Foto bij H29: Bibliotheek ~ Halatir

Ik keek boos naar de trol naast mij, die zonet het nodig vond om hard te niezen. Hij kromp wat ineen en liep snel weg, waarna ik zuchtte en mijn concentratie probeerde terug te krijgen. De bibliotheek van de zwarte elfen was niet lang meer open dankzij die rotklusjes en ik moest dit boek nog uitkrijgen. Het was moeilijk, aangezien het vol met uitleg en ingrediënten stond in de taal van de zwarte elfen. Het was echter belangrijk dat ik dit las, want ik had het nodig voor mijn uiteindelijk plan. “Hmm, ‘Faerbol mrimm’… Een handleiding over magische voorwerpen, waarom heb je dat nodig? Ik heb daar niets over gezegd in mijn lessen”, hoorde ik opeens een stem geamuseerd naast mij zeggen en ik deed mijn best om niet te tonen dat hij me had verrast.

“Soort wraakactie”, antwoordde ik neutraal en Morchiant schoof de stoel naast mij naar achteren. Hij ging er zelf op zitten en sloeg zijn ene been over de andere, terwijl hij zijn hoofd op zijn hand liet leunen. “Halatir, Halatir, Halatir…”, zei hij opeens en ik keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Hij grinnikte en gebaarde met zijn hoofd naar het boek. “Je weet dat je een week lang folterstraf krijgt als de Vijf weten dat je dit aan het lezen bent”, zei hij geamuseerd en ik keek weer naar het boek voor me. “Maar wie zegt dat ze het te weten komen?”, antwoordde ik en Morchiant grijnsde. “En dat is de reden waarom jij mijn favoriete leerling allertijden bent. Je bent er aan het inrollen, Halatir. Liegen, verraden, dreigen… je hebt het allemaal spontaan in je zitten. Je zou een perfecte zwarte elf zijn”, zei hij en ik keek hem wantrouwig aan. “Wat verwacht je van mij?” vroeg ik wantrouwig, want zwarte elfen gaven nooit zomaar complimenten. Zeker van Morchiant zou ik ze niet verwachten, dus er moest zeker iets achter zitten.

Morchiant leunde wat naar mij toe en zei: “Ik weet wat je gaat doen, Halatir, maar onderschat ze niet. Ze zijn niet voor niets de heerseressen. Hun krachten zijn sterker dan welke zwarte elf dan ook en tezamen zijn ze praktisch onoverwinnelijk.” “Je denkt dat ik het niet kan”, zei ik neutraal en Morchiant schudde zijn hoofd. “Volgens mij maak je een kans, ik geef je enkel de feiten nog mee. Ik ben er in ieder geval niet in geslaagd”, zei hij en ik trok verbaasd een wenkbrauw op. Morchiant schoof wat achteruit en trok zijn gewaad wat op, zodat zijn been zichtbaar werd. “Phalar”, zei hij opeens en hij trok een pijnlijk gezicht. Hoewel ik mijn best deed om niet onder de indruk te zijn, viel mijn mond licht open van verbijstering.

Op commando van dat woord begon zijn been te verschrompelen en bleef er niets anders over dan een vormeloze massa. “De prijs om hen te trotseren: een eeuwige vloek en geen enkele kans meer om te kunnen vechten of om hen nog eens uit te dagen. Een illusie om het te verbergen, maar met een eeuwige pijn die niet te verbergen valt”, zei hij grommend en ik trok met moeite mijn blik er van weg. “Dat overkomt mij niet”, zei ik vastberaden en Morchiant snoof even. “Rath”, zei hij en weer kwam een normaal been tevoorschijn. “Doe wat je niet laten kunt”, zei hij enkel nog en stond op. “Ga je iets zeggen?” vroeg ik nonchalant en hij draaide zich om. “Over wat? Je bent gewoon een ijverige student”, zei hij met een grijns en verliet de bibliotheek.

Toen ik terug op mijn kamer was, begon ik een brief te schrijven. Mijn plan had een definitieve vorm gekregen, maar nu had ik nog wat hulp nodig van buitenaf. Eenmaal klaar met schrijven, liep ik zo snel mogelijk naar de verzendzaal. Ik wou slapen, maar eerst moest deze brief verzonden worden. Eenmaal in de zaal, zag ik niemand en ik gromde gefrustreerd. Dat werd weer zelfbediening… Ik liep naar een andere deur en ging zo een kamer binnen die vol stond met potten, lampen, flessen, amuletten en weet ik nog wat. Vrij geïrriteerd griste ik een fles vanuit een nis en draaide de dop eraf. Meteen ontstond er rook en ik hoestte, terwijl in de rook een gedaante verscheen. Zijn lichaam was vaal grijs en twee lege gaten keken mij aan. Van onder zijn neus liep zijn mond verticaal tot aan zijn buik en hij opende deze, waardoor ik allerlei scherpe tanden zag. “Je moet een brief bezorgen aan iemand”, zei ik en het wezen hield zijn hoofd schuin.

Toen kwam hij op mij af, maar ik gaf hem een ruwe schop en hij kromp ineen. “Brief bezorgen!” riep ik hem boos toe en hij ging wat achteruit, waarna hij zei: “Wie.” “Astrid Manovi”, antwoordde ik en stak de brief uit, maar tot mijn frustratie hield hij weer zijn hoofd scheef. “… wie?” vroeg hij nu aarzelend en ik gaf hem een paar rake kloppen. “Komaan, ben je doof of zo? Te lang in de fles gezeten?” tierde ik en de demon kromp ineen. Toen stopte ik, haalde even diep adem en zei toen: “Astrid Manovi. A-S-T-R-I-D M-A-N-O-V-I.” De demon jammerde even, maar knikte toen en nam de brief aan. Hij begon te vervagen en ik riep nog: “En zie dat die brief heel aan komt, hoor je!” Voordat hij in rook op ging, knikte hij nog en ik liep de kamer weer uit. Ik liet de fles op de tafel in de zaal staan en ging terug naar mijn kamer. Die demonen van tegenwoordig waren echt niets meer waard… Een eng uiterlijk, maar een slap innerlijk.

Reacties (1)

  • Kaffaljidhmah

    Tja, het leven in een fles kan soms wel krap zijn

    1 jaar geleden
    • Allmilla

      Hehe, das waar...xD

      1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen