Vermoeiend opende ik mijn ogen. Tijgerkit lag nog lekker naast me opgerold zoals gewoonlijk. Zijn cyperse vacht ging op en neer met zijn ademhaling en hij had zijn ambergele oogjes gesloten. De kraamkamer was nog steeds in duisternis verhuld door de bladeren. De maan buiten was vol en de krijgers waren weg. Het was dan ook Grote Vergadering, daarom waren er nog maar enkele katten in het Donderclankamp. De oudsten lagen in hun hol en er waren nog maar een paar leerlingen. Er was bovendien geen moederkat en behalve ons waren er geen kittens. Ik keek naar mijn broer. Zo zacht mogelijk stond ik op, ik deed mijn best hem niet wakker te maken, en liep naar buiten. De sterren fonkelden in de donkerblauwe hemel en de maan verlichtte mijn cyperse vacht. Meteen dacht ik aan de Sterrenclan. De machtigste clan van ons allen. De voorouders van alle vier de clans in de lucht. Terwijl ik op de open plek omhoog keek, hoorde ik Tijgerkit wakker worden en naar me toe lopen.
‘Laat me raden,’ zei hij. ‘De Sterrenclan maakte je wakker?’
Hij was moe, doodmoe, dat kon ik horen aan zijn stem. Ikzelf was ook uitgeput, maar slapen lukte niet. Zoals iedere nacht had ik nachtmerries. Ik zag steeds weer dezelfde katers. Eerst een enorme, langharige, donkerbruine, cyperse met oranje ogen. Daarna een cyperse met ambergele ogen. Hun poten zaten onder het bloed en ze hadden een kwaadaardige grijns op hun gezicht. Beide waren krijgers, maar niet van dezelfde clan. Hun vechttechnieken waren namelijk anders. Maar allebei hadden ze een lust naar moord en een zucht naar wraak. Met deze katten wil niemand te maken krijgen wanneer ze bezig zijn met een onschuldige kat doden. Ik wilde Tijgerkit hier liever niet over vertellen, hij maakte zich al genoeg zorgen over mij, dus schudde ik mijn hoofd.
‘Ik kon gewoon niet slapen.’
Hoewel ik weet dat de Sterrenclan wel eens met mij samentongt, weet ik dat medicijnkat niet voor mij is weggelegd. Tijgerkit en ik doen graag dingen die eigenlijk niet echt mogen. Stiekem het kamp uitgaan en jagen bijvoorbeeld. Sowieso zit ik niet graag vast in een kamp, ik ga liever de wijde wereld in. Alleen wil onze vader dat we binnen blijven. Hij is clanleider, dus moeten we wel naar hem luisteren, maar ik vind dat hij de laatste tijd erg vaak afwezig is… Papa mogen we ook niet gewoon papa noemen, maar gewoon Dennenster. Tijgerkit en ik vinden dat iets minder, maar we gehoorzamen gewoon. Waarom zouden we de krijgscode overtreden? Ik bedoel, ja, we zijn nog maar kittens, maar iedere kat weet: het woord van de leider is wet. Als we niet gedwee zijn, kunnen we straf verwachten.
Plotseling voelde ik Tijgerkits vacht langs de mijne strijken. Het stelde me gerust, ik wist dat hij me nooit zal achterlaten. Tijgerkit en ik zouden altijd zij aan zij blijven strijden, zelfs als het even tegenvalt. Zelfs als een van ons sterft, we zullen terugkeren als Sterrenclankat en elkaar helpen in de donkere tijden. Ik gaf hem een tikje met mijn staart om hem gerust te stellen dat alles prima was en hij liep weer naar de kraamkamer. Als snel dommelde hij weer in slaap zodat ik weer alleen stond te kijken naar de donkere hemel. Duizenden krijgers die op ons neer keken, duizenden krijgers die wijzer waren dan wij en die meer meegemaakt hadden in hun leven dan ik. Wat zijn ze toch bijzonder…

Het warme licht van de zon verlichtte mijn vacht en ik tilde mijn kopje op. Het was zonsopgang. Nu al? Ik keek om me heen. Ik lag op de open plek met mijn pootjes onder me gevouwen. Ik geeuwde; nog steeds was ik moe. Ik was vast in slaap gevallen. Ik draaide mijn oren naar de ingang toen ik het geluid van trippelende poten hoorde. Het geluid dat de terugkomst de rest van de clan aankondigde, ze waren eindelijk terug van de Grote Vergadering! Al snel was ik mijn vermoeidheid vergeten en sprong ik op. De terugkerende krijgers raceten het kamp binnen en snelden naar hun hol. Samen met Blauwvacht en Zonneval liep Dennenster achteraan. Vragen kwamen in me op, want de leiders moesten normaal altijd vooraan lopen, waarom vormde mijn vader de achterhoede? Ik sprong op hem af en keek hem aan met grote, nieuwsgierige oogjes.
‘Dennenster,’ zei ik. ‘Waarom loop jij hier? Moest jij de clan niet leiden?’
Dennenster knikte, maar keek al snel triest. ‘Ik heb nieuws voor de hele clan, die heel belangrijk is, maar ik wil dat jij weer terug gaat naar de broer, begrepen, Luipaardkit?’
Ik knikte terwijl Dennenster naar de Hogesteen liep en alle andere katten bij elkaar riep. Ik keek nieuwsgierig naar Zonneval en Blauwvacht, in de hoop dat zij me zouden vertellen wat er gaande was, maar het enige wat ze deden, was gebaren met hun staart dat ik naar de kraamkamer moest. Ik zuchtte en trippelde naar Tijgerkit. Teleurgesteld ging ik naast hem zitten tot de Clanvergadering voorbij was.

Ik zag door de doorgang hoe alle katten terugkeerden naar hun hollen of het kamp verlieten om te jagen. De leerlingen liepen naar hun mentoren die met hen gingen trainen en andere kropen het leerlingenhol in. Ik zag hoe Dennenster naar de kraamkamer afkwam.
‘Luipaardkit,’ zei hij met een zachte stem. ‘Wil je je broer wakker maken, alsjeblieft?’
Ik keek hem verbaasd aan, maar gehoorzaamde en tikte Tijgerkit aan met mijn poot. Hij tilde zijn kopje op en keek verbaasd om zich heen.
‘Wat? Waar ben ik?’
Hij opende zijn ogen en besefte dat hij was waar hij hoorde te zijn. Toen keek hij naar onze vader en stond hij zo snel op, dat hij bijna weer omviel.
‘Wat is er?’ vroeg ik Dennenster. Dennenster keek triest en haalde diep adem.
‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Maar ik ga de Donderclan verlaten om verder te leven als een poesiepoes.’
‘Wat?!’ schreeuwde Tijgerkit. ‘Waarom zou je?!’
‘Ik wil mijn laatste leven vredig doorbrengen,’ antwoordde Dennenster. ‘Dus ga ik voortaan wonen bij tweebenen. Maak je maar geen zorgen, zodra mijn tijd is gekomen zal ik me gewoon bij de Sterrenclan voegen en naast jullie staan.’
‘Dit kan je niet menen!’ gooide mijn broer eruit. ‘Poesiepoezen zijn zo lui! Hoe kan je dit menen?’
Dennenster gaf ons een liefdevolle lik tussen onze oren en verliet de kraamkamer om voorgoed te verdwijnen. Alle haren van Tijgerkit stonden omhoog, ik kon zijn woede voelen branden.
‘Wat bezielt hem?!’ schreeuwde hij. ‘Poesiepoes? Hoe kan hij?’
Zachtjes aaide ik met mijn staart zijn vacht.
‘Rustig,’ zei ik hem. ‘Hij wil gewoon wat rust, daar is toch niks mis mee?’ Ondanks dat hij liet merken dat alles oké was, wist ik dat zijn woede nog niet was gedoofd.

Nog geen maan later waren we leerling. Zijn mentor was Distelklauw en de mijne was Blauwvacht, wie dat moment de commandant was. Tijgerpoot-ik heette voortaan Luipaardpoot-begon al meteen met vechttechnieken, terwijl ik liever de leerlingentaakjes eerst deed. Blauwvacht vond goed dat ik toegaf dat ik beter kan opbouwen dan meteen agressief beginnen. Eerlijk gezegd, vond ik de leerlingentaakjes ook wel leuk. Het mos van de oudsten verschonen wanneer ze kittens verhalen vertelden over vroeger, het bleef grappig.
Een halve maan later was de Grote Vergadering. Tijgerpoot en ik hadden er heel veel zin in! We keken er oprecht naar uit. Ik had dan ook aan Blauwvacht gevraagd of ik naast Tijgerpoot mocht lopen en ze vond het goed. Op de Grote Vergadering scheen de volle maan prachtig in de hemel. Ook de sterren twinkelden in de lucht. Terwijl ik nog steeds gefascineerd naar de lucht keek. Tijgerpoot gaf me een vriendelijk tikje met zijn staart om me te wekken uit mijn dagdroom.
'We willen indruk maken, hè?' fluisterde hij. 'Met wie wil je graag praten?'
Terwijl ik de plek rondkeek, zag ik twee leerlingen naast elkaar lopen. De één was helemaal wit en had zwarte poten. De ander was een cyperse kater en maakte meteen oogcontact. Z'n kijkers waren amberkleurig en ik wandelde naar hem toe. Tijgerpoot volgde me tot de voor de vreemde katten stonden. Meteen herkende ik de geur van de katers als die van de Schaduwclan.
De witte kat ging zitten met zijn staart om z'n poten geslagen en de cyperse keek me nieuwsgierig aan.
‘Wie zijn jullie?’ vroeg de witte kater.
‘Tijgerpoot,’ zei mijn broer. ‘En dit is mijn zusje Luipaardpoot.’
‘En jullie?’ vroeg ik nieuwsgierig terwijl ik mijn blik los probeerde te maken van de cyperse kat.
‘Zwartpoot,’ antwoordde de witte kater. ‘En dit is mijn beste vriend Brokkelpoot.’
Zwartpoot gaf zijn bruine vriend een tikje met zijn staart en hij knikte ons toe.
‘Wij worden getraind om de beste krijgers van de Schaduwclan te worden!’ riep Zwartpoot en hij hief zijn kin op.
‘Ik misschien wel leider, aangezien mijn vader dat ook is.’ voegde Brokkelpoot eraan toe.
‘Ik wil later commandant worden,’ zei Tijgerpoot. ‘En misschien ook wel leider. Als dat gebeurd, wordt ik een betere dan mijn vader.’
‘En jij, Luipaardpoot?’ vroeg Brokkelpoot.
‘Ik wil alleen maar de Donderclan van dienst zijn. Het maakt mij niet uit wat ik wordt, zolang ik maar kan helpen.’
‘Slap,’ hoorde ik plotseling achter me. Ik draaide me om en zag een witte kater tevoorschijn komen. Hij was ook een leerling en rook naar Windclan. Hij had blauwe ogen en was net iets ouder dan ik. ‘Maar ja,’ vervolgde hij. ‘Zo zijn Donderclankatten nou eenmaal.’
‘Let op je woorden, Witpoot,’ siste Tijgerpoot.
‘Ken jij hem?’ vraag ik mijn broer. Hij had zijn vacht overeind gezet en een kromme rug. Hij had zijn ogen tot spleetjes geknepen en zijn staart stond recht overeind.
‘Ik ben hem een keer tegengekomen bij de grens, ik mag hem niet.’
‘Jij mag niemand die beter is dan jij.’ grinnikte Witpoot en nu zag ik hoe Tijgerpoot hem wilde bespringen, maar ik hield hem tegen.
‘Beheers jezelf een beetje,’ beet ik hem toe. ‘We zijn hier wel op een Grote Vergadering, straks maak je de Sterrenclan nog boos! Bovendien is hij het toch niet waard.’
Tijgerpoot blies nog een keer, maar liet zijn haren toen weer liggen.
‘Watjes,’ zuchtte Witpoot. ‘Ik geloof niet in de Sterrenclan hun macht, het zijn maar een paar wanhopige katten.’
Nu was ik het die woede voelde opborrelen, maar toch bleef ik kalm.
‘Hoe kan je dat nou zeggen?’ vroeg ik rustig. ‘Je bent geen Sterrenclankat.’
Gelukkig wist Witpoot daar niks op te zeggen en liep hij door naar de Schaduwclankatten.
‘Jullie zien er uit als kittens, jullie horen nog in de kraamkamer te liggen, nog een maan of dertig.’
Ook merkte ik dat Brokkelpoot hem graag wilde aanvallen, maar gelukkig wist Zwartpoot hem tegen te houden.
‘En misschien zou jij iets harder moeten groeien,’ mauwde ik. ‘Voor je het weet is je mond groter dan jijzelf. Maar dat is zo te zien al te laat.’
‘O, daar ga jij voor boeten!’ Hij haalde uit met uitgestrekte nagels en al snel voelde ik een straaltje bloed langs mijn wang sijpelen.
‘O, op een dag ga ik jou vermoorden.’ fluisterde Brokkelpoot.
‘Dat zie ik graag gebeuren,’ grinnikte Witpoot en hij liep met zwiepende staart weg.
‘Wacht jij maar af,’ fluisterde Brokkelpoot en ik zag hoe gespannen hij was door wat Witpoot net gedaan had.
‘Maak je maar geen zorgen,’ fluisterde ik terwijl ik hem een vriendelijk tikje gaf met mijn staart. ‘Het geneest wel weer.’
Brokkelpoot glimlachte en drukte zijn vacht even tegen de mijne, tot Tijgerpoot en Zwartpoot wegliepen.
‘De Vergadering gaat zo beginnen,’ zei mijn broer. ‘Komen jullie zo ook?’
Ik knikte en zij gingen ervandoor.
‘Ik heb geen zin om hierna weer een maan te wachten om jullie weer te zien,’ zuchtte ik.
‘Als je wilt, kunnen we morgen rond maanhoog weer afspreken bij de grens. Maar alleen als jij dat wilt. Dan neem ik Zwartpoot mee en jij Tijgerpoot.’
‘Goed idee,’ stemde ik in en we liepen naar de andere katten. De Grote vergadering begon en toen het klaar was namen Brokkelpoot en ik afscheid om weer terug te gaan naar de clan.
‘Hé, Tijgerpoot,’ vroeg ik. ‘Zin om vanavond voor maanhoog te jagen?’
Tijgerpoot haalde zijn schouders op.
‘Oké, ik vraag Distelklauw wel of hij mee komt.’
‘Nee joh!’ riep ik. ‘Is niet nodig. Kunnen we niet gewoon alleen wij tweetjes?’
Tijgerpoot zuchtte. ‘Best, best, wat jij wil.’
‘Yes!’
Toen we weer terug in het kamp waren, gingen we meteen naar het leerlingenhol om even uit te rusten. Net na zonsopgang slopen we het kamp uit om te gaan jagen. Tenminste, dat is wat ik tegen Tijgerpoot had gezegd. Toen er geen kat te bekennen was, vertelde ik hem de waarheid.
‘Kom mee,’ zei ik. ‘Dan gaan we naar de Schaduwclan grens.’
Tijgerpoot keek me verbaasd aan.
‘Waarom? Wat als we er één tegenkomen? Denk je dan niet dat ze ons vermorzelen?’ vroeg Tijgerpoot, eerder nieuwsgierig dan bang.
‘Ik heb afgesproken met Zwartpoot en Brokkelpoot.’ fluisterde ik. ‘Gewoon voor de lol.’
‘Wat?!’ Al zijn haren gingen rechtop staan. Dit had hij duidelijk niet verwacht. ‘Ben je gek? We verbreken de krijgscode!’
‘Dus?’ siste ik. ‘We doen er niemand pijn mee!’
Tijgerpoot zuchtte. ‘Best, maar dit is de eerste en laatste keer voor mij. Ik wil best geduldig wachten.’

De afspraakjes gingen prima. Alleen werd Zwartpoot al snel betrapt dus was het alleen nog Brokkelpoot en ik. We speelden als kittens en het ging helemaal goed. De vergaderingen ook. Alleen twee manen later, gebeurde er iets wat alles veranderde.
We kwamen net terug van een trainingssessie en we hadden te horen gekregen dat we die dag erop beoordeeld zouden worden. We waren natuurlijk heel enthousiast, alleen zat er Tijgerpoot iets dwars, dus gingen we afgelegen van de andere katten even praten.
‘Je kan hier niet mee doorgaan, Luipaardpoot!’ gooide hij eruit.
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik verbaasd. ‘Waar niet mee? Waarom niet?’
Tijgerpoot zuchtte. ‘Je ontmoetingen met Brokkelpoot. Je moet morgen fit genoeg zijn, want zoals het er nu naar uitziet ben je morgen te moe en worden we niet allebei krijgers. Alsjeblieft, hou er dus mee op!’
‘Wat?! Mooi niet!’ riep ik. ‘Ik zal hem nooit laten stikken! Dus gaat vanavond gewoon door! Punt uit!’
‘Kom op, zus. Doe geen dingen waar je spijt van gaat krijgen.’
‘Spijt?! Ik!? Nee, geloof me. Ik red het wel.’
‘Ik probeer je alleen maar te helpen!’ protesteerde Tijgerpoot.
‘Ik kan het best af zonder jouw hulp.’ beet ik hem toe en ik liep woedend weg. Ik weet dat ik zo nooit had mogen reageren, maar ik vond zijn zorgen nogal onterecht. Blauwvacht heeft me nooit aangesproken op mijn vermoeidheid, dus zal het niet zijn opgevallen. Tijgerpoot is mijn broer, hij weet het altijd wanneer er iets met me is. We hebben een soort speciale band die andere katten niet hebben. Daarom. Maar eerlijk gezegd, werd het later duidelijk dat ik zo nooit had mogen reageren. Die avond, voor ik bij de Schaduwclan grens kwam, hoorde ik Tijgerpoot weer. Ik was nog niet bij Brokkelpoot en het was nog geen maanhoog, dus draaide ik me om om Tijgerpoot te zien.
‘Moet jij niet uitrusten voor onze beoordeling van morgen?’ vroeg ik hem verbaasd.
‘Denk maar niet dat ik die beoordeling ga halen zonder jou!’ riep hij. ‘Ik bedoel, ik wil niet dat ik straks mijn krijgersnaam krijg en jij nog altijd Luipaardpoot heet! Geloof me, als je niet naar me luistert, krijg je hier nogal spijt van!’
‘Nee, hier word ik gelukkig van, niks dat mij van gedachte kan veranderen. Punt, uit!’
‘In dat geval spijt het me heel erg voor wat ik nu ga doen.’ fluisterde Tijgerpoot. Ik keek hem verbaasd aan en het laatste wat ik me kan herinneren daarvan, is een helse pijn door mijn hele lichaam. Mijn poten konden mijn bovenlichaam niet meer houden en ik viel neer. Bloedend.
Terwijl ik buiten bewustzijn was, droomde ik. Weer zag ik dezelfde katten met dezelfde grijns, maar dit keer was er ook een duister woud. Ik liep er doorheen en er waren verschillende geuren. Ik rook alle katten van alle clans, maar ook onbekende geuren. Van andere soorten katten. Maar dat is dan ook alles wat ik me er compleet van herinner.
Toen ik mijn ogen weer opende, was ik in het medicijnhol. Mijn voorpoot en achterpoot hadden heel veel haar verloren en waren helemaal open. Mijn staart had ook plukken vacht verloren en in mijn oor zat een grote scheur. Spikkelblad was kruiden aan het ordenen en Blauwvacht was de eerste die me zag ontwaken.
‘Luipaardpoot!’ riep ze vrolijk en ze boog zich over me heen. ‘Gelukkig ben je okey, maak je maar geen zorgen. Tijgerklauw heeft alles al verteld.’
‘Wat? Wat bedoel je? Waar heb je het over? Bedoel je niet Tijgerpoot?’
Blauwvachts blije uitdrukking veranderde al snel in een trieste.
‘Het spijt me, Luipaardpoot. Maar je hebt de beoordeling gemist. Tijgerklauw heeft zijn krijgersnaam ontvangen terwijl jij nog steeds bewusteloos lag. Hij vertelde ons dat je ging jagen en Tijgerklauw ook. Toen hij je vond, waren je verwondingen al zo ernstig dat je niet meer zelf kon lopen, dus heeft hij je hierheen gebracht. Heb je enig idee wat er is gebeurd?’
Voor ik antwoord kon geven, hoorde ik iemand het hol binnenkomen.
‘Hier wat prooi, Spikkelblad.’ hoorde ik een zware stem miauwen. Meteen herkende ik hem.
‘Luipaardpoot!’ riep hij en hij rende op me af. Hij was veel gespierder dan ik me kon herinneren en zijn stem was veel lager dan eerst. Maar hij was en bleef mijn broer. ‘Gaat het weer wat beter?’ vroeg hij met een vaste stem. Hij toonde geen medeleven of spijt, maar ik wist dat hij het was wie me verminkte. Door hem heb ik mijn beoordeling gemist en heb ik geen krijgersnaam gekregen. Door hem heb ik Brokkelpoot niet meer kunnen spreken. Ik haalde mijn schouders op en liet mijn kop op mijn poten rusten zonder hem aan te kijken.
‘Kan ze morgen weer beginnen met trainingen en eventueel binnenkort al een beoordeling doen?’ vroeg Blauwvacht hoopvol. Spikkelblad zuchtte.
‘Ik ben bang dat de beoordeling nog even moet wachten, maar ze kan inderdaad gewoon weer naar het leerlingenhol.’
Moeizaam stond ik op en sleepte ik mezelf naar het hol.
‘Bedankt, Blauwvacht, dat je bij me was terwijl ik weg was. En bedankt Spikkelblad, dat je me misschien wel hebt gered.’
Nog steeds negeerde ik Tijgerklauw terwijl ik naar het hol ging om uit te rusten. Ik negeerde alle leerlingen die me aanvielen met vragen en dommelde in. Toen ik mijn ogen weer opende, hoorde ik Blauwvacht roepen voor een training.
‘We gaan je jaagtechnieken oefenen, dan kunnen we toch kijken of je binnenkort al een beoordeling kan doen, als je dat zelf wilt natuurlijk.’
Nog steeds vermoeid verliet ik het hol om te trainen.

Een kwart maan later was er weer een Grote Vergadering, maar ik had er niet echt zin in. Ik was nog steeds een leerling en Brokkelpoot en Zwartpoot zouden nu ook wel hun krijgersnaam hebben gekregen. En Witpoot zou het er natuurlijk ook inwrijven. Normaal liep ik naast mijn broer naar de Grote Vergadering, maar nu raakte mijn vacht die van Blauwvacht. Ik kon Tijgerklauw niet eens aankijken, zo erg haatte ik hem. Ongelofelijk dat hij me heeft verminkt om te voorkomen dat ik met Brokkelpoot zou ontmoeten. Nu heb ik de beoordeling helemaal niet gedaan! Ging hij niet te ver?
Toen we bij de plek waren aangekomen, was alleen de Rivierclan er nog niet. Ik keek de open plek rond en zag al snel Zwartpoot en Brokkelpoot die ook erg waren gegroeid. Ze waren gespierder en hun stemmen waren lager. Ik was maar een klein beetje kleiner en hinkte naar ze toe.
‘Hoi, jongens!’ riep ik vrolijk. Ik hoorde hoe mijn stem piepte en schrok er even van, maar besefte toen dat dat kwam door mijn verwondingen.
‘Hey, Luipaardpoot!’ riep Zwartpoot. ‘Hoe gaat het…’
Hij brak af. Hij ontdekte mijn verwondingen en keek me verbaasd aan.
‘Wa-wat is er gebeurd?’ stamelde hij.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik ben veel langer bewusteloos geweest dan ik dacht, dus kan ik me het niet goed meer herinneren. Ik weet alleen nog dat ik Brokkelpoot wilde bezoeken, toen werd ik wakker in het medicijnhol.’
‘Ik heet nu geen Brokkelpoot meer.’ snauwde de cyperse kat. ‘Ik ben nu een krijger. Brokkelstaart.’
‘Ik heet vanaf nu Zwartvoet.’ zei Zwartvoet trots.
Ik hoorde de voetstappen van Tijgerklauw terwijl hij naast me kwam staan.
‘Hey, Brokkelstaart! Wat is er?’
Hij onderzocht Brokkelstaart terwijl de kater zijn blik negeerde.
‘Laat me.’ mompelde hij, maar zijn onzekere blik veranderde al snel toen ik een bekende geur rook. Witpoot.
‘Brokkelpoot is een beetje verlegen, nietwaar?’ grinnikte hij.
Brokkelstaarts haren gingen recht overeind staan en hij keek de witte Windclankat woedend aan.
‘Waag het me nog een keer als leerling te noemen!’ snauwde hij. ‘Ik meen het, Witvacht, ik maak je af.’
‘Anders ik wel,’ mompelde Tijgerklauw. Alleen Zwartvoet stond er een beetje nerveus bij. Hij wilde duidelijk geen gevecht beginnen.
‘Wow, wat agressief allemaal!’ riep ik. ‘Gedraag jullie toch eens! Jullie krijgen jullie krijgersnaam en vinden zich ineens o zo stoer! Dat jullie nu krijgers zijn betekent niet dat jullie elkaar zomaar mogen doden!’
‘Luipaardpoot voelt zich ook o zo stoer, nietwaar?’ grinnikte Witvacht.
‘Tuurlijk niet,’ zei ik. ‘Ik ben nog leerling, ik moet nog dingen uitzoeken.’
‘Wat?! Ben jij nog leerling?!’ Dit had hij blijkbaar niet verwacht. Hij wist niks meer te zeggen en trippelde weg. Ik keek naar Brokkelstaart die nog steeds woedend met zijn staart zwiepte.
‘Wat was dat nou, Brokkelstaart?’ vroeg ik. ‘Wat maakt het nou uit hoe hij je noemt? Jij weet toch hoe je heet?’
‘Ach, je weet niet hoe ik me voel.’ fluisterde hij boos en hij liep weg. Ik voelde me ineens heel rot, geen idee waarom, maar ik had het gevoel dat ik iets heel fouts gedaan had.

Gelukkig ontving ook ik al snel mijn krijgersnaam. Blauwvacht werd leider omdat Zonnester gedood was door een loslopende hond, dus mocht ik haar nu met trots Blauwster noemen. Al snel gaf ze me de naam Luipaardhart en kon ik verhuizen naar het krijgershol. Nog steeds waren Tijgerklauw en ik geen vrienden, maar het boeide me niet echt iets meer. Tot ik een droom kreeg. Een vreemde, maar onbekende droom. Ik zag een watervalletje in bergen. Het leek op bergen waar de Maansteen is, maar het was het net niet. Onder het kleine watervalletje was een kleiner meertje. Er waren schreeuwen te horen en uiteindelijk werden beide kanten van het meertje roodgekleurd. Toen herkende ik het. De heuvels waren van ergens achter Windteritorium. Daar moest ik naar toe! En ik was vastbesloten Tijgerklauw, Brokkelstaart en Zwartvoet mee te nemen. Ik weet dat ik niet goede vrienden ben met Tijgerklauw, maar hij is en blijft mijn broer. Daarom vertelde ik hem erover. Voor de Grote Vergadering, gingen we er met z’n vieren naar toe. Zwartvoet wist na mijn beschrijving precies waar het was, dus liepen hij en Tijgerklauw voor. Ik liep achteraan, samen met Brokkelstaart. Ik wist niet wat ik misdaan had, maar ik wilde graag dat het opgelost werd. Brokkelstaart is meer voor mij dan alleen maar een vriend.
‘Yo, Brokkelstaart, hoe gaat het?' vroeg ik zacht.
'Praat niet tegen me.'
'Luister, ik weet niet wat ik misdaan heb, noch hoe ik het goed kan maken, maar wil je me tenminste vertellen wat je dwars zit?'
Brokkelstaart zuchtte.
'Het voelt gewoon niet goed hier naar toe te gaan, snap je? Ik weet niet, maar iets klopt er niet. Weet je zeker dat het de Sterrenclan was die je dit meldde.'
Ik schudde mijn hoofd. 'Zoals ik al zei, heb ik geen idee of deze droom me aangaf dat ik naar die plek moest gaan, noch of de droom überhaupt van de Sterrenclan kwam, wat ik weet is dat ik hier naar toe wil. En dat is het enige wat nu telt. Maar please, wat ik ook deed. Wil je me vergeven?'
Even dacht ik dat ik een vijandige blik als antwoord zou krijgen, maar tot mijn grote geluk wikkelde hij zijn staart om de mijne. Ik voelde me compleet. Even was alles fantastisch. Even kon alles niet beter. Maar ja, als alles niet beter kon, gaat het wel slechter. We hoorde namelijk drie katten achter ons blazen.
'Wat doen jullie hier!?'
Ik herkende de stem van Witvacht die de leider was van de patrouille. Zijn vacht stond overeind en zijn ogen stonden vol met woede.
'Aanvallen!' riep Tijgerklauw en Zwartvoet en hij stortten zich in de strijd. Ik niet. Ik wilde niet vechten, dus rende ik, op zoek naar het water. Ik hoorde pootstappen me achtervolgen en toen ik omkeek zag ik de sneeuwwitte vacht van Witvacht. Hij achtervolgde me. Ik keek weer vooruit en zag iets glinsteren in de verte, ik had het gevonden. Ik stopte om niet in het water te vallen en hoorde ook dat mijn achtervolger zijn tempo veranderde. Voor ik het wist stond ook hij stil. Hij viel niet aan en keek me enkel verbaasd aan. Dit kwam onverwacht, net zoals gewoonlijk bij hem, maar wat we nog minder zagen aankomen, was Brokkelstaart. Hij sprong op Witvacht en al snel zag ik hoe het slachtoffer energie verloor nadat Brokkelstaart hem snel in z'n nek gebeten had. Door de onverwachte aanval, had Witvacht niet de tijd tegen z'n tegenstander te vechten en was hij te snel gestorven. Ik keek geschrokken naar het levenloze lichaam van de Windclankrijger en keek daarna naar Brokkelstaart.
'Hoe kon je dat doen?!' schreeuwde ik. 'Je hoort je tegenstanders niet te vermoorden! Ben je gek geworden?!'
Ik schrok toen ik de mysterieuze blik in z'n ogen zag. Hij grijnsde. Hij keek naar mij en besprong ook mij. Ik verloor mijn zicht en ontwaakte al snel. Maar niet zoals gehoopt. Ik stond vanuit een hoek toe te kijken hoe Brokkelstaart zijn poot op het lijk legde van een cyperse poes. Ze was ernstig gewond, maar ook dood. Het pootje van de vrouwtjeskat lag in het water en aan de andere kant lag een witte kater half in het meer. Aan beide kanten kleurde het meer rood. Ik schrok. Dat waren Witvacht en ik. Brokkelstaart, hij heeft me vermoord.
Ik zag hoe mijn oude vriend zijn hoofd schudde en zijn ogen opende. Zijn eerst moordlustige kijkers waren nu groot van verdriet en schuld. Hij haalde zijn poot van mijn borst en keek in het water. Hij ontdekte dat hij onder het bloed zat van zijn vijanden. Het bloed in het meer verspreidde zich over zijn spiegelbeeld en nu leek Brokkelstaart nog gevaarlijker dan ooit. Plotseling hoorde ik van achter me een stem.
'Hij doodde ons beiden.'
Ik draaide me om en zie Witvacht, alleen dit keer met sterren op z'n vacht. Ook ik had de glinsterende lichtpuntjes, maar besteedde er niet veel aandacht aan. Tijgerklauw en Zwartvoet kwamen aanrennen. Ook zij hadden hun vacht vol bloed, alleen niet van henzelf.
'De Windclankatten zijn gevlucht,' miauwde Zwartvoet trots, maar toen zag hij Witvacht en ik. Onze lijken lagen er levenloos bij.
'Wat is er gebeurd?' fluisterde Tijgerklauw.
'Witvacht doodde Luipaardhart, dus doodde ik hem.'
'Waarom liegt hij?' vroeg ik binnensmonds. 'Waarom vertelt hij de waarheid niet gewoon?'
'Angst,' antwoordde Witvacht. 'Angst voor de waarheid.'
Ik voelde een onbehagelijk gevoel me bekruipen. Om de een of andere reden wist ik dat dit zou gebeuren. Ik wist dat er twee katten zouden zijn die zich zouden voegen bij de Sterrenclan. Plotseling besefte ik me iets. De blik in hun ogen. De agressiviteit van m'n broer en m'n vriend. En Zwartvoet die er in mee werd gesleurd. Er zou iets verschrikkelijks gebeuren met hen, dat wist ik zeker.

Manen later, lag ik op een grasveld terwijl ik toekeek hoe Witvacht achter een muis aan zat. Mijn vacht was zacht en er waren geen vlooien te bekennen. Ondanks de onbeperkte prooi van het territorium, had ik geen zin om te gaan jagen. Er waren veel katten overleden, dus was de Sterrenclan weer gegroeid. Grotendeels van de katten waren vermoord. Door Tijgerklauw en Brokkelstaart. Het eerste slachtoffer van Brokkelstaart, naast Witvacht en ik, was zijn vader, Rafelster, de leider van de Schaduwclan. Door zijn dood, werd Brokkelstaart leider, Brokkelster, en zo kon hij nog meer territoria overnemen. Gelukkig is Brokkelster van zijn troon gestoten, nadat een Donderclankat-die eerst poesiepoes was-hem had weten te overmeesteren. Zijn leidersnaam werd van hem afgenomen nadat hij in een aanval in het Donderclankamp verblind werd door Geeltand-wie eerst medicijnkat van de Schaduwclan was, maar zich later bij de Donderclan voegde omdat hij verbannen was uit haar eigen clan vanwege Brokkelstaart. De Donderclan nam hem hierdoor gevangen en uiteindelijk werd hij weer vermoord door Geeltand, nadat ze hem doodsbessen voerde. Dat was dan ook het moment dat Geeltand hem vertelde dat ze zijn moeder was. Dat mocht eigenlijk niet, omdat medicijnkatten geen jongen mogen krijgen, dus kreeg hij een pleegmoeder. Helaas stierf ook Geeltand, door een brand in het Donderterritorium. Brokkelstaart was niet de enige die gestraft werd om zijn daden. Ook mijn bloedeigen broer had vele katten gedood om leider te worden, maar toen de huidige Vuurster-de kat die ook Brokkelstaart versloeg en die eerst dus bij tweebenen woonde-Blauwster (de voormalige Donderclanleider) redde van Tijgerklauw, werd hij verbannen uit de clan. Later wilde hij alleen nog maar wraak op de Donderclan en werd hij de baas van een groep zwerfkatten. Maar toen Nachtster-de opvolger van Brokkelstaart-stierf, had de Schaduwclan een leider nodig en hij kwam toevallig opdagen. Nog steeds wilde hij zijn oude clan wreken, dus zorgde hij ervoor dat een meute honden de Donderclan aanviel toen ze een spoor van dode konijnen volgden. Ook Vlekstaart, een moederkat, is daarbij om het leven gekomen zodat ze het kattenbloed vast konden ruiken. Toen Snelpoot en Lichtpoot-wie nu Lichthart heet-de bloeddorstige honden gingen zoeken, is de oudste leerling om het leven gekomen en kwam Lichtpoot er met verminkingen vanaf. Gelukkig wisten de katten hoe ze de meute moesten verslaan en is dat dan ook gelukt. Alleen is Blauwster overleden waardoor Vuurhart haar opvolgde en zijn naam en negen levens ontving. Hoewel Tijgerster nog steeds niet geboet had voor zijn daden, gebeurde dat gelukkig snel. Hij dacht namelijk dat hij de baas kon spelen van de Bloedclan, maar Schruk, de leider, nam al snel al zijn negen levens af. Misschien zijn wij alle drie dan wel overleden, Zwartvoet werd de commandant toen Brokkelstaart leider werd en toen Tijgerster de Schaduwclan overnam. Daarom werd hij de leider na mijn broers dood en hij leeft nog steeds.
‘Yo, Luipaardhart! Kom je ook niet even jagen?’
Ik hoorde hoe Witvacht aan kwam trippelen met een muis bungelend in zijn bek. Nadat we allebei om het leven waren gekomen, hadden we vrede gesloten en al snel werden we goede vrienden.
‘Sorry, Witvacht. Ik ben er niet echt voor in mijn hum.’
Ik hoorde nog meer pootstappen achter me en draaide me om toen ik een donkergrijze poes tevoorschijn zag komen. Haar vacht was lang en, zoals gewoonlijk, onverzorgd. Haar kop was breed en plat en haar snuit zat vol met littekens. Ze keek me aan met haar oranje ogen terwijl ze vermoeiend naar me toe liep.
‘Luipaardhart die niet in haar hum is, dat is nieuw.’ zei ze met haar scherpe stem.
‘Geeltand die niet chagrijnig is, dat komt ook niet vaak voor.’ wierp ik haar tegen zonder enige humor te tonen. De grijze vrouwtjeskat kwam naast me zitten terwijl onze vachten elkaar raakten.
‘Maak je maar geen zorgen, morgen ben ik weer gewoon humeurig.’
Toen Geeltand stierf, was me opgedragen om haar te leiden naar het territorium van de Sterrenclan. Ik ging samen met Rafelster naar haar toe om haar mee te brengen. Zij herkende me nog en ze wist wat Brokkelstaart en ik voor elkaar voelden. Nog tijdens de Grote vergadering waar we toen van weggelopen waren, werd heet nieuws over Witvachts dood verteld. Natuurlijk werd er ook over mij verteld, maar niet helemaal de waarheid. Iedereen weet nu dat het Brokkelstaart was wie mijn witte vriend vermoordde, alleen zijn ze wel overtuigd van de leugen over mijn einde. Geeltand vertelde me dat Brokkelstaart een blik in zijn ogen had terwijl de leiders naar mijn lijk toe liepen om een paar katten de opdracht te geven me te begraven. Witvacht en ik zijn begraven bij Vierboom, zodat we daar altijd zouden blijven. Tweebenen hebben die plek nu helemaal kapot gemaakt, dus moesten alle vier de clans de Grote Reis maken om naar een nieuwe plek te gaan. Maar whatever, Geeltand zei dat hij iets van spijt had in zijn ogen, en, liefde. Ze heeft me ook wel eens verteld dat Brokkelstaart en ik voor elkaar gemaakt zijn. Hoewel ik dat graag wil geloven, is het moeilijk.
Ik negeerde Geeltands reactie en stond vermoeiend op.
‘Als jullie het niet erg vinden, wil ik even alleen zijn.’
Met slepende staart en laaghangende kop liep ik weg. Ik sloot mijn ogen om mijn poten de weg te wijzen. Voor ik het wist was ik op onbekend terrein. Mijn ogen schoten open toen ik een bekende geur rook en al snel werd ik besprongen door een gespierde kater. Ik wist mezelf er onderuit te worstelen en keek woedend en met opgezette haren naar mijn aanvaller. Een cyperse, gespierde kat stond voor me met ambergele ogen. Zijn poten zaten onder het bloed en ik herkende hem uit een van mijn dromen van toen ik nog een kit was. Ondanks zijn uiterlijk, herkende ik hem. Zijn geur kende ik uit duizenden.
‘T-Tijgerster?’ stamelde ik. Plotseling besefte ik me dat ik me niet langer in het territorium van de sterrenclan bevond, maar in een donker woud. De bomen leken als tralies over me heen en er waren geen sterren of een maan in de lucht aanwezig. Ik was in het terrein van mijn broer nu.
‘Hallo, zusje.’ zei hij, maar niet op de vriendelijke manier. Hij had een kwaadaardige grijns en hij zat tevreden met zijn staart om zijn poten. Hij liet niks zien van blijheid of opgeluchtheid terwijl hij mij aankeek. Mijn pels had sterren en de zijne niet, maar dat had ik kunnen weten.
Terwijl hij langzaam naar me toe liep, voelde ik me ineenkrimpen, waardoor hij veel groter leek.
‘W-Waar ben ik?’ vroeg ik angstig.
‘In het Duistere Woud, natuurlijk.’ antwoordde Tijgerster grinnikend. ‘Maar jij hoort hier niet thuis, of wel?’
Ik gaf geen antwoord. Het enige wat ik wilde weten, is waarom ik hier beland ben.
‘Waarom heb je me ooit verminkt? Waarom heb je überhaupt ooit onschuldige katten pijn gedaan? Waarom wil je de Donderclan nog steeds wreken? Waarom wil je Vuurster nog steeds wreken? Waarom…’
Ik had nog zoveel vragen die ik wilde stellen, maar werd al snel onderbroken door een onschuldige stem achter me.
‘Wanneer ga je haar nou afmaken?’
Ik draaide me om en zag een donkere, zwart grijs gestreepte kater op een rots zitten. Hij had ambergele ogen en ik herkende hem meteen als Tijgersters leerling.
‘Donkerstreep?!’
‘Ik heb veel over jou gehoord,’ zei Donkerstreep. ‘In de Donderclan alleen maan positieve dingen, maar daar denken wij heel anders over.’
‘Geen wonder dat Braamklauw zo’n watje is als dit zijn tante moet voorstellen!’ hoorde ik iemand anders roepen. Ik keek naar waar het geluid vandaan kwam en zag een kater zitten die exact op Tijgerster leek, alleen met ijsblauwe ogen. Havikwind, een van Tijgersters kits. Braamklauw is zijn andere zoon, en Havikwinds halfbroer. Hij is nu commandant van de Donderclan, maar heeft zijn titel niet gekregen zoals zijn vader die kreeg. Hij heeft zijn loyaliteit bewezen en daarom is hij een goede kat. Net zoals bij Vuurster het geval was, was zijn benoeming als commandant niet correct. Hij had toen namelijk nog geen leerling, maar Vuurster was te laat benoemd. Daarom had de hele Donderclan er vertrouwen in dat hij een goede commandant zou zijn en daar hebben ze volkomen gelijk in. Braamklauw heeft ook een zus, Taanpels. Zij ging na de Schaduwclan nadat ze er klaar mee was beoordeeld te worden zoals haar vader was, dus heeft zij Tijgerster meegemaakt zoals hij werkelijk was. Tijgerster heeft haar een keer aangeboden haar geheime trainingen te geven met haar broer en halfbroer, maar die heeft ze afgewezen. Ook Havikwind heeft een zus: Motvleugel, medicijnkat van de Rivierclan. Het jammere is dat zij niet in de Sterrenclan gelooft, maar gelukkig kunnen we de dingen die ze moet weten, doorgeven aan haar leerling, Wilgpoot. Tijgerster had Havikwind en Braamklauw geheime trainingen gegeven en Braamklauw zou uiteindelijk Vuurster moeten doden toen hij verzwakt was door Havikwind, maar Braamklauw weigerde omdat hij liever loyaal was aan de clan dan zijn leider te moeten doden. Bovendien was Vuurster niet alleen zijn leider, maar ook zijn mentor geweest en heeft hij Braamklauw gered toen hij nog een kit was uit de brand. Nadat Braamklauw gestopt was met de ontmoetingen met Tijgerster, heb ik hem ook een paar keer bezocht. Ik wilde graag weten hoe het met mijn neefje ging. Eerst dacht hij dat ik net zo als mijn broer was, maar toen hij de clan ging navragen naar mij ontdekte ook hij alleen maar positieve dingen.
Met angstige ogen keek ik weer naar mijn broer. Mijn haren stonden overeind, maar ik besefte dat ik niet bang hoefde te zijn, dus ging ik rechtop staan zodat ik niet veel kleiner was dan Tijgerster. Hij heeft me al een keer verminkt, dus zal het me toch niet veel boeien als hij me doodt.
‘Het maakt me niet uit wat je met me wilt doen, want zoals Havikwind al zegt, lijken zowel Taanpels als Braamklauw op mij. Dus zelfs als ik zou sterven om eeuwige rust te krijgen, zal er altijd een stukje van mij blijven voortbestaan. Ook in Taanpels’ kits, Dauwkit, Vlamkit en Tijgerkit. En dat zou maar blijven doorgaan.’
‘Ze heeft gelijk Tijgerster, dat is het nadeel wanneer je mentor Blauwster is.’
Een massieve kater met een piekerige, grijs witte vacht kwam tevoorschijn uit de duisternis. Het was de mentor van Tijgerster, Distelklauw.
‘Geen slecht woord over Blauwster!’ snauwde ik. ‘Ze was een geweldige leider en heeft tenminste geen verkeerde beslissingen gemaakt zoals jullie!’
‘Zij kreeg kits met een Rivierclankat,’ wees Tijgerster me terecht.
‘Dat is anders!’ riep ik. ‘Daar doe je niemand pijn mee! Jullie hebben katten verminkt en vermoord! Dat is fout!’
‘Maar het was ook fout van jou om hier te komen.’ hoorde ik een bekende stem zeggen. Ik bevroor en wist meteen wie het was. Aarzelend draaide ik me om terwijl er nog een kater uit de duisternis kwam. Het was de andere kat van mijn nachtmerries toen ik nog in de kraamkamer sliep, maar ook de kat waar ik mijn leven voor zou geven.
‘Brokkelstaart?’ vroeg ik, haast fluisterend. ‘Ben jij dat echt?’
‘Wie zou ik anders moeten zijn?’ vroeg hij terwijl hij dichterbij kwam.
‘Brokkelstaart, waarom deed je het? Waarom doodde je Witvacht? Waarom doodde je me mij? En waarom loog je erover?’
Ik voelde hoe mijn stem zacht was en ik voelde me nog kwetsbaarder. Brokkelstaart gaf geen antwoord en keek alleen maar van me weg toen we oogcontact maakten.
‘Jij hield je toch ook niet aan een afspraak? Weet je nog? Die ene nacht dat je niet kwam opdagen? En die nachten daarna ook niet? Weet je wel niet hoe kapot ik was?’
‘Maar dat was ik ook! Letterlijk zelfs! Ik ben maanden buiten bewustzijn geweest! Kan je me echt niet vergeven?’
Brokkelstaart gaf geen antwoord en keek alleen weg van mij. Ik voelde hoe verdriet me vastpakte en had een brok in mijn keel.
‘Alsjeblieft.’
‘Nee.’ antwoordde hij met een vast stem. ‘Je had hier nooit moeten komen. En door jouw bezoekjes aan Zwartster, weigert hij te luisteren naar wat ik hem zeg.’
Nadat Zwartster leider geworden was, had ik besloten dat ik hem een paar bezoekjes zou gaan brengen om hem op het goede pad te houden. Dit had geholpen en hij is nu iets minder “agressief”. Hij is net zo agressief als iedere andere schaduwclankat, dus dat is goed nieuws.
‘Je bent niet meer de kat die je vroeger was.’ zuchtte ik, maar toen schrok ik van Donkerstreeps stem.
‘Gadver, hou op met dat gedoe, Luipaardhart!’ Ik hoorde hoe hij op me afsprong, maar wist hem nog snel te ontwijken. Ik rende weg, maar hoorde hoe twee katers me achtervolgden. Ik hoefde niet te kijken om te weten wie het waren en probeerde help te roepen van een kat waar ik een goede band mee had. Braamklauw.
Braamklauw, help!
Nadat ik hem geholpen had, hebben we een verstandhouding opgebouwd. Ik heb meerdere keren naast hem gerend en gevochten, dus hoopte ik dat hij nu sliep zodat hij mij energie kon geven.
Tijgerster en Brokkelstaart zitten achter me aan in het Duistere woud! Ik heb hulp nodig!
Al snel voelde ik een vacht langs de mijne strijken. Even dacht ik dat het Brokkelstaart was die me had ingehaald, tot ik een stem in mijn hoofd hoorde.
Ik help je.
Ik was blij dat ik naast hem rende, maar toch voelde het niet goed. Ik ging alleen maar verder weg van de Sterrenclan en Tijgerster en Brokkelstaart hebben oneindig veel energie om mij te volgen. Me omdraaien en vechten zou geen zin hebben, dus moest ik iets anders bedenken. Plotseling hoorde ik hoe Braamklauw me waarschuwde.
Luipaardhart, kijk uit! Scherptand!
Maar het was al te laat. Een gigantische leeuw zonder manen sloeg met met zijn gigantische klauwen naar de grond en er sijpelde bloed uit mijn hele lichaam. Ik klampte me vast aan de grond. De pijn was onbeschrijfelijk. Ik hijgde en keek in het niets. Ik hoorde hoe Scherptand tevreden wegliep en hoe Tijgerster en Brokkelstaart op me af liepen. Ik verwachtte tevredenheid, maar ik voelde alles behalve dat bij hen. Ik zag niks meer, ik was blind, maar voelde hun verdriet en schuld alleen maar meer. Ik kon zien waar ze aan dachten. Tijgerster was herinneringen van ons aan het ophalen. Brokkelstaart dacht aan hoe we zij aan zij liepen. Staarten om elkaar gewikkeld en neus tegen neus. Dit is niet wat ze wilden. Zij wilden nooit zo zijn zoals ze nu zijn. Ik kon het voelen. Tijgerster trippelde naar me toe en besnuffelde me.
‘Luipaardhart, leef je nog?’ fluisterde hij bezorgd.
Mijn hele lichaam leek als verlamd, maar ik wist nog net het woord uit te brengen die ik wilde zeggen.
‘Ja.’
‘We moeten haar naar de Sterrenclan brengen.’ zei Tijgerster zelfverzekerd tegen Brokkelstaart. ‘Voordat ze sterft. Misschien kunnen zij iets voor ze doen. We kunnen een smoes bedenken ofzo…’
‘Nee.’ viel Brokkelstaart hem in de rede. ‘Ik ben klaar met het liegen. Ik wil niet nog een keer een leugen vertellen over haar dood. We vertellen gewoon de waarheid.’
Brokkelstaart liep naar me toe en wilde me bij mijn nekvel pakken alsof ik een kitten was, maar Tijgerster hield hem tegen.
‘Ik ben haar broer, ik wil haar meenemen.’
Tijgerster pakte me vast en ik voelde zijn, warme vertrouwde adem. Plotseling drong het tot me door dat ze niet meer de katten waren die ik had gekend. Net als mijn dood in de Donderclan veranderd mijn dood in de Sterrenclan hen.
De hele reis naar het kamp was het stil. Geen kat van het Duistere Woud waren we tegengekomen, dus waren we hen geen uitleg verschuldigd. Mijn hele lichaam deed nog steeds pijn, maar ik was blij met mijn broer en vriend. Toen ik het territorium van de Sterrenclan rook, was Brokkelstaart degene die de stilte verbrak.
‘Het spijt me voor alles wat ik heb gedaan,’ murmelde hij. ‘Ik heb jullie nooit pijn willen doen.’
‘Het spijt mij ook.’ probeerde Tijgerster te zeggen, maar het was moeilijker dan gedacht met mijn vacht in zijn mond.
‘Mij ook.’ ademde ik. Ik deed mijn best het zo hard mogelijk te schreeuwen, maar het lukte niet. Brokkelstaart en Tijgerster-met mij nog steeds bungelend in zijn bek-liepen het terrein van de Sterrenclan in en negeerden alle prooi die voor hun poten liepen.
Eén keer mompelde Tijgerster een “muizenstront” toen hij bijna struikelde over een konijn die snel wegrende. Al snel waren we in het kamp. Ik hoorde hoe drie katten op me af trippelden toen Tijgerster me behoedzaam neerlegde en wat bloed van mijn vacht probeerde te likken, maar er kwam alleen maar meer.
Ik rook de geuren van mijn moeder, mijn vader en Geeltand. Mijn ouders keken me bezorgd aan terwijl Geeltand me gespannen besnuffelde.
‘Wat is er gebeurd?!’ hoorde ik Rafelster roepen van een afstandje. Hij zag hoe zijn partner mijn wonden probeerde te likken en zag toen Tijgerster en zijn zoon.
‘Wat doen jullie hier?’ kwam van een andere kant. Blauwster rende de open plek over en keek woedend naar de twee beruchte seriemoordenaars. Brokkelstaart gaf een korte beschrijving terwijl hij zijn blik op mij gericht hield en Tijgerster kromp ineen van alle katten die tevoorschijn kwamen. Toen Vederstaart de naam Scherptand hoorde, bevroor ze, omdat zij door het katachtige dier om het leven was gekomen.
‘Luipaardhart moet naar het medicijnhol,’ verklaarde Geeltand uiteindelijk zonder de twee katers aan te kijken. Alle medicijnkatten liepen op me af en droegen me naar het hol om me daar te behandelen. Tijgerster en Brokkelstaart volgden, terwijl de katten die door hen om het leven waren gekomen woedend naar het sisten. Tijgerster wierp zijdelings nerveuze blikken naar de katten, maar Brokkelstaart negeerde ze compleet en bleef naar mij kijken. De medicijnkatten begonnen me te behandelen, maar zijn teleurgesteld als ze ontdekken dat ik mijn zicht ben verloren. Zelf had ik er geen problemen mee, noch dat mijn broer en vriend erbij waren, maar de andere katten wel.
‘Is het voor jullie geen tijd dat jullie teruggaan naar het Duistere Woud?’ vroeg Langster hen terwijl hij woedend naar hun siste. Langster is meerdere keren door hen aangevallen. Door Brokkelstaart één keer, maar door Tijgerster vaker. Daarom wilde hij graag dat ze vertrokken. Tijgerster zwiepte zenuwachtig met zijn staart terwijl hij me aankeek. Ik was, op mijn verwonden ogen na, helemaal genezen en hij vond het dus duidelijk tijd om naar huis te gaan.
‘Kom mee, Brokkelstaart, ik heb niet het gevoel dat ze ons hier graag hebben.’
Al Brokkelstaarts haren kwamen overeind en hij was duidelijk niet van plan me te verlaten.
‘Nee.’ zei hij kortaf. ‘Ik blijf bij Luipaardhart.’
Ik stond moeizaam op en trippelde op hem af.
‘Je kan hier niet blijven,’ drong ik aan. ‘Jij ben geen Sterrenclankat en ik ben geen lid van het Duistere Woud. We kunnen niet samen zijn, het spijt me.’
Brokkelstaart ging geduldig zitten en ik voelde nog steeds zijn verlangen om bij mij te zijn. Ik draaide me om en wilde met laaghangende staart naar het medicijnhol gaan, tot Brokkelstaart iets miauwde.
‘Ik zal het Duistere Woud verlaten voor jou.’
Mijn oren spitsten om te luisteren naar wat hij van plan was. Ook Tijgerster was geschokt, maar Brokkelstaart was alleen maar kalm.
‘Doe geen domme dingen.’ fluisterde ik.
‘Ik heb veel domme dingen gedaan in mijn leven, vergeleken met dat is dit maar een vlo.’
‘Wat wil je dan doen?’
‘Op zoek naar een leven die het me wel waard is.’ Hij liep naar me toe. ‘Met jou. Alsjeblieft.’
Ik duwde mijn neus tegen de zijne en keek het kamp rond.
‘Ik verlaat de Sterrenclan.’ zei ik. ‘Als jullie dat accepteren tenminste.’
‘Weet je het zeker?’ vroeg Leeuwenhart, de oude Donderclancommandant. ‘Dit is een grote beslissing.’
‘Met alle respect, Leeuwenhart. Maar dit is mijn keuze. Ik kan niet met één poot in beide werelden staan. Maak je maar geen zorgen, ik zal jullie één keer in de twaalf manen bezoeken. Dat beloof ik. Maar ik wil opnieuw beginnen. Dus, vinden jullie dat goed.’
Mijn ouders liepen naar mij toe en legde hun kopjes tegen mijn flank. Ik deed hetzelfde.
‘Is dit wel zo’n goed idee?’ hoorde ik Blauwster vragen. ‘We weten allemaal hoe fout dit weer kan gaan.’
‘Ja,’ antwoordde Geeltand. ‘Ik denk dat het wel goed komt. Ik denk niet dat Brokkelstaart dezelfde fouten maakt met Luipaardhart in de buurt, bovendien ken ik haar al heel lang en ik weet dat haar hart zuiver is. Ik denk niet dat we ons zorgen om hun moeten maken, alleen om de dingen die hen te wachten staan. Als er iets te komen staat, zal ik je komen bezoeken, Luipaardhart. Dat beloof ik.’
We namen afscheid van de Sterrenclan en vertrokken. Tijgerster liep met ons mee tot de grens tussen leven en dood en ook van hem namen we afscheid.
‘Vaarwel, zusje.’ zei hij en hij likte me tussen mijn oren. Ik deed hetzelfde bij hem om voor altijd afscheid te nemen.
‘Klaar?’ vroeg Brokkelstaart.
‘Klaar.’ meldde ik en we renden weg.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen