Bloedend en moe sleep ik mezelf terug naar het kamp. De Windclan werkte samen met de Rivierclan dus waren we bijna verloren. Gelukkig schoot de Schaduwclan ons te hulp. De strijd is nu onbepaald afgelopen vanwege de zon die verdween. Alle katten raakten in paniek en dus vluchtten ze. Ik hang tegen Vuurster aan vanwege twee poten die steken. Mijn voorpoot en achterpoot doen heel veel pijn en ik kan amper lopen. In het kamp stort ik meteen in en kijk om me heen, zoekend naar mijn broertjes. Ik zie alleen Zonpoot en Panterstaart. Panterstaart trippelt bezorgd op me af.
'Nachtpoot! Gaat het wel?'
Ik knik.
'Prima, maar ik wist niet dat het zo moeilijk was.'
'Je bent dan ook nog niet getraind,' wijst Zonpoot me terecht. 'Ik weet zeker dat het later makkelijker gaat.'
Ik zoek nog een keer naar Luipaardpels en Grondpoot, maar die zijn nog steeds niet te vinden. Panterstaart lijkt het door te hebben.
'Ze zijn even jagen,' legt hij uit. 'Ze zagen dat de hoop prooi heel laag was en zeiden dat we wel voedsel nodig hebben voor het geval dat. Per slot van rekening wisten we niet dat het zo snel zou stoppen.'
'Maar waarom verdween de zon?!' roept Zonpoot in paniek. 'Kan het nog een keer gebeuren?'
Panterstaart legt zijn staart beschermend om zijn zoon en ik druk me tegen hem aan. Plotseling gaan de oren van mijn broer omhoog en steekt hij zijn neus in de lucht.
'Ze komen. Maar ik ruik niet alleen verse prooi, ook bloed. En niet van de muizen.'
Ineens ben ik mijn pijnlijke poten vergeten en sprint ik naar de ingang en zie Grondpoot tevoorschijn komen. Hij heeft een boel krassen en het puntje van zijn oor bloedt ook heel erg. Hij knijpt zijn linkeroog op een aparte manier dicht en zijn vacht is doorweekt van zijn bloed. Wel heeft hij een paar muizen in zijn mond en een eekhoorn. Hij loopt naar de hoop verse prooi en rent meteen naar Loofpoel.
'Wacht!' roep ik, maar al snel komen allebei de katten weer tevoorschijn. Loofpoel gaat het kamp uit en ik kijk mijn broer verbaasd aan.
'Wat is er aan de hand?' vraag ik bezorgd en angstig. Ik heb hem nog nooit zo bang gezien. Is hij geïntimideerd door de zon die verduisterd werd? Al snel krijg ik daar antwoord op wanneer de geur van mijn moeder mijn neusgaten vult. Ik draai me om en zie hoe ze leunt op Loofpoel. Ze komt met veel moeite vooruit en haar pels mist een heleboel stukken vacht. Maar dat is niet het ergste wanneer ik de wond op haar buik zie. Al mijn haren komen overeind terwijl Luipaardpels haar prooi laat vallen. Het is een ekster, een spitsmuis en een eekhoorn. Loofpoel begeleidt haar naar het medicijnhol en Grondpoot snelt naar zijn vader.
'Panterstaart!' roept hij. Ik kijk naar mijn vader wie zichzelf ligt te wassen.
'Grondpoot!'
Hij kijkt op wanneer hij zijn stem hoort en springt op. Hij kijkt om zich heen, op zoek naar zijn partner, maar die is uiteraard al met de medicijnkat mee.
'Waar is Luipaardpels?' vraagt hij een beetje teleurgesteld. Grondpoots ogen zijn groot van angst en hij begrijpt de hint al. Met ons drieën op zijn hielen gaat hij zo snel als hij maar kan naar het medicijnhol. Luipaardpels wordt daar al behandelt in een comfortabel nest.
'Wat is er gebeurd?' vraag ik nog steeds van slag.
'Windclan.' verklaart Grondpoot in één woord. Luipaardpels opent vermoeid haar ogen en kijkt naar Panterstaart. Panterstaart loopt met een laaghangende staart naar haar toe en legt zijn neus in haar vacht.
'Rustig maar,' zegt hij om haar gerust te stellen. 'Het komt allemaal goed, Loofpoel kan je weer beter maken.'
'Alleen ongestoord,' antwoordt Loofpoel met een zachte stem. 'Ik kan mijn werk niet doen als jullie hier blijven. Ik wil alleen dat Grondpoot en Nachtpoot blijven, zodat Gaaipoot hun wonden zo kan onderzoeken.'
Ik gehoorzaam en ik ga liggen terwijl Zonpoot het hol verlaat. Alleen Panterstaart blijft staan.
'Wie heeft dit gedaan?' vraagt hij zonder uitdrukking in zijn stem. Ondanks de kalmte die hij probeert te laten zien, zijn zijn ogen vol woede. Volgens mij wil hij haar wreken. Luipaardpels is allang in slaap gevallen en ook Grondpoot heeft zijn ogen gesloten.
'Panterstaart,' zegt Loofpoel. 'Ik weet dat je bezorgd bent, maar ik kan niet werken als je hier blijft.'
Teleurgesteld verlaat hij het hol en sluit ook ik mijn ogen om te gaan rusten.

Ik bewandel een donker pad in een donker bos met een donkere lucht zonder sterren of maan. De dennen creeëren een schaduw die me de stuipen op het lijf jagen. Aan de horizon is een silhouet te zien. Het is een grote, gespierde kater en zijn ambergele ogen lijken licht te geven in de duisternis. Twijfelend trippel ik op de kat af. Zijn gespierde schouders torenen boven me uit en zijn nette vacht is cypers.
'W-Wie ben jij?' vraag ik angstig.
'Tijgerster,' antwoordt de kat. 'Ik heb gezien wat er in de Donderclan gebeurde en ik vroeg me af of je misschien extra training wilt, om je clangenoten te bewijzen dat je de beste krijger wordt dan ooit!'
Tijgerster? Daar had Ravenpoot ons voor gewaarschuwd, moet ik dit wel accepteren?
'Sorry, Tijgerster.' fluister ik. 'Maar nee.'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen