Foto bij 188. - Lucien

Tegen de tijd dat we stoppen, zijn we allemaal koud en doorweekt door de natte sneeuw die al een poosje op ons neerslaat. De soldaten, stuk voor stuk jongens nog jonger dan ik, zijn nog steeds goedlachs. Compleet buiten de etiquette om vragen ze mee om bier te gaan drinken in de herberg een paar kilometer buiten de muren. Ik bedank en sla af; we hebben urenlang getraind en waar Winoc het rustig aan deed met de jongens deed hij dat zeker niet bij mij. Door alles wat er heeft gespeeld in de afgelopen maanden, loop ik achter met mijn trainingen en wist mijn beste vriend me voor het eerst in jaren te verslaan. Ik beloof mezelf weer vaker te trainen, zeker als ik straks een kind heb om te beschermen.
Drie keer eerder heb ik geprobeerd te stoppen vandaag, maar zodra ik mijn zwaard neerlegde kwamen de duizelende gedachten weer terug. Nu is het niet anders, maar het is donker en laat en ik mis Emma. Winoc gaat naar Kenna, maar drukt me op het hart dat hij snel weer een glas whiskey met me komt drinken.

Halverwege de route naar mijn vertrekken ben ik al begonnen met me uitkleden; de natte stof schuurt langs mijn lijf, een onaangenaam gevoel. Mijn maag rommelt. Misschien, nadat ik opgewarmd ben bij het vuur, vraag ik Emma of ze meegaat naar de keukens voor een nachtelijke snack. Diner ben ik compleet vergeten. Dan realiseer ik me dat de kans bestaat dat ze al slaapt. Ze kan alle rust gebruiken, dus aangekomen bij de deur doe ik die heel voorzichtig open om haar niet te wekken. De kamer begroet me met een onaangenaam gevoel, waarschijnlijk mijn eigen vermoeidheid. Nu ik binnen ben wil mijn lijf niks liever dan slapen.
Ze ligt op de bank, wat me verbaasd. Hoe vaak ik al niet heb gehoord dat de bank alleen maar lekker ligt als ik er ook ben om als kussen te fungeren... Maar aangezien ze niet op de meest comfortabele manier ligt, was ze misschien te moe om nog naar het bed te lopen. Met een glimlach loop ik naar haar toe en ga naast haar op de grond zitten. Dan pas vallen de opgedroogde tranen op haar gezicht me op, en een kleine stroom braaksel over haar kin naar haar torso. Ik kijk rond, bestudeer de ruimte, terwijl mijn hartslag in snelheid toeneemt. Het bed is beslapen, de dekens gekreukt alsof ze heeft liggen woelen. Een beker water op het nachtkastje is omgevallen en op de grond in stukken gevallen. Het kussen waar ze tegenaan ligt lijkt uit zijn voegen gesprongen te zijn, met veertjes die uit te scheuren steken. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik realiseer me ineens dat Emma niet rustig ligt te slapen. Ik grijp haar pols en ga opzoek naar een hartslag. Tranen schieten me in de ogen als ik die niet direct vind. Ik herinner mezelf eraan dat ze nog ademt, dat ik haar borstkas op en neer zie gaan, dat ze nog leeft en verplaatst mijn vingers naar haar hals. Daar vind ik alsnog een hartslag, stevig maar wel langzamer dan zou moeten. Met een hand op haar schouder probeer ik haar wakker te schudden. "Em. Emma." Mijn stem staat strak van de spanning. Ze wordt niet wakker. Ik schud harder, leg mijn andere hand tegen haar gezicht. "Em, wordt wakker. Emma!" Ik forceer mezelf om diep adem te halen wanneer ik merk dat de kamer begint te draaien. "Emmeline! Être damné! Emma, Réveillez-vous!" En dan, in dezelfde ademteug, schreeuw ik naar de gang: "Gardes! Obtenez un docteur!" Mijn gedachten vallen over elkaar heen als ik ga staan om Emma in een zittende positie te hebben in plaats van de ongemakkelijke houding waarin ze - vermoedelijk - is flauwgevallen. Mijn handen trillen. "Gardes!" schreeuw ik opnieuw. Horen ze me? Is er iemand die me hoort? Houdt de deur mijn stemgeluid tegen? Moet ik Emma achterlaten en zelf een arts gaan halen? Ik durf haar niet op te tillen, bang dat er meer mis is dan ik kan zien.
Ik probeer haar opnieuw wakker te schudden, tranen lopen over mijn wangen. Nee, nee, nee... Ik voel opnieuw haar pols, waar ik de hartslag nu wel kan vinden, maar hij is zwakker dan daarnet. Niet Emma. Ze kunnen me alles afnemen, echt alles, maar niet Emma. Als ze... als ze... Ik kan er niet eens aan denken. Automatisch gaan mijn gedachten over op manieren waarop ik haar achterna zou kunnen gaan. Zonder Emma wil ik niet leven. "Emma." fluister ik, handen om haar gezicht gesloten. "S'il vous plaît, réveillez-vous s'il vous plaît..."
Achter me slaat de deur open. Ik weet niet wie er staat, ik beveel alleen maar dat er met spoed een arts gehaald moet worden voor de prinses.
Als de rennende voetstappen wegsterven, beweegt ze ineens. En dan weer. Ik ga weer op de grond zitten, bang dat de grond onder me wegzakt als ik blijf staan, maar ik pak haar handen stevig vast. Langzaam maar zeker gaan haar ogen open. Rood omrandt en opgezwollen, ze heeft gehuild. Verdwaasd kijkt ze rond, alsof ze niet meer weet waar ze is. Ik volg haar elke beweging. Dan vallen haar ogen op mij. "Lucien." fluistert ze met schorre stem. Haar ogen vullen zich met tranen en ze bedekt haar mond met een hand, waar ze vervolgens het bijna opgedroogde braaksel opmerkt. Haar ademhaling versnelt wanneer ze zichzelf inspecteert en een halve seconde later werpt ze zich van de bank af in mijn armen, schokkend van het huilen. Haar armen heeft ze om mijn nek geklemd, haar gezicht verborgen tegen mijn schouder. Ik ga beter zitten zodat ik niet omval, leg haar armen voorzichtig om mijn middel en kruis de mijne onder me. Als ik zeker weet dat ik voorlopig niet meer hoef te bewegen, sla ik mijn armen stevig om haar bovenlijf en wieg haar zachtjes, terwijl ik stille tranen over mijn eigen wangen laat lopen. Ik wieg haar, zing Franse slaapliedjes om haar en mezelf af te leiden en houdt haar vast. Zo zitten we tot de arts met een klein leger aan wachters komt binnenrennen. En zelfs dan laat ik niet los.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen