Foto bij 190. - Lucien

Ik slaap niet. Dat wil zeggen dat ik af en toe wegzak in bewusteloosheid, maar dat die al heel snel weer wordt opgeschrikt door de gebruikelijke nachtmerries. Niet lang nadat ze in slaap viel, is Emma op haar andere zij gedraaid en ligt ze nu met haar rug naar mij toe. Zelfs in de stilte van de nacht is de spanning voelbaar.
Na de derde nachtmerrie over Aleran geef ik het op. Zo stil als ik kan verlaat ik het bed en stop Emma toe. Dat wekt haar, zij het half. "Luce..?" zegt ze slaperig. Ik strijk een paar losse haren uit haar gezicht.
"Niks aan de hand, lief. Nachtelijke boodschap. Ga maar weer slapen."
Of ze echt slaapt weet ik niet, maar ze sluit haar ogen weer en ademt rustig verder. Ik weet niet wat er is gebeurd voordat ik haar vond. Geen woord wilde ze erover kwijt. Was hetzelfde gebeurd als ik niet de hele middag aan het trainen was geweest? Had ik haar beter moeten beschermen? Een deel van me weet best dat het onrealistisch is om alle uren van de dag op haar te letten, maar de gedachte knaagt. Was er niks aan de hand geweest als ik in de buurt was geweest?
Een kamerjas is veel te dun om de gangen mee op te gaan. Hoewel de lente in aantocht is, vriest het in de nacht nog regelmatig en de gangen van het kasteel trekken de kou aan. Ik heb alleen niet de puf om iets warmers te zoeken. Bij toeval valt mijn oog op de extra deken aan het voeteneind van het bed; een dikke wollen quilt die ik kreeg op mijn achttiende verjaardag van een tante van wie ik de naam niet meer weet. Ik wikkel mezelf erin en verlaat de kamer. Mijn adem vormt kleine wolkjes die flauw verlicht worden door een fakkel in de verte. De tegels zijn ijskoud onder mijn voeten. Ik overweeg heel even om naar de vertrekken van mijn ouders te gaan en bij hen in bed te kruipen. Alleen ben ik tweeëntwintig, wordt ik binnen nu en een paar maanden vader en zit het koningsschap er vermoedelijk ook aan te komen. Op geen enkele manier kan ik het goed praten om als een klein kind bij hen te slapen. Eailynn heeft ook genoeg aan haar hoofd, dus die wil ik ook niet storen. Winoc heeft genoeg gebroken nachten met de kleine. Nee, ik ben op mezelf aangewezen.
Op momenten als deze ben ik daar niet goed in. Mijn gedachten circelen rond en worden met de minuut duisterder. In de bibliotheek vind ik ook geen rust; de letters dansen voor mijn ogen. Uiteindelijk dwaal ik naar buiten, waar een gure wind me in het gezicht slaat. Sterker nog: de natte sneeuw van eerder heeft zich ontwikkeld tot dikke vlokken die neerdwarrelen op de kasteeltuinen. Twee stappen en ik voel mijn voeten niet meer, nog eens drie en ik voel de scherpe kou in mijn kuiten bijten. Tot zover de lente.
Doelloos struin ik over het grasveld. In het midden blijf ik stil staan. Als ik hard mijn best doe, hoor ik Sebastièns's kinderlachje terwijl hij vlinders achterna zit. Ik zie Eschieve zitten terwijl ze een krans van madeliefjes maakt en kinderliedjes zingt. Emma is er ook, op het bankje aan de rand van het veld. Ze is aan het borduren. Ze lijkt jaren jonger dan ze nu is. Ik hoor het onmiskenbare geluid van het slijpen van een zwaard en ik draai me met een ruk om. Zo'n drie meter rechts van me staat mijn broer, Aleran. Zijn zwaard glinstert in het licht. Hij is ook jonger. Een kind. Hij grijnst speels en gooit iets naar me toe; in een reflex vang ik het op. Het is een oud speeldoosje, dat ik als kleuter op mijn nachtkastje had staan. Zonder kon ik niet slapen. "Ik zei toch dat ik het zou vinden." Zijn stem echoed over het veld. Ik herinner me het ineens weer; vroeger zetten ik en Aleran speurtochten voor elkaar uit, met aan het einde een persoonlijke schat. Het idee was om de speurtocht sneller op te lossen dan dat de eigenaar van de schat het ding zelf ging terughalen omdat hij niet langer zonder kon. We werden steeds fanatieker en waren in staat het hele kasteel op stelten te zetten, tot vader de speurtochten verbood. Sebastièn was één van ons gevolgd en vervolgens verdwaald geraakt. Anderhalve dag konden we hem niet vinden, tot een van de dienstmeisjes hem hoorden huilen en niet stopte met het geluid volgen tot ze hem vond. Ik weet niet meer waar hij nou uiteindelijk zat.
"Zie je haar?" Aleran wijst in Emma's richting. Ik draai me om zodat ik weer naar haar kan kijken. Hoe oud ze is durf ik niet te zeggen. Ze is een kind, net als Aleran. "Ik ga met haar trouwen. Vader zegt dat het al vaststaat. Als ze achttien is komt ze voorgoed naar Frankrijk en mag ik haar kussen."
"Maar dan ben je niet verliefd." hoor ik mezelf zeggen, al is het moeilijk om de stem als mijn eigen te herkennen. Net als alles in dit waanbeeld klink ik vele jaren jonger. Aleran lacht, een warm en hartelijk geluid. Is het echt? Is er ooit een tijd geweest waarin hij zo lachte? Ik weet het niet meer. "Niet toen vader het me voor het eerst vertelde. Maar nu..." Zijn blik op Emma is zo vol liefde dat er een golf van jaloezie door me heen jaagt. "Wie zou niet verliefd worden op een schoonheid zoals zij?"
Hij loopt naar haar toe. Gaat op één knie zitten en pakt haar hand. Ik hoor het niet, maar hij verklaart haar de liefde. Ze kijkt naar hem zoals ze naar mij kijkt als ze zegt van me te houden. En ze kust hem.
De droomwereld begint te tollen; Sebastièn, Eschieve, Emma en Aleran, ze verdwijnen allemaal. Ik hoor Eschieve's gezang en Sebastièn's gelach, het beeld van Aleran en Emma die elkaar verliefd kussen staat op mijn netvlies gebrand. Iemand pakt me ruw bij de schouder; ik draai me met een ruk om. De wereld is ineens weer vol met sneeuw en koude wind. Achter me staat een wacht. Door zijn vizier heen zie ik de bezorgde blik in zijn ogen. "Hoogheid, het is stervenskoud. Kom mee naar binnen."
Ik spreek hem niet tegen. Eenmaal binnen vertel ik hem met bibberende stem weer terug te gaan naar zijn post. Hij aarzelt, maar bij het tweede bevel gehoorzaamd hij. Hij heeft me voor mijn eigen deur afgeleverd, maar ik wil niet naar binnen. In plaats daarvan dwaal ik weer door de gangen van het paleis tot ik bij Eschieve's vertrekken aankom. Ze ontwaakt zodra ik de deur open; het licht van het dovende vuur laat zien hoe ze overeind gaat zitten.
Zonder een woord te zeggen staat ze op en loopt ze naar me toe. Ze trekt mijn vingers los van de deken om mijn heen; het ding glijdt van mijn schouders op de grond. Ik voel mijn benen niet, mijn handen niet, mijn gezicht niet. Eschieve fronst diep. "Je bent ijskoud."
"Ik was buiten." geef ik stilletjes toe.
"Waarom? Het sneeuwt!"
"Mijn hoofd zat vol."
Ze kijkt me indringend aan, pakt ondertussen mijn handen en begeleid me naar het bed. Ze loopt zelf achterstevoren, zodat ze me kan blijven aankijken. "Zag je weer... Je weet wel?"
Ik knik. Wat me in het veld overkwam, is me een of twee keer eerder gebeurd. Ik zag dingen. Dingen die niet echt waren. Het was geen droom, want ik sliep niet. Ik weet niet wat het wel was. Maar nu ik bij Eschieve ben voel ik me beter. Eschieve maakt alles makkelijker. Waar alles in mijn leven ingewikkeld is, is Eschieve stabiel. Ze zet me op de rand van het bed. "Wacht hier."
Ik luister naar haar blote voeten op de stenen als ze naar de vertrekken van haar kamermeisjes rent om extra dekens te vragen en een warme bedpan. Daarna komt ze weer bij me terug en gebied me te gaan liggen. Ik spreek haar niet tegen. Eschieve is gegroeid. Als ze in mijn armen bij me komt liggen, past ze daar niet meer zo goed als ze deed voor Portugal. Ik voel het extra gewicht van de nieuwe dekens, de warmte van de bedpan met hete koelen bij het voeteneind. Eschieve neuriet voor me.
Ik slaap niet. Ik kan het niet. Ik maak me zorgen over Emma, maar krijg het niet voor elkaar om naar haar terug te gaan. Uiteindelijk valt Eschieve wel in slaap en waak ik over haar. En als ik mijn best doe, lijkt alles net zoals vroeger. Lijkt alles simpeler.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen