. Pascalle glimlacht alleen maar, met een blik waarmee ze zich tot mijn ziel lijkt te boren.
"Ga naar Emma. Ze doet zo haar best. Maar ze kan geen gedachten lezen."

De sneeuw lijkt te zijn gestopt als ik de korte oversteek maak naar mijn eigen tent. Emma en Eschieve liggen al te slapen; ik ontdoe mezelf zo stil mogelijk van mijn kleding en kruip in bed achter Emma.
"Luc..?"
"Ik ben hier." Ik kus haar achter haar oor en inhaleer haar geur. Het laatste gewicht van de molensteen verdwijnt. Ik trek haar zo dicht mogelijk tegen me aan, met één hand op haar buik. "Ik ben er."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen