Foto bij 187 - Emmeline

Die middag brengt Eailynn me een schaal gevuld met zoetigheid. Over van het gesprek tussen Lucien en Madeleine, vertelt ze me, voor ze vertrekt.
Ze kan niet lang blijven, heeft andere afspraken.
Het zorgt er voor dat ik me ietwat eenzaam voel. Lucien is ook bezig met belangrijkere zaken, en ik zit onderuit gezakt slagroom van mijn vinger te likken. Erg nuttig voel ik me niet, zacht gezegd.
Er is bericht gekomen van mijn ouders. De brief heeft er lang over gedaan om Frankrijk te bereiken, zo vanuit Schotland. Mijn ouders delen hun blijdschap mede, hun opluchting over het horen van het nieuws.
Ze kijken uit naar hun eerste kleinkind, een erfgenaam van de Schotse adelijke bloedlijn.
Ik schuif ondertussen kruimels van mijn hand mijn mond in, en vis kruimels uit de stof die over mijn buik gedrapeerd is. Toch ook heel erg handig, zo'n zwangerschap. Al het eten dat normaal gesproken op de grond zou vallen wordt nu netjes opgevangen.
"Ja, petit lapin... Daar zijn we dan, samen." Ik wrijf over mijn buik.
Het gewrijf wordt beantwoord door een zacht, maar zeker voelbaar, getrappel binnen in mijn lichaam. Ik glimlach en stop een aardbei van een van de gebakjes in mijn mond. Ik moet goed eten om mijn zoon te voeden. "Je vader gelooft niet dat je een jongetje bent, petit lapin. En ik mag nog geen naam voor je verzinnen, want dat brengt ongeluk..."
Als iemand me nu zou horen praten zouden ze me voor gek verklaren, maar het is rustgevend om tegen mijn zoon te spreken. "Maar ik weet zeker dat je mijn zoon bent. Ik droom over je, maar dat weet jij natuurlijk al lang. En je vader..." ik laat mijn hand heen en weer glijden over mijn buik, van vlak onder mijn borst tot helemaal aan mijn navel. "en ik zijn zo blij dat je er bent."
      Het nieuws van de ziekte die in de kerkers is uitgebroken bereikt mij, uiteindelijk, ook. Ik hoor het niet van Lucien, want die heb ik sinds hij vertrok naar zijn moeder niet meer gesproken.
De arts die ik zie voor mijn zoveelste check vertelt me voorzichtig te zijn en onder geen beding de kerkers te betreden, of in contact te komen met mensen die daar recentelijk zijn geweest. Het zou funest kunnen zijn voor mij, of voor de baby.
Ik denk meteen aan Darragh, en Ainmere. Misschien lost het probleem zich op deze manier vanzelf wel op. Als Darragh ook besmet raakt zorgen we gewoon dat hij niet de nodige verzorging krijgt. Dan hoeft er geen moord aan te pas te komen.
Met een lading aan nieuwe middeltjes, gebrouwen van verschillende kruiden, stuurt hij me terug naar mijn vertrekken. De baby is gezond, maar dat het een jongetje is wil ook hij niet bevestigen.
Hij is een arts, en wil niet speculeren tot hij het honderd procent zeker weet. Net zoals Lucien. Alle mannen zijn ook hetzelfde, dodelijk vermoeiend.

Ik droom over Aleran. Het is voor het eerst in tijden dat hij voorkomt in mijn dromen. Sinds mijn zwangerschap zijn mijn dromen rustig, en vooral gevuld met geluk.
Maar deze droom is daar niet een van.
Ik zie mijn overleden echtgenoot. Hij ziet er niet dood uit, maar ook niet levend. Alsof hij tussen leven en dood in zweeft, zijn gelaat grijs en zijn ogen leeg.
"Ik wil dat je het toegeeft," zijn stem klinkt even vol haat als ik hem zo vaak eerder hoorde.
Ik kijk naar hem op, alsof ik op de grond zit. Ik kan niet neerkijken op mijn eigen houding, mijn hoofd vastgevroren in de richting van Aleran.
"Wat moet ik toegeven?"
Hij stoot een lach uit, vol ongeloof en afschuw. "Dat je een zondaar bent. Een overspelige vrouw, een... een..." zijn zin lijkt niet afgemaakt te worden, of misschien hoor ik zijn woorden niet meer. Ik ben afgeleid door het lijntje bloed dat uit zijn rechter mondhoek naar beneden loopt.
"Dat heb ik toegegeven, Aleran. Je ouders, mijn ouders.. ze weten het." Ik slik. "Ik heb genoeg geboet voor mijn overspel."
"Niet genoeg." Zijn ogen veranderen van leeg naar... zwart. Pikzwart, zoals de nacht waarin ik aan zijn sterfbed zat. "Je bent vervloekt, Emmeline. Je eerste zoon zal al jouw zondes met zich meedragen. Denk je nou echt dat God je een gezond kind schenkt na alle zondes die je bent begaan? Dat een zondaar zoals jij een gelukkig leven verdient? Je hebt me vermoord, Emmeline. Als jij niet achter me aan was gelopen had ik je nooit weg hoeven duwen, en was je nooit gevallen. Dan hadden mijn ouders me nooit weggestuurd, en had ik me nooit mijn eigen dood in gedronken... Het is jouw schuld, Emmeline."

Ik schiet overeind, mijn handen beschermend over mijn buik gevouwen. Of mijn nachtmerrie me gewekt heeft of het getrappel van het kind weet ik niet, maar mijn hart bonkt in mijn keel.
Ik ben nog steeds alleen. Ik weet niet waar Lucien is, maar ik weet wél dat ik hem nodig heb.
De woorden van Aleran spoken door mijn hoofd. Het is mijn schuld dat hij dood is. Ik verdien geen gezond kind, niet na alle dingen die ik heb gedaan die tegen het woord van God in gaan.
Niet eerder deze zwangerschap had ik zulke diepe, duistere doemgedachten. Natuurlijk was ik bang en angstig, maar deze gedachten hebben een dieptepunt bereikt waarvan in nooit verwacht had dat ik er zou komen.
Het getrappel in mijn buik voelt plots vreemd, buitenaards. Wat nou als deze zwangerschap een test is van God? Als mijn zoon doodziek ter wereld komt? Misvormd? Kwaadaardig?
Ik merk dat ik mijn ademhaling niet meer onder controle heb en probeer me op één punt in de kamer te concentreren om niet volledig in paniek te raken, maar ik ben bang dat ik dat punt al gepasseerd ben.
Sterretjes dansen voor mijn ogen. Ik probeer ze te volgen maar ook dat is een verloren zaak.
Het getrappel houdt niet op, maar in tegenstelling tot eerder vandaag kan het me niet rustiger maken.
Mijn handen knijpen het kussen van de bank fijn, iets dat ik pas merk als ik stof voel knappen onder mijn vingers.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen