Het stof begon neer te dalen en hij stond daar alleen. Bezweet, met hijgende ademhaling en een zwaard in zijn hand. De punt stak niet omhoog zoals verwacht mocht worden bij een overwinning, maar leunde op de grond. Zelfs het tillen van het zwaard leek een onmogelijke taak geworden te zijn.
      Een overwinning, dat was hoe ze dit zouden noemen. Een heroïsch gevecht dat de boeken in zou gaan als de grootste overwinning ooit. Langzaam keek Tomas rond. Het zand was roodgekleurd van het bloed en overal lagen donkere, misvormde lichamen. Zwartgeblakerd door het vuur. Hun insignes waren niet langzaam zichtbaar.
      Het zou stil moeten zijn op deze vlakte van de dood, en misschien was het dat ook wel. De wind suisde zacht, maar niet langer was het geluid van staal tegen staal, van galopperende paarden en van woorden vol moed of vol wanhoop te horen.
      Maar wie kon vergeten hoe het klonk om duizenden mensen te horen branden? Om te horen hoe ze om hulp riepen, om hun kreten vol pijn te horen, en vooral om te horen hoe die kreten abrupt stopten?
      In de verte kwam een groep paarden aangegaloppeerd, met op hun banier hetzelfde insigne als degene die op Tomas’ borst prijkte. Hij had in hun richting kunnen lopen, had zijn koning kunnen begroeten, maar hij kon het niet.
      Langzaam liet hij zich op zijn knieën vallen. Ademhalen leek te moeilijk. Als hij zou ademen, zou hij de geur van verbrand vlees ruiken, van bloed en van de dood. Niks grootse overwinning, slechts de dood.
      Hij had gedaan wat zijn koning van hem verlangd had. Hij had zich in het gevecht begeven, zogenaamd als een van de vele voetsoldaten die dapper streden voor hun vaderland tegen het leger van de wrede buurkoning. De koningen hadden ruzie, de mensen moesten betalen.
      Het was een gewoon gevecht geweest, een van vele. Of tenminste, zo had het moeten lijken voor de vijand. Gewoon de zoveelste slag in een oorlog die al jaren duurde. Dat was het ook geweest, tot het geheime wapen Tomas ingezet was.
      De kracht van het vuur had door zijn aderen geraasd, had zich genadeloos over de gehele vlakte verspreid. Niemand had een kans gehad om te ontsnappen. Niet de vijandige koning die zich veilig achteraan had opgesteld, niet zijn leger dat zo dapper gevochten had en niet de mannen die blindelings vertrouwd hadden op hun eigen koning om te doen wat goed voor het land en voor hen was. Vijand en vriend, geel en blauw, nergens had het vuur opgelet. De koning was verslagen, maar daarvoor hadden duizenden onschuldige mannen moeten betalen.
      Het zwaard viel uit Tomas’ handen. Hij kon geen rood ontdekken aan zijn huid, geen teken dat hij een vijand voor zich had gehad en verslagen. Het enige wat hij zag waren zwarte strepen van as. Misschien was dat nog wel erger dan daadwerkelijk bloed. Bloed representeerde één man, het as de levens van velen.
      De paarden stopten voor hem en mannen sprongen uit het zadel. “Kniel voor je koning!” werd geroepen. Tomas keek niet op. Hij zat al geknield, al was het dan niet voor een koning die niet langer als de zijne aanvoelde.
      In het zand lagen de verkoolde resten van een zakdoek. Iemand had die meegegeven aan hun man, hun broer, zoon of geliefde in de hoop dat deze geluk zou brengen en hun dierbare veilig thuis zou terugkeren.
      Geluk hielp niet tegen het vuur van een magiër.
      ”Sta op, Sir Tomas,” was wat de koning hem vertelde. “Sta op als de redder van ons land. Sta op als overwinnaar, als degene zonder wie we deze strijd nooit gewonnen hadden kunnen hebben. Sta op als een held.”
      Waarom voelde hij zich dan vies en bezoedeld? Wilde hij alleen maar slapen, maar was hij tegelijk bang om zijn ogen dicht te doen? Waarom klonken de kreten nog steeds na in zijn oren als dat het juiste was geweest om te doen en hij nu een grote overwinnaar was?
      Waarom voelde hij zich dan geen held?

Reacties (1)

  • Slughorn

    Mooi geschreven (;

    8 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen