Foto bij 204. - Lucien

Eschieve kijkt jaloers toe als ik samen met Eailynn pijl na pijl in de oude boomstam aan het einde van het weiland schiet. Eailynn vloekt als ik het voor elkaar krijg haar laatste pijl uit de lucht te schieten, want het betekent dat zij de pijlen moet gaan halen.
"Vader en moeder zijn er niet." klaagt Eschieve terwijl ze Eailynn nakijkt. "Als jullie niets zeggen, zullen ze nooit weten dat ik geschoten heb!"
"Ik geloof dat je vergeten bent dat ik degene was die het heeft voorgesteld." Ik kijk haar zijlings aan. Onderdeel van haar straf na de stunt met Cecilio was dat ze tot na de zomer niet meer mag oefenen met haar wapens, tot haar grote afschuw.
"Maar jij hebt me ondertussen wel vergeven." Ze rukt onschuldige grassprietjes uit de grond. "Kom op, Lucien. Het is twee maanden geleden. Straks verleer ik alles en moet ik weer helemaal opnieuw beginnen!"
Ik inspecteer Eailynn's en mijn eigen boog om zeker te weten dat we nog een ronde kunnen schieten, al valt daar niet echt over te twijfelen. Ik wil vooral niet naar Eschieve's priemende ogen kijken, omdat ik bang ben dat ze me nog echt overtuigd om haar te laten schieten. "Dat had je je moeten bedenken voordat je er vandoor ging met Cecilio."
"Maar het is niet eerlijk! Jij en Aleran zijn zo vaak weggegaan met meisjes! Waarom mag ik dan niet weg met Cecilio?" Meer gras moet het vergelden om vervolgens in de wind te worden gegooid.
"Ik ga er vanuit dat vader en moeder je dat haarfijn hebben uitgelegd."
"Dat maakt het niet minder oneerlijk. Bovendien duurt die straf veel te lang! Ik moet ook nog steeds iedere zondag de hele dag naar het klooster." Ze snuift. "Alle nonnen hebben constant commentaar op alles wat ik doe."
"Dat is het idee." Ik maak de fout haar kant op te kijken en word begroet met een hele giftige blik. "Luister eens, ik snap dat het niet fijn is, maar je hebt het zelf gedaan. Je wist verrekte goed dat er paniek uit zou breken als je er met hem vandoor ging. Dat was al zo geweest als het een jongen was met wie we geen geschiedenis hadden, maar dit was een jongen van wie de moeder geprobeerd heeft ons te laten vermoorden. Ik had je al ten dode opgeschreven." De woorden komen er fel uit, maar ik kan de paniek die ik die avond voelde nog precies oproepen.
"Daar kan Cecilio toch niks aan doen!" snauwt ze. "Hij vond het al net zo erg wat er is gebeurd!"
Ik haal gefrustreerd een hand over mijn gezicht. Ik dacht dat ik er goed aan had gedaan om haar mee te nemen nadat Eailynn me had gevraagd om even het paleis uit te gaan. Sinds de geboorte van Julien heb ik weinig tijd met de twee vrouwen doorgebracht en ik wilde het graag goed maken. Maar elke keer dat ik Eschieve spreek, komen we hier weer op terug. "Eschieve." zeg ik op gemeten toon. Ik wil niet boos op haar zijn, of het in ieder geval niet aan haar laten merken. "Je hebt ons allemaal de stuipen op het lijf gejaagd. Of dat de bedoeling was of niet, of dat Cecilio bijbedoelingen had of niet doet er niet toe. Zelfs je eerbaarheid kan me gestolen worden; je verdween met een jongen die bij ons allemaal hele pijnlijke herinneringen oproept."
Dat wordt beantwoord met stilte. Niet omdat ze geen antwoord heeft, maar omdat dit haar manier is om te weten dat ze boos op me is. Ze negeert mij en, als ze weer terug komt lopen met haar arm vol pijlen, ook Eailynn. Die wisselt een vragende blik uit tussen Eschieve en mij, maar besluit duidelijk haar vingers er niet aan te branden.
"Hij kwam me opzoeken vanochtend." zegt ze dan, terwijl ze de pijlen tussen ons verdeelt. "Hij deed heel vreemd."
"Wie?"
Eailynn geeft me een veelbetekenende blik en gebaard met haar kin naar Eschieve. Aha.
"Ze zijn nog steeds onderbezet beneden, door ziekte." mompel ik. "Ik heb verder geen idee van zijn plannen."
"Hij heeft je niet om hulp gevraagd?"
Ik schud mijn hoofd. "Wel aangeboden, maar hij zei dat het veiliger was om het alleen te doen. Al kreeg ik de indruk dat hij een paar man naar zijn hand heeft kunnen zetten... En dat staat me niet aan."
"Hij gaat echt niet ineens van kant wisselen, Lucien."
Ik haal mijn schouders op. Ik ken de jongen verder niet. En gezien de dingen waar zijn vader toe in staat was... Ik vertrouw hem voor geen cent. Hoe sneller het gedaan is, hoe beter, want dan kan ik hem het kasteel uit bonjouren.
"Ik wil naar huis." deelt Eschieve luid mede. Ik negeer haar. Met wat aarzeling doet Eailynn hetzelfde. "Oh ja, heel volwassen! Negeer de kreupele maar!" snauwt mijn zusje. Ze vloekt lelijk, wat een kreetje uit Eailynn onttrekt. "Je bent zo stom sinds je bent getrouwd, Lucien. Vroeger was je leuk. Nu ben je alleen maar bezig met politiek en andere saaie dingen."
Ik blijf haar negeren, leg rustig een pijl op mijn boog en richt. Het vertrouwde gevoel van de pees aantrekken zal nooit vervelen.
"Ik kan niet wachten tot ik met Cecilio getrouwd ben en weg kan uit dat stomme kasteel en bij jou."
Mijn pijl mist grandioos zijn doel; voor het ding goed en wel de boog verlaten heeft heb ik me met een ruk omgedraaid naar mijn zusje. "Ik draai mezelf liever de nek om dan dat ik jou laat trouwen met dat addergebroed. Over mijn lijk, Eschieve."
"Oké!" Eailynn springt tussenbeide voordat Eschieve kans heeft om iets terug te vuren. "Het ziet eruit alsof het zo gaat regenen. Eschieve, waarom maak jij de wagen niet klaar? Dan ruimen Lucien en ik hier op." De lucht is strakblauw.
Eschieve gaat staan en klopt met veel bravoure tientallen vermoorde grasspiertjes van haar rokken. "Op een dag wordt je wakker en dan ben ik weg. En dan weet je niet waar ik ben en tegen de tijd dat je dat wel weet is het veel te laat."
Ik rol met mijn ogen.

Normaal zit Eschieve met me voorop de wagen, maar dit keer weigerde ze. Geen probleem. Ik had niks te zeggen. Eailynn, arm kind, zat achterop met haar en probeerde op sussende toon met haar te praten, maar Eschieve liet niets dan stilte horen. Ze zouden haar voor vast in het klooster moeten zetten.
Aangekomen bij het kasteel is er overduidelijk iets gebeurd. De binnenplaats is vergeven van de mensen, schreeuwend, joelend. Eailynn kruipt bij me voorop op de bok. Op de vraag of er iets groots gepland stond vandaag, schud ik mijn hoofd. De menigte blokkeert ons het zicht. Met veel moeite krijgen we paard en wagen bij de stallen. Het gejoel wordt luider. Eailynn, nieuwsgierig als altijd, gaat op de bok staan in de hoop dat ze over de mensen heen kan kijken.
Ze slaakt een kreet, slaat haar handen voor haar mond. "We moeten er naar toe." snikt ze, amper in staat haar tranen te bedwingen. Ik durf niet te vragen wat er is. "Nu!"
Ik doe mijn best me door de menigte heen te duwen, maar de mensen zijn opgefokt en willen allemaal vooraan staan. Uiteindelijk lukt het me; ik struikel de kleine open cirkel op. Daar duurt het echt even voordat ik doorheb wat er aan de hand is: er staan vier van onze wachters om een bloederig hoopje mens heen. Dat hoopje leeft nog, afgaand op het gekreun. Dan realiseer ik me ineens waarom Eailynn moest gillen. Op de grond ligt Ainmere.
"Verklaar jezelf." gebied ik.
De wachters, die met zo'n bevel hun wapens zouden moeten laten vallen, bewegen niet, kijken me alleen maar aarzelend aan.
"Ah, Lucien..." kreunt Ainmere. Hij begint zichzelf overeind te werken. Ligt het aan mij of is hij nou aan het grijnzen. "Ze - ah! Ze zullen niet luisteren." Hij spuugt op de grond. Als ik me niet vergis komt er een tand mee. "Zie, mijn vader had.. had zijn klauwen veel dieper in het systeem dan..." Hij valt stil en zijn gezicht vertrekt van de pijn. Wanneer hij overeind zit, gaat hij verder. "...dan ik dacht."
Ik laat mijn hand naar mijn heup vallen. Daar hangt geen zwaard. Dit was een pleziertochtje. Mijn zwaard ligt op de wagen, aan de andere kant van het plein. Hoewel ik vermoed dat deze afleiding voldoende is om de rest van de wacht te alarmeren die wél op mijn geboden afgaan, voel ik me uitermate hulpeloos.
"Ze staan aan zijn kant." maak ik het af voor Ainmere.
Hij knikt, nog steeds grijnzend. "Dit is allemaal iets minder anoniem gegaan als ik had gehoopt..."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen