“I'm laughing on the outside
Crying on the inside
'cause I'm so in love with you”



Justine Heidi Harbours

Anderhalve week is voorbijgevlogen, en hoewel ik er nog steeds uitzie alsof er een kudde olifanten over me heen gestampt heeft, kan ik het grootste deel ervan bedekken met een bescheiden laagje make-up. Ariel neemt iedere ochtend mijn huiswerk voor school mee en ’s middags komt ze thuis met de nieuwe opdrachten en Seth’s haast onleesbare aantekeningen van de lessen. Gelukkig zijn er geen toetsen geweest die ik later had moeten inhalen.
      ‘Ben je er klaar voor?’ vraagt Ariel als ze klaar is met mijn lange haren. Ze heeft ze zo gevlochten dat er nog steeds een hoop plukjes in mijn gezicht springen en enige bedekking geven waar de make-up tevergeefs is. Ze wrijft zachtjes met haar vingertoppen over mijn schouder, zo’n beetje de enige plek op mijn lichaam die niet nog steeds veel zeer doet.
      Ik glimlach, ondanks dat het onnodig is, en geef een ongemakkelijk knikje. Ik wrijf met mijn handen hard over mijn dijbenen, iets dat ik al sinds het incident doe. Misschien hoop ik de viezigheid van mijn benen te vegen, of het er juist zover in te wrijven dat ik er niet meer aan hoef te denken. Tot op vandaag de dag is het me nog niet gelukt om zowel fysiek als mentaal de sporen van mijn vader te vergeten.
      Over het monster van een vader gesproken, die voelt zich de laatste tijd niet zo best. Hij klaagt constant over pijn op zijn borst en kortademigheid en stiekem vraag ik het me af of het de onbewuste schuld is die hem zo ellendig laat voelen. Al betwijfel ik op hetzelfde moment ook of iemand zoals mijn vader het concept schuld überhaupt kent. Ik gok van niet.
      ‘Laten we gaan,’ mompel ik onder mijn adem. Ik grijp mijn jas van de kapstok en trek het kledingstuk aan alsof ik een oude vrouw met een bottenziekte ben. Ik sla mijn tas voorzichtig over mijn schouder en doe de voordeur open.
      Tot mijn verbazing zie ik de auto van Embry, en de jongen in kwestie, die nonchalant tegen het portier van de bestuurderskant leunt. Mijn hart slaat een slag over bij het aanzicht van hem, want hoe graag ik het ook zou willen, ik kan niet ontkennen dat Embry’s fijne gelaatstreken en slanke, toch gespierde lichaam een prettig beeld voor het oog zijn.
      Ik slik even en werp een blik opzij naar Ariel. Het is ongetwijfeld mijn zusje die hierachter zit en ik vraag me af of ze dit op een doordachte, nu hoef ik immers niet pijn te lijden tijdens het lopen, of een roekeloze, het is namelijk duidelijk dat ze Embry wel aardig vindt, manier heeft gedaan. Een duidelijk antwoord verschaft ze me niet, want ze loopt huppelend op Embry af, geeft hem een high-five en neemt vervolgens plaats op de achterbank alsof het haar eigen auto is.
      ‘Right,’ mompel ik onder mijn adem. Ik grijp mijn tas iets steviger vast, niet dat dat enige houvast biedt, en loop met een glimlach op Embry af.
      ‘Ik was er niet van op de hoogte gebracht dat jij ons naar school zou brengen,’ zeg ik, terwijl ik plaats neem op de bijrijders stoel. Ik werp een veelbetekenende blik naar Ariel, maar die zit verzonken in haar gedachten naar buiten te kijken, mij niet horend noch ziend.
      ‘Bij deze,’ glimlacht Embry alsof er niets aan de hand is. Hij start de auto, bekijkt mijn gezicht kort en fronst dan eventjes. Hij reikt met zijn hand uit, alsof hij mijn gezicht wil aanraken, maar bedenkt zich net op tijd om zijn hand op de schakelpook van de auto te leggen zonder dat het ongemakkelijk wordt. Hij bijt hard op zijn kiezen, alsof zijn humeur een draai van honderdtachtig graden heeft gemaakt. ‘Heb je nog last van de wonden die je over hebt gehouden aan het bos?’
      Ik wurm ongemakkelijk in mijn stoel en strijk een klein plukje achter mijn oor. ‘Ik ben nog een beetje beurs,’ antwoord ik schouderophalend. God, die jongen moest eens weten. ‘Het feit dat ik de afgelopen anderhalve week ook nog de griep had hielp het genezingsproces niet echt.’
      Dat is immers wat ik zowel Seth en Nessie als Embry heb bericht, toen ze vroegen waarom ik zolang niet op school was. Seth reageerde met een gebruikelijke beterschap en de belofte om te skypen, wat ik beleefd heb afgewezen. Nessie en Embry boden allebei aan om langs te komen, wat ik met wat meer wilskracht moest afwijzen.
      ‘Ja, het heerst,’ mompelt Embry onder zijn adem, terwijl hij het kleine straatje uitrijdt en de grote weg op. ‘Gelukkig voel je je nu wat beter.’

Reacties (3)

  • Slughorn

    Mooi hoofdstuk weer (:

    1 jaar geleden
  • VampireMouse

    Hii! Nice to seee you 😍
    Dankjewel voor het nieuwe stukje x

    1 jaar geleden
  • EvaSalvatore

    Hey hallo! I missed ya!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen