Foto bij Scar 81

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
'Oh, ik had echt gehoopt dat jij het zou weten,' zegt hij.
'Ja,' zeg ik en ik slik. 'Ik ook.'

Na werk ga ik meteen naar haar appartement. Ondanks dat ik mijn sleutel bij me heb, bel ik deze keer toch aan. Na een tijdje doet ze open, een benauwde blik in haar ogen. Zodra ze mij ziet, lijkt ze niet te ontspannen. Het lijkt haar juist meer verdriet te doen.
‘Mag… mag ik binnenkomen?’ vraag ik voorzichtig.
Ze knikt zachtjes en doet de deur verder open. Doordat ze nu een shirt draagt met nog kortere mouwen, die maar net haar schouders bedekken, kan ik de schrammen en bloeduitstortingen op haar huid nog beter zien. Het was me eerst nog niet opgevallen dat ze allemaal beurse plekken op haar keel heeft. Het duurt heel lang voordat ik het durf te erkennen: iemand heeft haar gewurgd. Iemand heeft zijn handen om haar keel geslagen en heeft niet losgelaten tot haar hals een en al bloeduitstorting was. En Paige heeft daar gelegen, wanhopig proberend om nieuwe lucht binnen te krijgen, niet wetend of het ooit op zal houden.
‘Heb je iets gegeten sinds je terug bent?’ vraag ik voorzichtig. Het is me niet ontgaan dat ze beangstigend veel dunner is geworden sinds vorige week.
Aan haar blik zie ik dat ze een scherpe opmerking wil maken, maar ze bedenkt zich, ook al antwoordt ze niet.
‘Vertel me gewoon alsjeblieft wat er met je is gebeurd,’ smeek ik. ‘Alsjeblieft. Vertrouw me.’
‘Waag het niet die kaart te spelen. Je weet dat ik je vertrouw!’ snauwt ze me toe, tranen van woede en wroeging in haar ogen.
‘Als je me vertrouwt, waarom vertel je het me dan niet?!’ kaats ik terug.
‘Omdat je míj blijkbaar niet genoeg vertrouwt!’ schreeuwt ze, waardoor ik opeens stilval. Het is geen wantrouwen, wat ervoor gezorgd heeft dat ik het zo graag wil weten, maar bezorgdheid. Ze is weggegaan zonder te vertellen waarheen. Toen ze terugkwam, had iemand haar duidelijk in elkaar geslagen en lag haar appartement aan gort. Ik maak me doodongerust. Ergens loopt er een of andere klootzak rond, of misschien wel meerdere, die haar pijn heeft gedaan en ermee weg is gekomen.
‘Ik…’ stamel ik en ik haal een hand door mijn haar. ‘Ik wil geen ruzie maken.’
Ze slaat met haar vuist op haar borstbeen. ‘Nou, ík wel. Kom maar op! Ruzie maken kan ik tenminste!’ Het komt er eerder uit als een soort snik dan als een schreeuw. Haar stem is hard, maar haar blik laat zien dat ze zo stevig staat als een kaartenhuis.
‘Paige… ik was gewoon zo bang dat je iets overkomen was. En nu bleek ik gelijk te hebben en…’ Ik maak mijn zin niet af en kijk haar alleen maar moedeloos aan.
Ze geeft een klap tegen de muur. ‘En ik dan?! Heb je daar niet aan gedacht?! Denk je dat ík niet bang was?! Want dat was ik wel!’ schreeuwt ze met ogen die op het punt staan over te lopen.
Ik zwijg abrupt. Het duurt even voordat ik mezelf weer genoeg onder controle heb om te kunnen reageren. Ik zet een stapje naar haar toe en steek mijn bevende hand uit om haar aan te raken, te troosten, wat dan ook, maar ze zet een stap naar achteren en schudt haar hoofd. Ze stikt haast in een gedempte snik en veegt haar tranen weg.
‘Paige... Wat hebben ze gedaan? Wíé heeft dit gedaan?’ vraag ik ademloos.
Haar woede lijkt om te slaan in iets wat misschien wel erger is, een soort gebroken angst en verdriet die haar op haar knieën wil krijgen. Ze schudt weer haar hoofd. Het ziet er zwak uit.
Ze stapt naar me toe en grijpt mijn pols vast. Door de pijn en vermoeidheid heen lijkt er toch een soort wanhopige kracht door te breken.
‘Luistert naar me,’ sist ze met een haast maniakale blik in haar ogen. Ze haalt even diep adem en verslapt haar grip, duwt de woede terug naar een plek waar ze hem nooit terug hoopt te vinden. Haar stem kraakt wanneer ze herhaalt, zo zacht dat het bijna een fluistering is: ‘Luister naar me.’
‘Ja?! Ik luister?!’ Het komt er vinniger uit dan bedoeld en ze laat me los, bijna gekwetst. Ik wil mijn woorden terugnemen, maar ik weet dat het voor haar niet werkt, dus ik doe de moeite niet.
Ze lijkt te stikken in haar eigen strijd.
‘Ik wil... Ik mág jou hier niet bij betrekken.’ Door de tranen heen kijkt ze me indringend aan. ‘Ik kan niet... Als ze jou iets aan zouden doen...' Haar knieën knikken alsof ze elk moment door haar benen kan zakken en ik zet me meteen schrap om haar op te kunnen vangen, gewoon voor het geval dat. 'Als het mijn schuld zou zijn als jij... Ik weet niet of je het mag weten van... van hén.'
Ze spuugt het woord vol afgrijzen uit, alsof het bitter smaakt in haar mond.
'Hen? Wie is hen?' vraag ik koortsachtig.
Ze werpt me hoofdschuddend een schuine blik toe, haar ogen vol tranen. Ze gaat voor de muur staan en zet haar beide handen ertegenaan voor steun. Haar ademhaling komt bevend over haar lippen.
'Paige...' zeg ik zachtjes, geschrokken door haar gebrokenheid.
Ze kijkt gefixeerd naar de muur. Ik vraag me af of ze überhaupt iets ziet, of dat ze al te ver heen is.
'Je zou zo ontzettend ver bij me uit te buurt moeten blijven,' weet ze uit te brengen. Ze sluit haar ogen en schudt haar hoofd alsof ze haar gedachten zo op een rijtje probeert te schudden. 'Zo ver als je kan.'
Ik raak voorzichtig haar middel aan; een tevergeefse poging tot troost. Ze schrikt op en draait zich met een ruk naar me om. Ze kijkt zonder aanleiding over haar schouder, doodsbang, volledig in paniek. Ze ziet eruit als een gekooid dier.
Ik til voorzichtig mijn hand op om die op haar wang te leggen. Eerst maakt ze aanstalten haar hoofd weg te trekken, maar dan laat ze het toe, lijkt ze zelfs bijna te ontspannen. Haar gespannen schouders zakken iets.
‘Paige… wat… wat is er gebeurd?’ probeer ik een laatste keer.
En dan geeft ze eindelijk toe.
‘Een familiereünie,’ antwoordt ze in een snik. Ze klinkt woedend en gebroken tegelijk. Ze zet een stap achteruit, weg van mij, en spreidt haar armen, zodat haar verwondingen nog duidelijker te zien zijn. ‘Zie je nu hoeveel mijn familie van me houdt?!’
Ze barst in tranen uit en ik maak aanstalten haar te omhelzen, maar ze schudt haar hoofd en zegt dat ik uit de buurt moet blijven. Huilend zakt ze ineen, haar rug tegen de muur. Ze verbergt haar gezicht achter haar handen en begint nog harder te huilen.
Ondanks dat ze me gebood uit haar buurt te blijven, ga ik bij haar zitten en neem ik haar in mijn armen, wat ze toch maar laat gebeuren. Snikkend drukt ze haar gezicht tegen mijn schouder en ik verstevig mijn grip.
‘Ik… ik begrijp het niet,’ stotter ik.
Ze maakt zich los uit mijn omhelzing, ook al ben ik er helemaal nog niet klaar voor om haar los te laten. Ze slaat haar armen om zichzelf heen, alsof dat de enige manier is om zich bij elkaar te houden. ‘Toen ik mijn vader belde… En ik zei dat het zijn schuld was dat Kaiden dood was... Hij… Mijn toon stond hem niet aan, blijkbaar. Vorige week stond hij opeens voor mijn deur, samen met Vadìm, Grigory en Dennis. Hij… Hij vond blijkbaar dat me iets van discipline bijgebracht moest worden. Daar hadden ze een bijna week voor nodig, blijkbaar.’
Ze begint weer te huilen en ik neem haar weer in mijn armen.
Mijn adem stokt in mijn keel. Haar vader en broers hebben haar dit aangedaan. Ze hebben haar gevangen gehouden. In elkaar geslagen. Uitgehongerd.
‘En ze… hebben je ontvóérd?!’ vraag ik na een tijdje. Ze maakt zich weer van me los.
Ze schudt haar hoofd en kijkt naar haar handen. ‘Technisch gezien ben ik vrijwillig meegegaan, want…’ Ze slikt moeizaam en kijkt naar me op, haar ogen vol tranen. ‘Want hij zei dat ze jou iets aan zouden doen als ik niet mee zou komen.’
Ik neem haar gezicht in mijn handen en hoop dat het haar niet opvalt hoe erg ze beven. Radeloos kijk ik haar aan, mijn blik iets wazig. ‘Paige… Paige, dat… Ik kan wel voor mezelf zorgen.’
Ze bijt even op haar lip. ‘Ik kon hen je geen pijn laten doen. Ik zou mezelf haten. Ik... Ik zou liever duizend weken lang in elkaar geslagen worden door mijn bloedeigen familie dan dat ik mijn pijn met de jouwe af zou kopen.’
Even ben ik sprakeloos. Dan weet ik uit te brengen: ‘Ik hou van je.’
Haar mond valt open en ze knippert een paar keer met haar ogen, waardoor ik er snel aan toevoeg: ‘Je… Je hoeft het niet terug te zeggen. Je moet je niet verplicht voelen om-‘
‘Nathan, ik hou ook van jou.’ En ondanks dat haar lip kapot en iets gezwollen is door een klap die ze voor mij heeft opgevangen, drukt ze haar lippen op de mijne.
Even geef ik toe aan het verlangen en ga ik mee in de kus, maar dan buig ik me naar achteren en verbreek ik het contact. Ze heeft al genoeg geleden vanwege mij. ‘Doet dat geen pijn?’
Ze legt haar handen in mijn nek en ik voel haar adem over mijn lippen strijken. ‘Als ik het niet doe, doet dat nog veel meer pijn.’
Opnieuw kust ze mee, nog harder dan eerst. Ze laat haar handen door mijn haar glijden en daarna over mijn nek en schouders, wanhopig om te ontsnappen aan de herinneringen. Tussen onze haastige kussen door, prevel ik keer op keer dat ik van haar hou. Wanneer ik voel dat er weer tranen over haar wangen stromen, kus ik die één voor één weg.
Na een tijdje zitten we gewoon maar op de vloer, in het donker, luisterend naar elkaars onregelmatige ademhaling, haar voorhoofd tegen mijn schouder geleund.
‘Wat hebben ze precies met je gedaan?’ vraag ik na een geladen stilte.
‘Wil je dat echt weten?’
Ik slik. ‘Ja.’
Ze zucht trillerig en gaat rechtop zitten. Ze kijkt me niet aan, waar ik eigenlijk blij mee ben, want ik denk dat ik zal breken als ik haar blik nu zou kunnen zien.
‘Vadìm zei dat jij naar me op zoek zou gaan, dus ik moest jou bellen om te zeggen dat je dat niet moest doen. Daarna brachten ze me naar een of andere loods, of zo. Het grootste deel van de tijd lieten ze me met rust. Ik kreeg geen eten en ik kreeg net genoeg water om nog een beetje te kunnen functioneren. Soms, wanneer ik toch in slaap viel, gooiden ze een emmer koud water over me heen. Het ergste was eigenlijk dat ik mijn vader onder ogen moest komen, na al die jaren. En hij... ik... daarvoor had hij me nog nooit zelf geslagen. Af en toe moest ik tegen mijn broers vechten, maar echt een kans maakte ik niet. Het was nooit eerlijk. Het is nooit eerlijk geweest. En na een dag of drie, toen ik het tegen Vadìm op moest nemen... zakte gewoon door mijn knieën. Zonder aanleiding. Ik viel gewoon om en ik had de kracht niet meer om overeind te komen. En Vadìm... ging gewoon door. En... en niemand stopte hem.’ Bij dat laatste begint ze weer te snikken en haar rechterhand glijdt naar haar middel, waar ze over de onderkant van haar ribbenkast wrijft, alsof er een wond zit.
Ze ziet mijn blik en wanneer ze zich weer wat onder controle heeft, zegt ze schor: ‘Ik denk dat ik misschien een rib heb gekneusd. Of gebroken.’
Ik slik pijnlijk de brok in mijn keel weg en vraag: ‘Wil je dat ik er even naar kijk?’
Dit alles is haar overkomen omdat ik als chantagemiddel werd gebruikt. Het minste wat ik kan doen, is kijken hoe erg de schade is die ze heeft opgelopen.
‘Is goed,’ mompelt ze en ik klik het licht op de gang aan om het beter te kunnen zien. Ze doet haar shirt tot halverwege haar ribben omhoog.
Opnieuw zie ik hoeveel ze is afgevallen, zelfs in zo’n korte tijd. Ze heeft een schaafwond net boven haar heup, waar haar broeksband steeds tegenaan schuurt. Er loopt een kras over het midden van haar buik omhoog, verdwijnend onder haar shirt. Maar dat is niet hetgeen wat me het meest misselijk maakt. Dat is de verschrikkelijke blauwe plek, onderaan haar ribbenkast aan haar linkerzij. Ik denk niet dat ik ooit zo’n donkere bloeduitstorting heb gezien. En al helemaal niet een die zó groot is. Ik kan me niet voorstellen dat ademen makkelijk gaat.
‘Ik kan goed vechten,’ zegt ze - en dat is misschien wel de eerste keer dat ik haar iets positiefs over zichzelf heb horen zeggen, ook al vertelt de trieste toon in haar stem me dat ze er niet trots op is, ‘maar Vadìm is beter.’
‘Kun je me laten zien waar het het meeste pijn doet?’ vraag ik snel, nog voor ik de tijd heb om verschrikkelijk beelden in mijn hoofd te vormen. Ze knikt en pakt mijn hand vast om die ernaartoe te leiden. Even kan ik alleen maar naar haar pols staren, waar zo’n duidelijke blauwe plek op zit dat het haast een armband lijkt. Dan kan ik me er met moeite toe zetten om zacht druk te geven op de plek die ze aangegeven heeft, om te kijken hoe heftig ze reageert op de prikkel. Ze krimpt ineen en ik zie dat ze haar tanden op elkaar bijt om geen geluid te maken.
‘Jezus... Paige, dit is mínstens gekneusd,’ stoot ik uit. ‘Je moet hier echt mee naar de dokter.’
‘Zal ik morgen doen,’ mompelt ze.
‘Maar dit kan zo toch niet?! Neem nu dan tenminste een pijnstiller of zo.’
Ze schudt haar hoofd. ‘Kan niet. Ik heb nog niet gegeten sinds ik terugben en ik kan beter geen medicijnen slikken op een lege maag.’
Met open mond kijk ik haar aan. ‘Je hebt niet gegeten?! Ze hebben je een week lang geen eten gegeven! Paige, je moet echt iets eten!’
Ze krimpt ineen bij mijn stemverheffing en ik wil snel mijn excuses aanbieden, wel duizend keer, maar ze wuift mijn verontschuldigingen al weg voordat ze mijn lippen verlaten hebben.
‘Ik heb wel geprobeerd te eten, maar ik at te snel en te veel in een keer en ik moest overgeven. Bovendien heb ik een paar klappen in mijn maag gekregen en ik... ik ben echt heel misselijk.’
Dat kan ik me voorstellen. ‘Zullen we het anders weer proberen? We doen het net zo langzaam als nodig is.’
Ik zie haar met tegenzin knikken en ik help haar overeind. Ik ben heel erg geneigd om haar te dragen, of in ieder geval een hand op haar rug te houden voor het geval ze misschien flauwvalt, maar ik weet dat ze niet betutteld wil worden. En dan zie ik Vadìm weer voor me, beangstigend lang en gespierd. Ze zegt dan wel dat ze door hem in elkaar geslagen is, maar als ze totaal had verloren, was ze er waarschijnlijk nog erger aantoe geweest. Iemand die zich zo succesvol tegen iemand als hem heeft kunnen verweren, heeft mijn hulp heus niet nodig om naar de bank te lopen. Ze is veerkrachtiger dan ze eruitziet. En sterker dan ze denkt. De enige manier waarop ze daar zelf ook in zal vertrouwen, is als ik evenveel in haar zal geloven als ze verdient.
Ze laat zich met een vetrokken gezicht op de bank zakken. Het zou me niet verbazen als elke beweging pijn doet.
‘Denk je dat je yoghurt binnen kan houden?’ vraag ik, aangezien dat volgens mij het lichtste is wat ze in huis heeft.
Ze zucht. ‘Ja, prima.’
Terwijl ik haar karige maaltijd klaarmaak, hoor ik haar op de achtergrond hoesten - een nare, diepe hoest. Wanneer ik klaar ben, ga ik naast haar zitten. Ze pakt het bakje uit mijn handen.
‘Je gaat me dus echt níét voeren. Zo diep zal ik niet zakken. Ik heb nog wel iets van trots,’ zweert ze plechtig.
Ik wrijf zachtjes over haar rug. ‘Zolang je maar weet dat je je trots niet hóéft te beschermen wanneer je bij mij bent.’
Ze maakt een afwezig geluidje en neemt een eerste hap, waarna ze haar ogen dichtknijpt en huivert. Ze kokhalst bijna, maar houdt het binnen.
Terwijl ze met lange pauzes tussen de happen door de yoghurt naar binnen werkt, zich af en toe onnodig verontschuldigend voor hoe lang het duurt, blijf ik gewoon geduldig over haar rug wrijven, in de hoop haar íéts van steun te kunnen bieden. Ik zeg niks, want ik voel veel te veel tegelijkertijd om zeker te weten dat ik mijn stem onder controle kan houden. Wanneer ze klaar is, haal ik een pijnstiller uit het medicijnkastje, die ze huiverend maar zonder te klagen doorslikt.
‘Wil je naar bed?’ vraag ik dan en ze knikt.
Net wanneer ik op wil staan, legt ze een hand op de mijne om me tegen te houden en zegt ze: ‘Sorry, wacht even. Ik ben even heel duizelig.’
Ik wil zeggen dat dat oké is en we wel eventjes wachten, maar - ondanks mijn eerdere voornemens - ben ik te bang dat ze zichzelf zal dwingen over haar eigen grens heen te gaan, vraag ik toch: ‘Zal ik je anders even dragen?’
Ze aarzelt - heel lang - en knikt dan, wat ik eigenlijk niet had verwacht. Heel voorzichtig, alsof ze van glas is, til ik haar van de bank. Ze heeft de energie niet meer om haar hoofd op te tillen en laat die maar gewoon tegen mijn borstkas rusten.
Ze smoort een zenuwachtig gegiechel en zegt: ‘Dit is echt heel beschamend.’
‘Welnee. Zoals ik al zei: je hoeft je trots niet te beschermen wanneer je bij mij bent.’
Ik maak onhandig met mijn elleboog de slaapkamerdeur open en leg haar voorzichtig neer op het bed, zo zacht als ik kan.
‘Nathan?’ vraagt ze terwijl ze zich op haar ellebogen wat overeind werkt. Ik maak een instemmend geluidje ten teken dat ze mijn aandacht heeft. ‘Wil je... Zou je alsjeblieft willen blijven?’
Ik knik. ‘Natuurlijk.’
Nadat ik me in de badkamer omgekleed heb, kruip ik naast haar onder de dekens. Ze komt tegen me aan liggen, onze neuzen naar elkaar toe, en duwt haar betraande gezicht tegen mijn schouder. Ik laat voorzichtig een arm om haar heen glijden, bang om haar pijn te doen.
'Je moet het zeggen als ik iets verkeerds doe, oké?'
Ze knikt en ik voel haar slikken.
'Nathan, ze...' Ze slikt weer en ik voel haar hand mijn shirt vastpakken. Haar vingers verfrommelen de stof krampachtig. Schor zegt ze: 'Ze lieten me naar je voicemails luisteren. En ik...' Haar stem breekt. 'Meestal was het Vadìm die ze me liet horen en hij... hij had zo'n grijns op zijn gezicht en ik heb keer op keer gesmeekt of ik je nog bellen, één keer, nog één keer. Ik wist zo zeker dat ze me gingen vermoorden en ik... Je... Ik wilde nog niet bij je weg. Ik wíl niet weg.'
Ik voel nieuwe tranen door mijn shirt lekken en ik verstevig mijn grijp een heel klein beetje, maar niet zo erg dat ik haar al te veel pijn zal doen. Ze snikt keer op keer verontschuldigingen, omdat ze niet wil huilen waar ik bij ben, omdat ik er zo slecht aan toe was toen ze weg was en ze dat via de voicemails goed kon volgen, omdat haar familie uit een stelletje klootzakken bestaat die haar in elkaar slaan omdat ze rouwt om de broer die door niemand gered is, omdat ze zich altijd de schuld geeft van dingen die buiten haar macht liggen.
Het duurt een tijdje voordat ze gekalmeerd is en zelfs dan laat ik haar nog niet los. Ik kan het niet. Ik voel dat ze nog niet slaapt, want daar is ze te kalm voor.
‘Hoe voel je je nu?’ vraag ik uiteindelijk.
‘Hoofdpijn, vooral. En mijn ribben. En gewoon de gebruikelijke mijn-familie-heeft-me-een-week-lang-uitgehongerd-en-in-elkaar-geslagen-pijntjes. Ik overleef het wel,’ antwoordt ze en ik weet dat ze het zo luchtig mogelijk wil laten klinken. Toch voel ik mijn maag samenknijpen als ik het hoor.
‘Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik denk dat we beter naar het ziekenhuis kunnen gaan,’ opper ik voorzichtig.
Ze schudt haar hoofd, maar de manier waarop ze haar handen tegen haar buik houdt en de verwrongen pijn in haar blik doorschemert, zorgt ervoor dat ze niet heel erg overtuigend overkomt.
‘Ik overleef dat ene nachtje wel. Er is geen reden voor blinde paniek. Morgen ga ik wel naar de dokter.’
‘Of… het ziekenhuis?’
Ze zucht. ‘Als de dokter me doorverwijst naar het ziekenhuis, zal ik het overwegen.’
‘Als de dokter je doorverwijst naar het ziekenhuis, gaan we echt zo snel als het kan naar het ziekenhuis, bedoel je,’ verbeter ik haar en ze zucht, maar ik geef haar niet de kans om tegen me in te gaan. ‘Ik wil er gewoon zeker van zijn dat het allemaal goed met je gaat. Ik heb je niet kunnen beschermen toen je vader op de stoep stond, maar laat me dan nu in ieder geval voor je zorgen. Ik hou van je, Paige. En ik vind het verschrikkelijk dat je pijn hebt.’
‘Als je er iets romantisch van maakt, kan ik er moeilijk tegenin gaan,’ klaagt ze.
Ik glimlach zwakjes en geef een kus op haar voorhoofd. ‘Daarom zei ik het ook.’
‘Prima.’ Ze zucht. ‘Je hebt gewonnen.’
Wanneer ze zich dichter tegen me aan nestelt, sla ik weer aarzelend mijn armen om haar heen, bang om haar pijn te doen. Maar, besef ik, ze heeft waarschijnlijk toch al voortdurend pijn. Ik kan daar helemaal niks aan veranderen, hoe graag ik het ook zou willen. Het enige wat ik kan doen, is er voor haar zijn.
Ik druk een kus tegen haar slaap en strijk een lok haar uit haar gezicht, waardoor ze lichtjes glimlacht.
‘Ik hou van je,’ zeg ik zachtjes. 'Zo, zo veel.'
'Ik ook van jou,' antwoordt ze. En de blauwe plekken op haar lijf bewijzen dat wel.

Reacties (2)

  • BethGoes

    Ik zie de wonden van Paige echt super helder voor me... goed beschreven!

    En YESS ze hebben eindelijk "ik hou van je" tegen elkaar gezegd!

    1 jaar geleden
  • Sunnyrainbow

    Awh Paige..:(

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen