Foto bij Scar 76

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Paiges kaak verstrakt en ze staat op. Ik volg haar voorbeeld. Voordat ze, op de voet gevolgd door mij, weer naar de slaapkamer loopt, zegt ze tegen haar broer: 'Bel me maar voor de volgende begrafenis. Ik zal er zijn.'
Haar woorden klinken hard, maar nu de twee mannen haar gezicht niet meer kunnnen zien, laat ze de doodsangst die ze voelt zien, en die doet vermoeden dat ze zich helemaal niet zo hard voelt als ze doet denken.
'Zijn middelste naam was Aleksei!' roept Vadìm ons na, en ik hoor hoe hij uit pure frustratie een glas tegen de muur aan gooit.

De volgende ochtend word ik wakker van Paige die opstaat. Pas wanneer ze een joggingbroek onder het shirt waarin ze geslapen heeft aantrekt en naar de deur loopt, krijg ik door wat ze van plan is.
‘Wacht,’ zeg ik snel. ‘Ik kom ook.’
Wanneer ik mezelf haastig klaargemaakt heb, loop ik naar haar toe. Even kijken we elkaar aan. Ze ziet er moe uit en haar keel is rood. Het is duidelijk dat ze haar verdriet probeert te verbergen, maar zelfs voor haar is het teveel.
Ze verbreekt het oogcontact en opent de deur. We lopen naar de woonkamer toe, waar Vadìm en Dmitri zitten te ontbijten. Ze begroeten haar in het Russisch en ik hoef de taal niet te kunnen spreken om te horen dat ze dronken zijn. Paige antwoordt niet. Wanneer ze ziet dat ze toch ergens een broodmes hebben gevonden, stokt haar adem in haar keel, wat Dmitri ontzettend grappig lijkt te vinden.
Haar broer zegt iets tegen haar en wenkt haar. Even blijft ze stilstaan, maar dan loopt ze naar hem toe en gaat ze tegenover hem aan de tafel zitten, met rechts van haar Dmitri. Ik ga aan de andere kant naast haar zitten. Na een tijdje zegt haar broer iets tegen haar en met zijn hoofd gebaart hij richting de keuken. Zonder oogcontact te maken staat Paige op en ze loopt naar de koelkast, waar ze de kaas voor hem pakt. Hij gaat met haar om alsof ze zijn slaaf is, wat het bloed onder mijn nagels vandaan doet trekken. Wat me nog banger maakt, is dat ze zonder te klagen doet wat hij zegt. Het is haast onnatuurlijk om de altijd zo onverschrokken Paige zo bang te zien.
Voordat ze terugloopt zie ik dat ze haar vrije hand zo hard tot een vuist balt, dat haar knokkels wit worden. Ze kijkt op naar Vadìm en sist beschuldigend: 'Je had beloofd dat je hem weg zou houden van de drugswereld.'
Hij staat op en begint naar haar toe te lopen, waardoor ik zelf ook omhoog komt van mijn stoel. Dmitri is de enige die totaal geen aanstoot ondervindt aan de hele situatie, waarschijnlijk omdat hij stomdronken is.
Vadìm gaat voor haar staan en hij torent ver boven haar uit. Paige durft hem niet aan te kijken en hij pakt haar kin tussen duim en wijsvinger, kantelt haar gezicht omhoog zodat ze niet anders kan dan zijn blik in die van haar te laten boren.
'Ik heb me aan belofte gehouden,' maakt hij haar op kille toon duidelijk. 'Kaiden niet vermoord door drugskartel. We weten niet wie. Pap denkt gewoon een psychopaat. Geen zaken. Het was niet zijn schuld. Niet míjn schuld.'
Ze mompelt iets zo zacht dat zelfs hij het waarschijnlijk maar net kan horen, maar omdat ik kan liplezen, zie ik dat ze zegt: 'Het kan me niet schelen wat hij denkt.'
Hij laat haar los en hij heft zijn hand om haar te slaan, waardoor Paige en ik allebei tegelijk ineenkrimpen, maar hij bedenkt zich. Met een kort gebaar naar de eettafel zegt hij iets tegen haar. Ze loopt terug naar haar stoel en legt de kaas neer, naast de boter. Het gesprek is volgens hem duidelijk afgesloten.
Ze gaat weer zitten en begint gespannen op haar nagel te bijten. Wanneer Dmitri lachend wat tegen haar zegt, houdt ze ermee op en pakt ze met haar handen de zoom van haar shirt vast, peutert er zenuwachtig aan. Ik leg geruststellend een hand op haar rug en wrijf zachtjes met mijn duim over het katoen, maar ze blijft nog steeds even zenuwachtig zitten. Ze is zo ineengedoken en gespannen, dat ik haar ruggengraat kan voelen.
Dan pas valt het me op dat Dmitri een hand op haar knie heeft gelegd en die steeds ietsje verder omhoog laat glijden. Net wanneer ik er iets van wil zeggen - of hem in zijn gezicht wilde slaan, één van de twee - pakt ze het broodmes en steekt die in het tafelblad, tussen de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand, die losjes op tafel ligt, in. Hij trekt niet eens verschrikt zijn hand weg. Hij grijnst alleen maar, wat me het idee geeft dat dit niet de eerste keer is.
Ze staat zo ruw op, dat haar stoel achterover valt en in het Russisch snauwt ze iets naar de twee mannen. Haar broer staat dreigend op, maar nog voordat hij iets kan zeggen, zegt ze weer boos iets tegen hem en hij sluit haast overdonderd zijn mond weet. Ze gromt een paar woorden en wijst naar de deur. Dmitri staat ook op, maar is te perplex om iets te zeggen.
Vadìm begint tegen haar te schreeuwen en Paige begint terug te roepen. Wanneer haar broer opeens in een opwelling een fles whiskey op de grond smijt, komt er een verschrikte gil over haar lippen en ze slaat een hand voor haar mond. Ik zie de tranen ophopen in haar ogen en ik sla een arm om haar middel. Haar ademhaling versnelt en ik ben oprecht bang dat ze een paniekaanval gaat krijgen, maar ze lijkt zich nog altijd groot te houden. Vadìm gaat verder met schreeuwen en zijn Russisch verandert in Engels, waarschijnlijk om ook mij te treiteren.
‘Na al die jaren ben je nog steeds zwak! Je bent laf en labiel! Je bent gewoon ziek in je hoofd! Iedereen vindt dat! En nu sta je te janken als baby! Je zult nooit goed genoeg zijn! Kan niet!’ roept hij uit en hij slaat met zijn vuist op de tafel.
‘Ik heb Kaiden in ieder geval niet dood laten gaan,’ fluistert ze, heel zachtjes, maar het is genoeg om de hele ruimte stil te krijgen. Heel lang kijkt Vadìm haar aan, zijn hele gezicht staat op onweer en zijn ogen worden nog donkerder. Door het glas van de kapotgegooide fles loopt hij naar ons toe en ik probeer haar achter me te trekken, maar ze geeft niet mee en kijkt omhoog naar haar broer.
‘Ik heb hem in ieder geval niet in de steek gelaten,’ zegt hij, heel zachtjes. Bij hem betekent zacht gevaarlijk. Schreeuwen doet hij de hele dag door al, maar als hij zo praat, is hij echt boos.
Paige is een tijdje alleen maar stil, maar dan zegt ze op vlakke toon: ‘Ga.’
Heel lang kijken de twee elkaar strak aan. Dan zegt hij, alsof het een uitdaging is, een scheldwoord: 'Nee.'
‘Het spijt me!’ roept Paige en ze geeft een klap op de tafel, die trilt onder haar uitbarsting. Ik zie dat er tranen in haar ogen glinsteren. Veel mensen zien er kwetsbaar uit wanneer ze huilen, maar Paige ziet er op het moment vooral uit alsof je heel, heel voorzichtig moet zijn, als je leven je lief is. ‘Is dat wat je wilt horen?! Het spijt me! Het spijt me dat vader jou wel sloeg en mij niet! Het spijt me dat ik nog niet “oud genoeg” was om iemand te vermoorden op het moment dat jij dat wel was! Het spijt me dat je het idee had dat je ‘s nachts in je kussen moest bijten zodat ik misschien niet zou horen dat je aan het huilen was! Het spijt me dat ik weggegaan ben toen moeder mij daar de kans toe gaf! Het spijt me dat ik niet terug durfde te komen toen ik eenmaal volwassen was! Het spijt me dat ik er niet was toen Kaiden begraven werd! Het spijt me dat ik mezelf nooit kapot heb gemaakt in de hoop jóúw emotionele trauma te verhelpen! Het spijt me dat je zo verschrikkelijk verbitterd bent dat je besloten hebt om jezelf als het eeuwige slachtoffer van deze situatie te zien! En het spijt me dat je de verschrikkelijke pech hebt gehad om de broer te zijn van Agraishka Ivanovica! Ik zal mijn excuses aanbieden voor elke keer dat mijn hart geklopt heeft, als dat is wat je wilt! Maar nu ga je weg en ik wil je niet meer zien, verdomme!’
Stilte, heel lang. De spanning in de ruimte is om te snijden. Dan knikt Vadìm.
‘Prima.’ Hij spuugt het woord uit alsof het een verwensing is en hij grijpt zijn koffer vast, die op de bank ligt. Paige loopt naar de voordeur en doet die open. Voordat Dmitri erdoorheen loopt, legt hij een hand op Paiges heup en buigt hij voorover, zijn mond te dichtbij haar oor. Hij fluistert haar iets toe en ze slikt. Even kijkt ze naar mij en dan zegt ze zo emotieloos als ze kan iets terug. Hij laat een spottend lachje horen en loopt achter Vadìm aan weg.
Ik doe de deur dicht en als ik me omdraai, staat Paige alweer bijna in de eetkamer. Ik loop naar haar toe en zie dat ze met onvaste handen de stukken glas van de grond begint te rapen. Haar bewegingen zijn zo trillerig dat ik bang ben dat ze zichzelf snijdt. Ze is net uitgescholden en bedreigd door de broer die ze jarenlang niet gezien heeft en haar kwam vertellen dat haar jongste broertje vermoord is - en nu denkt ze dat ze de ravage die hij achtergelaten heeft op moet ruimen.
‘Paige?’ vraag ik voorzichtig, maar ze reageert niet en gaat door. Ik kom naast haar staan en leg een hand op haar schouder, waardoor ze me eindelijk wel aankijkt. Haar onderlip trilt en ze doet haar uiterste best om de tranen binnen te houden. Ze legt het stuk glas wat ze in haar hand heeft op de tafel en trekt het mes eruit. Ze laat haar vingers over de inkeping glijden die achtergebleven is. ‘Het spijt me van je tafel.’
Ik schud mijn hoofd en zeg dat het niet erg is. Wanneer ze weer weg wil lopen om de rest op te ruimen, leg ik een hand op haar bovenarm en zeg ik: ‘Paige, dit hoef je nu niet te doen.’
Ze bijt op haar lip om haar tranen binnen te houden. Ze opent haar mond om iets te zeggen, maar er komt alleen maar een snik over haar lippen. Ze krimpt ineen en slaat een hand voor haar mond om haar gehuil te dempen. Ik stap snel op haar af en vouw mijn armen om haar heen.
'Kaiden,' stoot ze uit, alsof ze stikt in het woord. Ik kan haar alleen maar dichter tegen me aantrekken terwijl ze harder huilt dan ik haar ooit heb horen doen - wat al een hele hoop zegt. Door de snikken heen hoor ik haar dingen stamelen over dat hij geen sterren in zijn kist heeft, en dat hij zo ongelukkig was, en dat hij verdomme zo'n hekel had aan orchideeën, en dat ze van hem hield, dat ze zoveel van hem hield en dat hij dat niet wist en dat het ze het allemaal heeft verpest, want ze had er voor hem moeten zijn.
Ik probeer haar te troosten, maar wanneer ik besef dat ik niet verder kom dan "ik vind het zo, zo erg" en "het is niet jouw schuld", houd ik haar maar gewoon vast en hoop ik tevergeefs dat ik haar zo misschien kan redden van de vloedgolf die net over haar heen is gespoeld.
Na een tijdje wordt ze moe. Ze blijft nog wel huilen, maar niet zo hard meer. Ze is gewoon helemaal op. Af en toe komt er nog een snik over haar lippen, met haar betraande gezicht tegen mijn borst verstopt. Ze staat bijna te trillen op haar benen en voorzichtig leid ik haar naar de bank. Ik trek haar op mijn schoot en ze voelt klein een breekbaar terwijl ik haar in mijn armen houd, als een vogeltje. Na een tijdje, wanneer ze te uitgeput is voor überhaupt nog één snik, ligt ze gewoon stilletjes in mijn omhelzing, af en toe nog snuffend of schokschouderend. Haar tranen zijn op.
'Wil je proberen wat te slapen?' vraag ik voorzichtig, wetend dat ze de afgelopen nacht - net als ik - niet bepaald ook maar één oog dicht heeft kunnen doen. Ik ben niet moe - integendeel, ik sta stijf van de adrenaline - maar het kan niet anders dan dat Paige afgepeigerd en hondsberoerd is.
Ze trekt zich iets terug om me aan te kunnen kijken en haar gezicht is nat en vlekkerig van het huilen. Ik zie een pijn in haar blik die mijn maag doet samenknijpen en ik wil wanhopig graag alles voor haar oplossen, alles wat kapot aan haar is weer in elkaar zetten en haar weer gelukkig maken, maar ik ben volledig machteloos.
'Hoe kan ik ooit nog slapen terwijl ik weet dat hij dood is gegaan zonder te weten dat ik-' Ze stikt in de woorden en kan haar zin niet afmaken. Ze begint te ratelen. 'Het-het is mijn schuld en ik... en ik had hem naar Amerika moeten halen en hij was te goed voor mijn familie en ik had iets moeten doen om-'
Haar gezicht vertrekt en ze houdt weer een hand voor haar mond om een volgende snik te dempen. Met een hand op haar achterhoofd druk ik zachtjes haar gezicht in mijn hals en heel zachtjes wieg ik ons heen en weer. Na een tijdje slik ik de brok in mijn keel weg en til ik haar op. Ze protesteert niet terwijl ik haar naar de slaapkamer draag en ik zou wel mijn pyjama aan willen trekken, maar dan zou ik haar los moeten laten - en dat kan ik niet. Ik houd haar vast terwijl haar geril van ellende overgaat in een illusie van ontspanning wanneer ze eenmaal in slaap gevallen is. Ik kijk met koppige tranen in mijn ogen naar haar gezicht, dat er zelfs in haar slaap uitziet alsof haar wereld voor haar ogen ingestort is.

Het duurt misschien een uur of twee voordat ze wakker wordt van een nachtmerrie.
'Kaiden!' stoot ze uit in een halve gil. 'Nee, wacht op mij!'
En dan gaan haar ogen open en na een paar seconden lijkt ze zich te realiseren waar ze is, wat er is gebeurd. Ik strijk
alleen voorzichtig over haar wang en zeg niets terwijl ze mijn bezorgde, gekwelde blik ontwijkt.
'Wil je wat water?' vraag ik uiteindelijk en ze knikt met een verdoofde uitdrukking.
Ik sta op en loop naar de keuken. Wanneer ik weer terugkom, zit ze op de rand van het bed, haar benen vanaf haar knieën naar beneden bungelend en haar handen op het houten frame. Ze is lijkbleek en haar blik is leeg. Haar lippen zijn iets van elkaar geweken. Het verscheurende verdriet en gehuil heeft plaatsgemaakt voor een alles overtreffende leegheid: een besef dat nog niet binnengedrongen is, weten zonder te begrijpen. Ik geef haar het glas en ga naast haar zitten. Ze neemt kleine slokjes, tot het half leeg is, en zet het neer op het nachtkastje.
Gisteravond was even in me opgekomen dat ik haar misschien kon helpen omdat ik zelf mijn zusje had verloren en er dus ervaring mee heb, maar nu besef ik dat ik Blueberry's dood zelf niet eens heb kunnen verwerken. Hoe kan ik haar in godsnaam helpen?
'Ik had nooit gedacht dat ik Kaiden ooit nog zou zien,' zegt ze met monotone stem en eindelijk kijkt ze me aan. Haar blik is koud; niet uit woede, maar omdat ze niet meer weet hoe ze warm moet zijn, 'maar hij leefde nog wel.'
Ik leg voorzichtig een hand op haar knie en ik kijk naar haar voor wie ze ook is: het kind dat dingen heeft gedaan die ze zichzelf niet heeft kunnen vergeven, ook al deed ze het alleen omdat ze wilde overleven, omdat ze alle kapotte dingen weer wilde genezen. Ze heeft haar familie, die geen familie is, achtergelaten en heeft haar broertje niet meer mogen nemen - en nu is hij kwijt en is ze hem kwijt. Ze wil vrij kunnen zijn, maar ze heeft geen idee hoe ze zichzelf kan vergeven en ik heb geen idee hoe ik haar kan helpen.
Ze wendt haar blik af en herhaalt, meer tegen zichzelf dan tegen mij: 'Maar hij leefde nog wel.'

Reacties (1)

  • BethGoes

    Iedereen wordt boos als ik het zeg, maar: Jezus Christus...

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen