Foto bij 198. - Lucien

Als kind ben ik een keer ongelukkig gestruikeld toen ik achteruit rende om een bal te vangen die mijn broer had gegooid; mijn eigen voeten raakten in de knoop en ik viel achterover. Met mijn voorhoofd klapte ik hard tegen de grond aan, hard als steen omdat het voorjaar nog maar net begonnen was en de vorst nog niet uit de grond was weggetrokken. Ik heb er niks aan over gehouden, maar ik was een paar dagen goed duizelig. Zodra ik overeind kwam uit mijn bed, begon de hele ruimte om me heen te draaien en kon ik alleen maar als een zielig hoopje ellende terug onder de dekens kruipen tot het weer overging.
Dat is hoe ik me voel als ik naar Emma's buik kijk. Beweging daarbinnen werpt schaduwen op de strakgespannen huid, schaduwen die daar niet horen te zijn. Ik heb onmiddellijk spijt van het feit dat ik net weer was gaan staan om mezelf een glas wijn in te schenken, want nu weet ik niet meer zeker of ik kan blijven staan. Oké, diep ademhalen. In en uit. Het lukt me niet om lucht mijn longen in te zuigen. De kamer gaat sneller draaien, dingen worden wazig. Als ik probeer het gezicht van Emma te vinden, lukt dat ook niet. Ik kan alleen maar naar die witte bol kijken, waar overduidelijk een levend wezen in zit. Ik klem mijn kaken op elkaar, probeer nog eens om rustig adem te halen. Waar is mijn deken? Mag ik in bed kruipen tot het weer over is? Ik zou het niet eens tot de bank redden, terwijl die drie stappen bij me vandaan is.
"Lucien?" Emma's stem is heel ver weg. Erop reageren krijg ik niet voor elkaar. Mijn lichaam schiet in de overlevingsstand, struikelt naar de dichtstbijzijnde muur om me daaraan overeind te houden. Ga dan op de bank zitten, sukkel. denk ik star, maar dat wordt direct teruggekaatst met: Maar dan zit je er náást., wat ook wel een goed punt is. Oké, ogen dicht. Misschien helpt dat. Ik knijp ze dicht, probeer Emma's gezicht voor me te halen. Dat lukt. Oké, oké. Ik kan dit.
Dan verandert haar oh zo bekende gezicht; al snel is van Emma niks meer te herkennen en kijk ik in het gezicht van een baby. Ik hap naar adem. Hoe lang kunnen mijn knieën me nog dragen? Het voelt alsof ik allang ter aarde had moeten storten.
Iemand grijpt mijn bovenarmen vast. Het helpt om iets steviger te staan.
"Lucien." Emma's stem is dichterbij nu, en ik realiseer me dat zij me vast heeft. Verdomme. Mijn vrouw komt me redden. Lekkere koning. "Lucien, open je ogen."
Aangezien er weinig erger kan zijn dan het baby-gezicht dat nog steeds voor mijn ogen danst, luister ik naar haar. Ze is wazig en ik kan me er moeilijk op focussen, maar ze blijft in ieder geval mijn Emma. Ze kijkt bezorgd. Putain. Ze moet rustig blijven. Ze moet gaan zitten. Als ik dat tegen haar wil zeggen, krijg ik geen enkel geluid over mijn lippen. Ik knijp mijn ogen nog steviger dicht dan daarnet, wat er alleen maar voor zorgt dat ik die bewegende buik weer zie. Het leeft. Het leeft. Mijn kind leeft. En binnenkort kan ik er niet meer omheen en leeft het om me heen en moet ik het vasthouden en liefhebben en verzorgen en....
"Lucien, open verdomme je ogen en kijk naar me." Ik gehoorzaam. Zelfs in de wazige toestand kan ik de paniek in haar ogen herkennen. Ze pakt mijn handen, zegt iets tegen me dat ik niet registreer en begint me naar de bank te registreren. Terwijl ze dat doen vallen mijn ogen op haar borstkas. Ik probeer mijn ademhaling te dwingen die van haar te kopiëren. Ik denk dat het lukt, want mijn hoofd voelt minder zwaar. Emma zet me op de bank en omringt mijn gezicht met haar handen. Vervolgens keert ze mijn hoofd elke kant op om me met kritische blik te bekijken. Ik moet er om lachen, wat scheurtjes in haar masker van paniek veroorzaakt. Al snel stopt de ruimte met draaien en kan ik me weer op haar gezicht focussen. Al snel is het enige wat er nog over is van mijn slecht verborgen paniekaanval een klam voorhoofd en een extreme golf van vermoeidheid. Emma kijkt me streng aan, al is de opluchting makkelijk te lezen in haar ogen. "Wil je dat nooit meer doen?"
Ik leun hevig tegen de rug van de bank aan en sluit mijn ogen, maar bedenk me ongeveer een halve seconde later omdat ik haar buik weer zie. "Sorry. Ik... Ik was niet voorbereid op..." Ik maak een vaag gebaar naar haar zwangere lijf. "Dat, geloof ik."
Haar gezicht betrekt. Het duurt maar een seconde, dan trekt ze het weer in de plooi. Hoewel we het allebei niet aan gaan kaarten, weten we allebei precies waarom ik zo heftig reageerde. Ik ril, klam van het zweet, maar ook omdat ik me schuldig voel. Ik trek haar tegen me aan zodat ze mijn gezicht niet kan zien, omdat ik niet weet hoe goed ik mijn uitdrukkingen kan veinzen. "Het spijt me." mompel ik, al voelt het alsof het niks betekent. Hoe vaak kan je je verontschuldigen voor iets dat niet verandert?
Ondanks dat ontspant ze in mijn armen. Ze pakt mijn hand en kust de rug. "Voel je je beter?"
"Mhm." Ik knik.
"Ik dacht echt even dat ze je vergiftigd hadden en dat je dood ging." Ik kijk toe als ze mijn hand bestudeerd, hoe ze één voor één mijn vingers langsgaat en alle lijntjes volgt met haar nagel.
"Prinses." Ik kus haar haren. "De enige reden waarvoor ik ooit zal sterven, is omdat jij me hebt verlaten en ik jouw nieuwe engelgedaante achterna moet zitten."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen