Foto bij 199 - Emmeline

Het mag me nog zo op het hart gedrukt zijn, maar me niet inspannen lukt me niet. Zeker niet als ik Lucien voor mijn ogen bijna ter aarde zie storten bij het aanschouwen van ons bewegende kind.
Mijn hoofd maakt overuren, evenals mijn hart. Ik probeer het niet aan hem te laten zien, maar zijn reactie heeft angsten naar boven gehaald die ik net zorgvuldig diep onder het oppervlak had bewaard.
Het lijkt wel alsof elke seconde die we dichter bij de komst van ons kind komen, ik me meer en meer klaar ga voelen, en Lucien enkel minder.
Het verontrust me. Mijn vorige echtgenoot wilde niets liever dan kinderen - niet omdat hij zo dol op mij was, of op het idee van kinderen krijgen met mij, maar omdat hij erfgenamen wilde. Maar goed, die was er ten minste klaar voor om ze onder ogen te komen. Niet om van ze te houden, maar dat zou ik dan plaatsvervangend extra doen.
Lucien houdt van mij. Zielsveel, als ik hem mag geloven, en dat doe ik. Dat maakt het alleen maar moeilijker om te accepteren dat onze verlangens zo verschillen. Ik had hier maanden de tijd voor, maar deze realisatie zorgt er voor dat de paniek ook bij mij toeslaat.
Maar ik laat die paniek niet zien. Dat denk ik, ten minste. Lucien kent me zo goed dat hij het waarschijnlijk van mijn gezicht af kan lezen, maar hij lijkt momenteel te druk bezig met zijn eigen paniek. Ik ben inmiddels opgestaan om het vuur op te porren.
"Hier, lief," ik overhandig het glas wijn dat hij aan het inschenken was. Misschien geeft hem dat wat rust. "Drink."
Ik kus zijn voorhoofd, het vooroverbuigen spant spieren aan waarvan ik niet wist dat ik ze had en ik kreun even van het onaangename gevoel. De bezorgde blik van Lucien wuif ik weg.

"Hij viel flauw?" Kenna kijkt me met grote ogen aan, maar probeert haar gezicht weer terug in de plooien te krijgen als ze de paniek op mijn gezicht ziet. Ze zit aan het voeteneind van het bed, op een van haar vele, bijna dagelijkse bezoekjes.
"Bijna."
"Door.. het zien van je buik?" Haar gezicht staat bedachtzaam, lichtelijk ongerust. "Ik wist dat hij zenuwachtig was, maar.."
Ik zucht. Lucien's reactie heeft me de hele nacht wakker gehouden. Telkens als ik bijna in slaap viel zag ik weer voor me hoe hij zwak werd van het simpele bewegen van ons kind in mijn buik. Enkel dat beeld zorgde weer voor dezelfde paniek.
Ik kan er met Lucien niet over praten, natuurlijk niet. Hij zal zich enkel schuldiger gaan voelen. Hij kan er niets aan doen dat hij angstig is, en ik neem hem niets kwalijk. Het zorgt er alleen voor dat de angst in mijn lijf verdubbeld.
"Sorry. Natuurlijk niet wat je wilt horen."
Ik haal mijn schouders op. "Het geeft niet. Ik ben gewoon bang.. wat nou als ons kind er zometeen is, en hij er niet van kan houden? Als hij daardoor niet meer van mij kan houden? Dat we uit elkaar drijven en niet veel meer zijn dan twee mensen, samen in een huwelijk-"
"Em. Emma...," Kenna onderbreekt me. "Luister eens even. Lucien loopt over van geluk als hij naar je kijkt, hij zou zijn leven voor je geven. Het is een goede man, een leider waar iedereen vertrouwen in begint te krijgen, en hij doet écht wel het juiste. Het gaat misschien moeite kosten, maar je raakt hem niet kwijt. Hij gaat van dat kind houden, het is immers een kind van jullie samen."

Veel tijd om me daar druk over te maken heb ik niet.
Lucien heeft opnieuw een belangrijke bespreking, en kruipt pas laat die avond naast me het bed in. Zijn lichaam voelt koud tegen het mijne, dat al uren heeft op kunnen warmen onder de lakens.
We bespreken zijn dag, kort en bondig. Mijn dag valt niet te bespreken, omdat alle dagen in dit bed hetzelfde verlopen, en dus vind ik het alleen maar fijn dat hij me op de hoogte houdt van wat zich in het kasteel afspeelt.
Hij kust me, belooft me dat hij morgen langer bij me zal zijn, en we vallen samen in slaap.
      In mijn droom drijf ik in de zee. Het lijkt de zee te zijn die we bezochten in Portugal, toen Lucien en ik nog zorgeloos waren. Toen we nog moesten verbergen hoeveel we van elkaar hielden, maar voor alle narigheid.
Het strand, iets verderop, is verlaten en de zon straalt op me neer.
Het water omringt mijn lichaam en ik laat me langzaam op en neer deinzen op de golven. Ik voel me rustig, tevreden, bijna gelukkig.
Ik ben alleen, maar dat maakt me niet uit. Het water is aangenaam warm, bijna net zoals een bad, en ik hoor naast de golven enkel een aantal zeemeeuwen boven mijn hoofd. Met gesloten ogen laat ik me heen en weer wiegen, als een kind in zijn moeders armen.
"Mama! Maman!" Ik herken de stem niet, maar hij klinkt vragend. Ongeduldig, maar niet paniekerig. Ik voel dat ik degene ben die geroepen wordt, ook al zie ik nergens een kind.
Ik wil terug roepen, dat ik hier ben, dat ik er aan kom, maar mijn lichaam is zo ontspannen dat ik dat niet voor elkaar krijg.
      Als ik mijn ogen toch weet te openen lig ik weer in het bed, naast Lucien. De zee is weg, het strand is nergens te vinden.
Ik wil me omdraaien, verder slapen, terug naar de fijne droom, maar bedenk me op het moment dat ik mijn lichaam in beweging zet.
Het bed is warm. En dat is niet omdat er twee mensen in slapen, ook niet omdat Lucien net een open haard is en genoeg warmte produceert in zijn slaap om het hele kasteel in de winter van warmte te voorzien.
De zee mag dan weg zijn, maar ik heb het water meegenomen.
Ik trek voorzichtig de lakens van me af en besef dat mijn droom niet alleen heel erg fijn was, maar ook een voorbode. Als golven voel ik, nu pas, als het geluksgevoel wegebt, de kramp in mijn lijf.
"Lucien..," ik tik mijn echtgenoot aan, waarschijnlijk bezorg ik hem een hartaanval maar het kan niet anders. "Lucien..."
Zijn ogen gaan één voor één open. "Hhhhhmm?"
Hij is gedesoriënteerd en als ik niet snel spreek valt hij weer in slaap.
"Het is tijd, denk ik."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen