Foto bij Scar 82

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Ik hou van je,’ zeg ik zachtjes. 'Zo, zo veel.'
'Ik ook van jou,' antwoordt ze. En de blauwe plekken op haar lijf bewijzen dat wel.

Midden in de nacht gaat Paige opeens overeind zitten, met verbouwereerde bewegingen en een houding die pure verwarring uitstraalt. Haar hand zoekt naar de afgezakte dekens, om die verder over zich heen te trekken.
Ik ga ook zitten en knip het nachtlampje aan. Voorzichtig leg ik een hand op haar schouder. Ze kijkt opzij, met onrustige, verwarde blik. Ze fronst en heeft tranen in haar ogen, maar ze huilt niet.
‘Paige?’ vraag ik. 'Paige, gaat het?'
‘Nee. Nee, ik weet niet of ze komen. Ik wil ze niet zien. Nathan, ik wil niet...’ begint ze te stamelen, niet in staat de losse eindjes van haar warrige verhaal aan elkaar te knopen.
‘Hé. Hé, het is oké. Je bent veilig,’ sus ik, maar ze schudt met glazige blik haar hoofd.
‘Nee. Ik wil niet dat ze komen. Ik weet niet waar ze zijn. Nathan... Nathan, straks doen ze je...’ sputtert ze.
‘Hé, liefje, het is oké. Rustig ademhalen. Wat is er aan de hand?’
Ze kijkt me aan, haar ogen groot van angst.
‘Ze mogen me niet pakken,’ stoot ze uit.
Concluderend dat ze niet tot rede vatbaar is, trek ik haar dicht tegen me aan en strijk over haar haren. Ze beeft in mijn armen. Ze voelt klam aan. Koortsachtig. Ze huilt niet. Er is alleen een soort gesnik en geschokschouder, zonder tranen. Ze duwt haar gezicht tegen mijn schouder en ik voel haar houterige ademhaling. Haar armen houden me bijna even krampachtig strak tegen zich aan als de mijne bij haar.
‘Ik houd ze wel weg. Ik zal niemand je iets aan laten doen,’ beloof ik haar en ik druk een kus tegen haar slaap.
‘Nee,’ jammert ze. ‘Ze stampen de bloemen kapot. Nee, nee, nee. Alsjeblieft.’
Ik trek me fronsend iets terug en leg de rug van mijn hand tegen haar voorhoofd en daarna tegen haar wang.
‘Jezus... Je hebt echt koorts. Paige, je gloeit helemaal.’
Ze begint te hoesten. Een pijnlijke, diepe hoest, die van ver in haar longen komt. Het lijkt bijna alsof haar lichaam zal breken door al het geweld.
‘Nee. De kraaien komen. De zomer is voorbij. Ze komen weer. Nee. Nee, nee, nee,’ ijlt ze, waarna ze weer in hoesten uitbarst. Ze grijpt naar haar ribben, de daar waarschijnlijk pijn door gaat doen. Ik wrijf aarzelend over haar rug in de tevergeefse hoop haar te kunnen helpen.
‘Ik pak even wat te drinken en een pilletje voor je, oké?’ zeg ik en terwijl ze jammerend haar hoofd schudt, probeer ik overeind te komen.
Ze kijkt me met een lijkbleek gezicht aan. ‘Nee. Nee, ga niet weg.’
Ik strijk een klamme lok haar achter haar oor en druk een kus tegen haar gloeiende voorhoofd.
‘Ik ben maar heel even weg. Het komt allemaal goed. Maak je maar geen zorgen,’ probeer ik haar gerust te stellen, maar ze is echt heel ver heen.
Ze grijpt mijn shirt vast. Haar trillende vingers klauwen in de stof en ondanks haar zwakke grip moet ik vrij veel moeite doen om op een zachtaardige manier los te komen.
‘Nee.’ Ze pakt mijn hand vast en de tranen parelen in haar ogen wanneer ze me aankijkt. ‘Nee, het is gevaarlijk in het donker. Oh God... Nathan... laat me niet alleen.’
‘Ik ben maar heel even weg, liefje,’ zeg ik opnieuw en ik doe het grote licht aan.
Ze blijft me met angstige, verwilderde ogen aanstaren terwijl ik de badkamer in loop. Vrij snel ben ik weer terug, met een pilletje tegen de koorts, een glas water en een thermometer.
‘Slik dit even, oké?’ draag ik haar met zo zacht mogelijke stem op en ik geef haar de pil en het water. Ze stopt de pil in haar mond, maar haar hand trilt zo erg dat ik haar vervolgens moet helpen met het drinken van het water. Terwijl ze bleek van ellende op de rand van het bed zit, voel ik opnieuw met een frons tussen mijn wenkbrauwen aan haar voorhoofd, waar de warmte vanaf straalt. Ik pak de thermometer en houd die voor haar lippen. Het duurt even voordat ze snapt wat ik wil en dan neemt ze hem in haar mond.
Na een tijdje klinkt er het piepje dat aangeeft dat de meting klaar is en zorgvuldig lees ik de display af. Ik kan niet voorkomen dat ik verbaasd wat adem naar binnen zuig.
‘40,8 graden,’ zeg ik hardop. Even ben ik stil, maar dan hak ik de knoop door. ‘We gaan naar de eerste hulp.’
‘Dat is nou ook weer niet nodig,’ zegt ze kleintjes. Blijkbaar is ze nog altijd wel helder genoeg om niet om haar eigen gezondheid te geven, zoals altijd.
‘Kan me niet schelen. Je bent een week lang haast gemarteld, hebt veel te hoge koorts en die hoest klinkt niet goed,’ som ik op.
‘Maar we moeten eerst de hond nog uitlaten,’ zegt ze, wat me vertelt dat ze weer aan het ijlen is.
‘We hebben geen hond, lieverd.’
‘Ik wil een hond.’
‘Daar hebben we het later nog wel over.’
Ik sta op en loop naar de kast om een extra vest voor haar te pakken, aangezien ze nu al zit te rillen en klappertanden. Terwijl ze wat dingen mompelt die ik niet versta - waarschijnlijk een zwak protest - trek ik haar een paar dikke sokken aan en help haar daarna om eerst het vest en daarna haar jas aan te trekken. Haar schoenen was ik bijna vergeten.
Terwijl ik met haar naar de lift en vervolgens naar de auto loop, houd ik stevig een arm om haar eigen middel geslagen, doodsbang dat ze valt of door haar knieën zakt. Tegen de tijd dat we bij de auto aangekomen zijn, rollen er stille tranen van ellende over haar wangen. Ze veegt ze stuk voor stuk verwoed weg.
Aangezien ze nog steeds beeft als een rietje, geef ik haar ook mijn jas. En wanneer ze in de auto zit, maak ik haar gordel voor haar vast. Het feit dat ze me niet tegenspreekt, vertelt me al dat ze zich echt heel slecht voelt.
Ik rijd misschien iets te snel, maar niet heel veel. Net wanneer ik wil vragen hoe ze zich precies voelt, begint ze weer te hoesten, gevolgd door een doodenge stokkende adem die ervoor zorgt dat mijn hart een slag overslaat.
‘Ik had meteen al met je naar het ziekenhuis moeten gaan. Echt, zodra ik je appartement binnen was gekomen, had ik je al in de auto op weg maar de eerste hulp moeten sleuren. Je hebt misschien wel een rib gebroken. En je bent een week lang uitgehongerd. Geen wonder dat je ziek bent geworden. Ik had meteen moeten handelen.’
‘Het is waarschijnlijk niet echt heel ernstig,’ mompelt ze en haar zwakke stem bewijst meteen het tegendeel. ‘Ik voel me gewoon niet zo lekker.’
En ze begint weer te hoesten. Ik zeg niets. Ik begin gewoon iets harder te rijen. Na een tijdje vind mijn hand aarzelend haar knie en ik geef er een zacht kneepje in.
‘Ben je misselijk?’
‘Valt wel mee,’ antwoordt ze. De normale Paige zou met haar ogen rollen en zeggen dat ik niet zo bezorgd moet doen. Deze Paige is te verzwakt om die strijd aan te gaan.
‘Keelpijn?’
‘Ja,’ antwoordt ze zachtjes.
Ik herinner me die verschrikkelijke, rochelende hoest en vraag: ‘En je longen?’
‘Die doen pijn. Bij ademhalen.’
Dat klinkt niet goed.
‘Hoofdpijn?’
‘Soort van.’ Ze aarzelt even. ‘Mijn hoofd voelt zo zwaar.’
‘Hoe lang is dit al zo?’
Ze haalt haar schouders op. Het duurt even voordat ze antwoordt.
‘Een paar dagen. Drie. Toen ik net thuis was, was het iets minder. Het zal vast niet al te ernstig zijn.’
Ik kijk opzij naar haar ellendige, gepijnigde gezicht. Haar lippen zijn iets van elkaar geweken en doordat ze zo bleek is, zijn haar blauwe plekken en schrammen nog beter zichtbaar. Ze heeft traansporen op haar wangen.
‘Oh, liefje toch,’ zeg ik gekweld en ik pak voorzichtig haar hand vast. Ze maakt geen opmerking over mijn medeleven, ondanks dat ze er een hekel aan heeft.
Wanneer we bij het ziekenhuis aangekomen zijn, parkeer ik de auto op een plek waarvan ik niet helemaal zeker weet of het de bedoeling is, maar ik heb geen zin om het helemaal uit te zoeken. Ik maak eerst mijn en daarna Paiges riem los en stap dan uit. Ik doe de deur voor haar open en help haar overeind. Omdat ze er nog steeds uitziet alsof ze elk moment van haar stokje kan gaan, glijdt mijn arm opnieuw om haar middel en houd ik haar dicht tegen me aan.
Aangekomen bij de eerste hulp, is het nagenoeg leeg. De receptioniste ziet ons aankomen en wanneer ze Paige ziet, net wanneer ze weer begint te hoesten, vertrekt haar gezicht en zegt ze op medelevende toon: ‘Och, meisje toch.’
Ik loop met Paige naar een wachtbankje en strijk nadat ik haar erop heb laten zakken zachtjes een lok haar weg uit haar gezicht. Een vluchtige blik op de klok vertelt me dat het half vier ‘s nachts is. Ik loop naar de balie en geef heel kort aan wat er aan de hand is - het hoesten, de uithongering, dat ze in elkaar geslagen is, maar ik geef geen details.
Ze is niet heel goed in staat haar bezorgdheid en schrik te verbergen wanneer ze vraagt of ze de politie op moet roepen zodat Paige aangifte kan doen.
‘Dat hoeft niet,’ zeg ik. ‘We zijn allebei zelf van de politie.’
Ik weet heel zeker dat Paige niet van plan is aangifte te doen.
Ze knikt en geeft me een formulier mee waar Paige haar gegevens in moet vullen. Ik bedank de vrouw en ga naast Paige op het bankje zitten. Een deel van de gegevens kan ik zelf invullen - geslacht, adres, telefoonnummer, e-mailadres, zulke dingen - maar met een paar dingen heb ik haar hulp nodig.
‘Heb je nog een middelste naam of zo?’
‘Niet met mijn huidige paspoort.’
Ik schaam me een beetje wanneer ik moet vragen: ‘Verjaardag?’
‘4 november.’
Oké, goed onthouden.
Wanneer we klaar zijn, wordt ons de weg naar de dienstdoende dokter gewezen. Opnieuw verlaat mijn arm haar middel niet.
Ik doe de deur open en zie dat de dokter een man is. Om eerlijk te zijn had ik gehoopt dat het een vrouw was, aangezien Paige vooral negatieve ervaringen heeft gehad met de mannen in haar leven. Blijkbaar heeft Paige het ook door, want ze pakt met een trillende hand de mijne vast en kijkt me angstig aan.
‘Ga niet weg,’ zegt ze, zo zachtjes dat ik het nauwelijks versta. ‘Ga... Ga niet weg.’
Ik knijp zachtjes in haar hand.
‘Ik blijf bij je. Maak je geen zorgen.’
De dokter biedt ons een stoel aan en ondanks dat het een klein klapstoeltje is, ziet Paige er maar kleintjes uit wanneer ze er zo ineengedoken zit. Ze ziet eruit als een geslagen puppy en een hert in koplampen tegelijkertijd.
De dokter gaat tegenover ons achter een bureau zitten en vraagt haar: ‘Kunt u me vertellen wat er precies aan de hand is?’
Ze opent haar mond even, maar zegt niets. Ze vangt mijn blik en stamelt: ‘Dit... Dit hoeft niet. We kunnen gewoon maar huis gaan. Het... Het komt vanzelf wel weer goed.’
De tranen staan in haar ogen en ze ziet er zo bang uit, zo wanhopig. Ik leg een hand op haar knie en knijp er zachtjes in. Het is oké, probeer ik haar te vertellen. Het is oké.
Dan wend ik me zelf maar tot de dokter en probeer de situatie zonder al te veel details uit te leggen.
‘Ze... Ze is een week lang ontvoerd geweest, zeg maar. Ze hebben haar geen eten gegeven en in elkaar geslagen en zulke dingen. Ze is pas net terug en heeft alleen een beetje yoghurt gegeten. Ze wilde niet naar het ziekenhuis, maar midden in de nacht had ze een of andere koortsdroom en ze moet de hele tijd hoesten en ze heeft 40,8 graden koorts. Ik was even bang dat ze een koortsstuip zou krijgen of zo. Ik... Ik weet dat het niet bepaald een accuut spoedgeval is, maar... ik wil gewoon zeker weten of het wel goed gaat en ik... ik wil niet dat ze pijn heeft.’
Hij knikt.
‘Afgaand op wat ik nu al zie, denk ik dat het verstandig was om hier naartoe te komen. Als jullie willen, kan ik na het onderzoek de politie bellen zodat er mogelijk aangifte gedaan kan worden.’
‘Hoeft niet. We zijn allebei politieagenten,’ antwoord ik, net als eerst.
Hij knikt begripvol.
Hij meet opnieuw Paiges temperatuur, die gestegen is naar 40,9. Hij luistert met zijn stethoscoop op haar borst en rug naar haar ademhaling. Hij test haar reflexen. Wanneer ze haar shirt uit moet trekken zodat hij haar verwondingen kan inspecteren, draai ik me beleefd weg. Na een tijdje geeft hij aan klaar te zijn.
‘U bent ondervoed geraakt, wat waarschijnlijk niet als een verassing komt, maar ik gok dat dat niet volledig in één week gebeurd is, dus ik raad u sowieso aan om uw normale dieet iets aan te passen. U kunt het het beste natuurlijk gewoon gezond houden, maar ik raad meer natuurlijke vetten, koolhydraten, eiwitten en zulk soort dingen aan. Verder hebt u een lichte longontsteking opgelopen, dus ik geef u een recept voor antibiotica mee, die u bij de apotheekafdeling van het ziekenhuis meteen op kan halen. Dat is waar de hoest en koorts vandaan komen en het is belangrijk dat dat echt behandeld wordt. De meeste van uw wonden zijn vrij oppervlakkig, maar aan de linkerkant hebt u vier ribben gekneusd en één lijkt er misschien zelfs gebroken te zijn, maar het zit een beetje in een grijs gebied. In principe, als u voorzichtig doet, zal dat vanzelf wel genezen, maar mocht het een blijvend probleem vormen, raad ik u aan om naar de huisarts te gaan. U hebt ook een lichte hersenschudding. Dit kan voor hoofdpijn, misselijkheid en evenwichtsstoornissen zorgen. Hiervan zult u waarschijnlijk nog het langst last hebben. Probeer u de komende paar weken lichamelijk niet al te erg in te spannen en zorg er in ieder geval de komende week voor dat u niet te lang achter elkaar televisie kijkt. U moet lichamelijk echt rustig aan doen, anders kan het uit de hand lopen. Zeker de komende tijd is het belangrijk dat u uw antibiotica blijft slikken en veel uitrust. Pijnstillers zijn toegestaan, maar let erop dat u niet de voorgeschreven dosering overschrijdt. Oké?’
Paige is even stil. ‘Ik wil maandag weer kunnen werken.’
‘Of dat mogelijk is, hangt af van hoeveel rust u neemt en of de antibioticakuur goed aanslaat. Ik weet zeker dat het het beste is om na het weekend niet meteen al te werken, zeker aangezien u politieagente bent. Uw ribben hebben rust nodig om te kunnen genezen. En vanaf 42 graden kan koorts echt gevaarlijk worden. U zit daar niet ver onder. Een longontsteking is niet niks. Hetzelfde geldt voor een hersenschudding. Het is in principe uw keuze, maar ik raad het echt af. U kunt nog beter gaan roken en alleen nog maar friet eten.’
Ze knikt zachtjes, maar ik zie het aan haar blik: ze gaat maandag gewoon weer aan het werk.
We nemen afscheid van de dokter en ik loop haar terug naar de auto. Daarna loop ik naar de apotheek om de antibiotica op te halen. Tegen de tijd dat ik terug ben bij de auto, is ze in slaap gevallen. Ik leg de medicatie achterin, controleer of haar riem goed vastzit en leg mijn jas als een deken over haar heen. Ik geef zachtjes een kus tegen haar slaap en maak dan mijn eigen gordel vast.
Terwijl ze rillend en klappertandend naast me in de bijrijdersstoel zit, rijd ik terug naar haar appartement. Wanneer we daar aangekomen zijn, slaapt ze nog steeds. Ik til haar op, wat beangstigend gemakkelijk gaat. Haar hoofd hangt slapjes tegen mijn borst. Ik besef me dat dit er waarschijnlijk totáál niet vreemd uitziet: een volwassen man die midden in de nacht een bewusteloze vrouw uit een auto naar een appartement tilt. Echt niet verdacht.
Aangekomen bij haar appartement, draag ik haar naar de slaapkamer en trek ik haar jas en sokken weer uit. Nadat ik mezelf ook omgekleed heb, ga ik naast haar onder de dekens liggen. Ik strijk een aantal keer voorzichtig over haar wang en doe het licht dan uit. In haar slaap vindt haar lichaam haar weg naar de mijne en ze kruipt dichter tegen me aan. Ze voelt gloeiend heet aan, maar ze rilt nog altijd. Ondanks dat ik het zelf warm begin te krijgen, sla ik mijn armen om haar heen en houd ik haar tegen me aan, hopend haar iets te kunnen verwarmen. Het duurt heel lang, maar na misschien wel een uur val ik weer in slaap, met Paiges rillende lichaam tegen me aan en de beelden van haar verwondingen in mijn hoofd.

Reacties (1)

  • Allmilla

    ‘Maar we moeten eerst de hond nog uitlaten,’ zegt ze, wat me vertelt dat ze weer aan het ijlen is.
    ‘We hebben geen hond, lieverd.’
    ‘Ik wil een hond.’
    ‘Daar hebben we het later nog wel over.’

    Hahaha, geweldig dit!xD
    Hopelijk neemt Paige wel de rust die haar lichaam nodig heeft, ook al ligt dat duidelijk niet in haar aard...:S

    Ik hou echt van dit verhaal, het is zó goed geschreven!(Y)(flower)

    1 maand geleden
    • AmeranthaGaia

      Dank je wel! Ik ben blij dat je het leuk vindt.

      1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen