Ik schrok toen Keyon in de ochtend naast me kwam zitten. Zijn ogen waren bloeddoorlopen en er zat een flinke pleister op zijn wang die waarschijnlijk een nog flinkere schram bedekte.
‘Hey,’ zei hij, een beetje ongemakkelijk. Hij zag dat ik staarde, en ik zag dat hij het zag. Ik ging er van uit dat hij daarom wel uit zichzelf uitleg zou geven, omdat ik wist dat hij wist dat ik zag dat hij zag dat ik aan het staren was. Maar dat deed hij niet, dus vroeg ik er naar.
‘Niks,’ zei hij. ‘Ik kon niet slapen, dus ging ik een wandeling maken. Ik was in het donker tegen een doornstruik aan gelopen.’
Hoe ver was die gozer dan wel niet geweest? Ik had tijdens de speurtocht die eerste nacht geen een doornstruik gezien.
Was dit dan hetgeen waar ik naar op zoek was geweest bij hem? Dat hij nachtelijke wandelingen maakte? Maar het voelde niet bevredigend, niet als hetgeen wat het maakte dat ik hem nu opeens kende. Het tegendeel, zelfs. Hij leek nu enkel een nog groter raadsel.
‘En je ogen dan?’
Hij wreef in zijn ogen. ‘Vermoeidheid, denk ik.’

Ik herinnerde me plots wat voor die dag op het programma stond, en vroeg Keyon: ‘We gaan vandaag kanoën, is het niet? Zin om samen in een kano te gaan? Mijn broertjes hebben toch geen zin in mij.’
Ik hoopte dat als we samen wat tijd in ons eentje konden doorbrengen, ik hem “officieel” kon vragen vrienden te worden. Want ik haatte de vage, besluiteloze relatie die we nu hadden. Net geen vrienden, net geen vreemdelingen. We mochten elkaar genoeg om vrienden te zijn, maar kenden elkaar er te weinig voor. En ik hield van structuur en duidelijkheid. Misschien was dat ook wel waarom ik vrienden met hem wilde zijn, om hem beter te leren kennen en duidelijkheid te scheppen in zijn mysterieuze karakter.
Het frustreerde me het gevoel te hebben hem niet te kennen. Want hij leek anders dan bijvoorbeeld Femmie, bij wie ik na één gesprek wel het gevoel had dat de persoon wie zij ook rond anderen was, te kennen. Ik was altijd goed in het lezen van mensen, maar Keyon was ondoorgrondelijk. En leerde ik maar dat ene ding, dat ene ding wat zo hém was dat ik eindelijk het gevoel had te weten wie was als hij alleen was, dan was ik al tevreden. Wist ik maar een unieke hobby, een guilty pleasure of een klein geheimpje dat zijn ouders niet wisten, dan was ik al gerustgesteld.

‘Graag.’
Ik was zo opgegaan in mijn ongebruikelijke, diepe verlangen naar het uitpluizen van deze jongen, dat ik helemaal vergeten was dat ik hem een vraag had gesteld.
‘Je gaat wel mee, toch?’ vroeg ik, omdat ik me herinnerde dat hij die vorige dag niet was gaan zwemmen omdat hij zich nog niet lekker voelde. ‘Omdat je ziek bent geweest, bedoel ik.’
‘Ja, ik voel me een stuk beter. Ik zou het niet leuk vinden hier de hele dag te moeten niksen.’
Ja, dat begreep ik.

Zo gezegd, zo gedaan. Een paar uur later zaten we in een kano samen. Ik zat voorop, hij achter.
Mijn peddel was een maat groter dan die van hem, omdat ik langer en sterker was. Hij had zich daarom geschaamd en verlegen gemaakt, wat me gek genoeg op had gewonden, daarmee geen seksuele opwinding bedoelend, maar een onverklaarbaar soort enthousiasme, vermaak. Het zou een beetje zorgwekkend zijn om geil te worden van een verschil in peddel maat, is het niet?

We kletsten wat over koetjes en kalfjes.
‘Zit je nog op de middelbare school?’ vroeg ik hem.
‘Ja, ik ga naar mijn laatste jaar VWO. Jij?’
‘Ik ook,’ antwoordde ik. ‘Ik ben een keer blijven zitten, vandaar. En thuis? Je zei dat je een pleegzus had, nietwaar? Zijn jullie allebei geadopteerd?’
We stuurden om een kluitje peddelende kleuters heen, verder het meer over.
‘Nee, alleen ik.’
‘Hoe lang leef je al met ze?’
Het was bijna een minuut stil voordat Keyon zei: ‘Gôh, dat weet ik eigenlijk niet eens meer... Nee ik... ik weet het niet.’
Er klonk iets van ongemakkelijkheid of onbehaaglijkheid door in zijn stem, dus veranderde ik gauw van onderwerp: ‘Naar wat voor muziek luister je graag?’
Het volgende uur hadden we een diepgaand, lang gesprek over muziek. Hij klonk plotseling ontzettend gepassioneerd en enthousiast, wat mij ook enthousiast maakte. Hij vertelde over hoe hij bij een boekenwinkel werkte om zo drumlessen te financieren, en ik vertelde hem over de band waar ik in zat. Ik vond het grappig en een beetje aandoenlijk hoe hij soms totaal over zijn woorden struikelde en dingen herhaalde, dan even stil viel en daarna weer verder ratelde. Het klonk alsof hij stond te popelen overal zijn standpunt over te geven, net als hoe ik stond te popelen die te horen.

Ik had verwacht dat zijn passie voor muziek dan hetgeen zou zijn dat me dichter bij hem zou brengen. En al bracht het me niet verder weg, en zeker wat stappen vooruit, miste ik nog steeds de intimiteit die een vreemdeling van een bekende scheidde, die ik normaalgesproken al na één gesprek bereikt had.

Toen we aan de overkant van het meer aangekomen waren en daar even pauze namen, vroeg ik het hem: ‘Zou je het zien zitten vrienden te worden?’
Met een ruk keek hij op van het gras. Ik was even bang om afkeuring, onzekerheid of spot te zien. Maar zijn ogen waren zacht en vriendelijk, een beetje verbaasd ook.
‘Ik... um.. g-graag. Al is het niet heel cool, moet ik eerlijk toegeven dat ik nog nooit echt vrienden heb gemaakt. Tof, man.’
Ik was blij dat hij zo blij leek met het aanbod, omdat ik bang was geweest te opdringerig over te komen met al mijn vragen en aanboden. Toen schoot me wat te binnen, iets wat niet klopte aan wat hij gezegd had.
‘Maar Mert dan?’
In twee seconden werd zijn bleke gezicht vuurrood.
‘W-Wat?’
‘Die gast uit je schetsboek. Zei je niet dat dat een vriend van je was?’
‘Oh. Nou... het is meer met een gebrek aan een beter woord. We... zien elkaar niet al te vaak.’
Ik voelde dat hij iets achterhield, misschien zelfs wel dat hij loog. En toen voelde ik opeens een brandend verlangen om te weten wie Mert precies was, wat zijn relatie met hem was, waarom hij in zijn schetsboek stond en waarom hij zo opgelaten over hem praatte. Misschien was Mert wel hetgeen dat de muur die ons tweeën in stond kon weghalen, wat er voor zou zorgen dat ik hem werkelijk zou kennen.
Maar wat jammer nou dat ik niet de moed had verder te vragen. Dat zou onbeleefd zijn, en ik wilde hem niet wegjagen nu ik hem juist een beetje op zijn gemak had weten te krijgen. Ik wilde niet dat een opdringerige vraag zijn privacy zou schenden en hem weer in de afstandelijke, schuwe jongen zou veranderen waar ik niks aan durfde te vragen met de angst hem te breken. Want iets in zijn ogen zei dat ik dat zou doen, als ik verder vroeg.

Toch bleef ik de rest van de middag nieuwsgierig. Had hij misschien een vriendje, en schaamde hij zich ervoor? Of was Mert misschien overleden, en praatte Keyon er daarom niet graag over? Of was Mert een persoon die ongezond was voor Keyon, die een slechte invloed was en waaraan Keyon niet herinnerd wilde worden, omdat hij bang was anders weer in de verleiding zou vallen hem op te zoeken? Te veel mogelijkheden, te weinig bewijs voor een antwoord.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen