hey! Ik heb gezien dat mijn vorige hoofdstuk nogal lang was, dus ga ik mijn verhaaltjes nu uiteraard opsplitsen in een aantal hoofdstukken, om het iets makkelijker te maken, ook voor mij. Dus veel leesplezier!

Mijn poten doen heel erg veel pijn door het lange lopen. We hadden ons tijdelijk gevestigd in een oud vossenhol, maar toen jaagden een stel honden ons weg. Daarvoor overnachtten we bij twee eenlingen: Rogge en Ravenpoot. Ze hebben ons een boel verhalen verteld over de clans waar onze ouders ons ook wel eens over vertelden. Maar toen waren we nog maar drie manen oud, nu zijn we zes. Ik kijk naar mijn twee oudere broertjes: Grondkit en Zonkit. Zij hebben allebei een cyperse vacht en een beetje gele ogen. Alleen is Zonkit blind, net zoals onze moeder. Ik integendeel, ben de enige met een zwarte vacht en groene ogen. Ik kijk naar mijn ouders. Panterstaart en Luipaardpels heten ze. Maar tja, we doen ons best te zoeken naar een plek om te wonen. Gelukkig zien we al snel een loofbos voor ons verschijnen. Ik slaak een zucht van opluchting.
‘Misschien kunnen we daar beschutting vinden.’ miauw ik. Luipaardpels knikt en slaat hij staart om me heen.
‘Het gaat zo meteen regenen, dus is dat een goed idee.’
Ondanks mama’s blindheid weet ze altijd dingen die wij niet weten. Haar reukzintuig is beter en ook haar gehoor. Ook kan ze alles beter voelen. Zo weet ze wanneer het gaat regenen, sneeuwen of al het andere wat met het weer te maken heeft. Ze weet bovendien wanneer er katten aankomen vanaf grote afstanden. Ze steekt haar neus in de lucht en opent haar mond om een geur op te nemen.
‘Er komen katten aan.’ ademt ze. Mijn ouders kijken elkaar bezorgd aan en dan horen we een stem naar ons roepen.
‘Hey! Wie zijn jullie en wat doen jullie hier?’
Vier silhouetten zijn afgetekend aan de horizon en ze rennen op ons af. Alle haren van papa gaan overeind terwijl hij beschermend voor ons gaat staan.
‘Maak je maar geen zorgen,’ zegt hij. ‘Ik bescherm jullie.’
‘Oh, mijn lieve Panterstaart.’ zegt mama. ‘Altijd zo agressief. We kunnen ook gewoon hun vragen beantwoorden.’ Ze loopt naar voren en geeft Panterstaart een vriendschappelijk tikje met haar staart. ‘Laat mij dit maar regelen.’
Terwijl de katten dichterbij komen, gaat mama geduldig zitten met haar staart over haar poten.
‘Goedendag,’ zegt ze. ‘Ik ben Luipaardpels en dit is mijn partner Panterstaart. En mijn kits Grondkit, Nachtkit en Zonkit. We zijn op zoek naar een plek om te wonen en hebben al veel eenlingen bezocht die ons zeiden dat we hier wel terecht konden.’
Ik loop naar Grondkit en fluister in zijn oor: ‘Waarom zegt ze dat? We zijn alleen bij Ravenpoot en Rogge geweest.’
De kat die de anderen leidt, lijkt bijzonder veel op mijn moeder. Hij heeft een cyperse vacht en daaronder zijn er veel spieren zichtbaar. Zijn ogen zijn ambergeel en hij beweegt zenuwachtig met zijn oren.
‘O, oké dan.’ zegt hij terwijl hij mijn moeder onderzoekend aankijkt. ‘Mijn naam is Braamklauw en ik ben de commandant van de Donderclan. En als ik eerlijk mag zijn, is het goed dat je op dit territorium staat, want de Windclan en de Rivierclan hadden je weggejaagd.’
‘En de Schaduwclan had je aan stukken gescheurd,’ voegt een donkerrode poes toe. Zij had groene ogen.
‘Dit is mijn partner.’ legt Braamklauw uit. ‘Kwiklicht.’
Kwiklicht knikt en loopt naar voren met een kat die net iets ouder is dan ik. Hij is goudbruin gestreept en heeft groene ogen. Hij kijkt ons nijdig aan en sist.
‘Dit is mijn leerling, Vospoot.’
‘Mama, ik wil ook leerling worden!’ roept Grondkit ineens. ‘Dan kan ik leren jagen en vechten net als de Clankatten!’
‘Ja, ik ook!’ juich ik mee, alleen Zonkit blijft stil. Hij is blind en kan dus waarschijnlijk geen leerling worden. Maar wat kan hij dan zijn?
‘Stil, kits.’ sust Panterstaart. ‘Dat zou betekenen dat we moeten intrekken bij de Donderclan, dat kan ik ze niet aandoen met jullie.’
‘Hey!’ roept Grondkit en hij springt op papa. Even spelen ze alsof ze een gevecht hebben en uiteindelijk is het mama die het spelletje onderbreekt.
‘Stop! Nu niet.’
Papa stond schuldig op en ook Grondkit keek naar de grond.
'Sorry, Luipaardpels.' miauwde papa.
Mama zuchtte en keek naar Braamklauw.
'Sorry voor m'n partner,' zei ze. 'Hij is nogal speels.'
Papa's oren gingen nerveus naar achteren toen mijn moeder een blik op hem wierp over haar schouder.
'Dat herkennen we, nietwaar Kwiklicht?'
Kwiklicht geeft hem een vriendschappelijke tik met haar staart terwijl ze naast hem gaat staan.
'Op zich kunnen we best wel wat extra gezonde katten gebruiken, hebben jullie verstand van jagen en vechten?' miauwt Kwiklicht.
'Wacht, wat?!' roept Vospoot. 'Maar we hebben al genoeg monden om te voeden!'
Kwiklicht negeert haar leerling en kijkt naar mama.
'Panterstaart en ik kunnen aardig vechten. En ook van jagen hebben we veel verstand. Alleen denk ik wel dat we moeten uitrusten, we hebben een zware reis achter de boeg.'
Met haar blinde ogen kijkt mama Braamklauw en Kwiklicht respectvol aan.
'We zullen je naar het kamp leiden.' verzekert Braamklauw.
Hij draait zijn kop naar een grijze kater met ambergele ogen.
'Grijsstreep, wanneer we in het kamp zijn, gaan wij naar Vuurster terwijl Kwiklicht en Vospoot de katten naar het medicijnhol brengen, goed?'
Grijsstreep knikt. En met z'n allen rennen we nog even door. Op naar de Donderclan!

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen