Foto bij Chapter 9

Avery Autumn Lagorio

Avery, elf jaar, 20 december

Mijn vingers klemmen zich stevig vast aan mijn haarwortels terwijl ik mijn ogen dichtknijp. Ik voel een stevige brok in mijn keel en het kost alles om deze te negeren, om niet de tranen te laten ontsnappen die ik zo graag wil laten gaan, om niet toe te geven aan de pijn die de anderen me dit jaar al veroorzaakt hebben.
Voor me ligt mijn gewaad. De kreukels die in de stof zitten, wijzen aan hoe vaak ik het al gedragen heb. Mijn blik glijdt naar het logo dat trots op mijn borst gespeld staat en tranen verschijnen in mijn ogen terwijl ik mijn hoofd schud.
Ik hoor dat de deur van de coupé opengaat en weer sluit, maar besteed er geen aandacht aan. Ik weet al wie het is. En ik weet ook wat die persoon tegen me gaat zeggen, wat hij me gaat opdragen om te doen.
“Je hoeft het ze niet te vertellen.”
Eerst reageer ik niet, maar als hij een hand op mijn knie legt, zorg ik dat de grip op mijn haar wat minder wordt en til ik mijn hoofd op zodat ik hem aan kan kijken.
“Ze komen er toch wel achter,” fluister ik.
“Maar dat hoeft nu nog niet meteen te zijn. Waarom zou je niet gewoon blijven liegen? Je hebt ook al gelogen in de brief die je hebt gestuurd. Waarom zou je het nu opeens wel vertellen? Je weet hoe heftig ze gaan reageren.”
Ik bijt op mijn onderlip. Ik wilde dat ik niet hoefde te liegen. Ik wilde dat ik gewoon thuis kon komen, ze kon vertellen in welke afdeling in ingedeeld ben geweest en dat alles dan goed zou zijn. Maar ik weet dat hij gelijk heeft. En ik weet dat ik moet liegen omdat ze me anders zullen haten, omdat ze dan zwaar teleurgesteld zullen zijn en het tegen me gaan gebruiken. Maar het is zo moeilijk.
“Ik haat het,” fluister ik. “Ik haat het zo erg. Ik wilde dat ik in jouw afdeling zat. Ik wilde dat ik de waarheid vertelde toen ik naar ze stuurde dat ik dat groen met zilveren logo trots kon dragen.”
“We hadden het eigenlijk wel kunnen weten. Ik bedoel, je liefde voor boeken is echt abnormaal,” grinnikt hij, maar ik vind er niks grappigs aan.
“Wat denk je dat ze gaan doen als ze het te weten komen, Steven? Wat denk je dat ze gaan doen als ze horen dat ik in de afdeling zit die ze elk jaar met Kerst zo afkraken?”
Steven kijkt me één moment stilzwijgend aan, maar haalt dan zijn schouders op.
“Misschien gaan ze het in het begin niet leuk vinden, maar uiteindelijk gaan ze ook wel beseffen dat je er niks aan kan doen, dat the Sorting Hat het zo wilde.”
Als ik mijn hoofd weer laat zakken in mijn handen hoor ik dat Steven opstaat en voel ik een zacht plofje naast me. Plotseling voel ik hoe hij een arm om mijn schouder legt en laat ik mijn hoofd opzij vallen zodat ik tegen zijn schouder kan leunen.
“Je weet dat ik er voor je ben, hè, zusje?”
Op de één of andere manier vind ik dat moeilijk te geloven. Ik kan me nog steeds herinneren hoe verward hij naar me keek toen ik in mijn nieuwe afdeling werd ingedeeld, toen duidelijk werd dat ik geen Slytherin zou worden. Lander zei iets tegen hem waar hij op grinnikte. Vervolgens heeft hij me in the Great Hall een aantal keren genegeerd, maar op momenten zoals deze is hij weer de Steven die ik ken, de Steven waarmee ik tijdens een donderstorm onder de dekens schuilde.
“Op school ben je anders,” protesteer ik zachtjes. “Dan lijkt het net alsof jij me ook kwalijk houdt voor wat er is gebeurd.”
“Je moet weten dat ik je altijd verdedig als de Slytherins weer eens over je roddelen. Misschien laat ik het niet altijd duidelijk aan je merken, maar ik hou sowieso van je, in welke afdeling je dan ook zit.”
“Wordt er veel over me geroddeld dan?” vraag ik verward, zijn andere woorden vergetend.
“Maak je niet druk,” antwoordt Steven ontwijkend.
Als ik mijn hoofd naar boven draai, zie ik nog net dat zijn mondhoeken zich weer naar beneden trekken. Waarom was hij aan het glimlachen? Wat is er zo grappig aan deze situatie? Ik trek verward mijn hoofd van zijn schouder en ga een eindje van hem vandaan zitten.
“Maar Avery,” zegt Steven, zijn hand op mijn knie leggend. “Het is echt belangrijk dat je onze ouders doet geloven dat je in Slytherin zit. En misschien, met een beetje geluk, komen ze er dit jaar niet achter en heb je dan nog tijd genoeg om te verzinnen hoe je ze het gaat vertellen.”
Ik richt mijn ogen naar het raam. Het bekende landschap schiet voorbij en ik weet dat het niet meer lang duurt eer dat we aan komen in het station, eer dat ik recht in het gezicht van mijn ouders moet gaan liegen. Ik kijk er niet naar uit en alleen al bij het idee dat mijn vader er in een latere periode achter zou komen, laat me ijskoud van angst voelen.
En dan neem ik een beslissing die me misschien voor de rest van mijn leven gaat achtervolgen, maar die me op dat moment het beste lijkt. Ik geef een knikje aan mijn broer.
“Oké,” zeg ik zachtjes. “We hebben een deal.”
En dan, net alsof het zo afgesproken is, rijdt de trein plotseling het station binnen. Ik dacht dat ik meer tijd had, maar dat was niet zo. De gezichten van bezorgd kijkende ouders flitsen voorbij en ik voel mijn maag samentrekken als ik de lange gestalte van mijn vader zie.
Ik knijp mijn ogen even dicht en open ze pas als ik voel dat Steven bemoedigend in mijn elleboog knijpt. Ik vouw het gewaad dicht en vang, als ik naar het borststuk kijk, nog een laatste glimp op van het blauwe logo dat daar prijkt. Dan is het weg, verstopt tussen de andere kleren in mijn hutkoffer. Verstopt tussen de andere leugens die nooit naar buiten mogen komen.
Ik haal diep adem, haak mijn arm door die van mijn broer als de trein eindelijk tot stilstand komt en als één man staan we op. We kijken elkaar aan, geven elkaar dan een knikje en lopen naar de uitgang van onze coupé.
“Daar gaan we dan.”

Reacties (1)

  • Teal

    Oh oh oh that aint gonna end well

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen