Foto bij Proloog

- Gebaseerd op een waargebeurde Pathfinder campaign -

Ik vond het heerlijk om weer op mijzelf te zijn. De groep jonge tovenaars had mij veel geleerd en leergierig dat was ik zeker. Altijd was ik op zoek naar kennis, maar ik had niet graag andere mensachtigen om mij heen. Ik was een eenzame ziel. Alleen ik en de natuur om mij heen, zo had ik het het liefst.



Na weer enkele maanden in de wildernis te hebben geleefd sloeg het noodlot toe. Het was een zwaarbewolkte, regenachtige dag. Het kwam met bakken uit de hemel, de wolken huilden en de wind blies mij telkens weer tegen de aarde, die beefde als een op springen staande vulkaan. Maar ik kon hier niet blijven. Ik had zojuist het nabije paleis beroofd.

In de verte hoorde ik de honden woest blaffen, bewakers hoorde ik naar elkaar schreeuwen. De plotselinge weersomslag kwam mij erg slecht uit. Ik mocht mijzelf dan onzichtbaar kunnen maken met behulp van de spreuk Invisibility, mijn voeten trokken diepe sporen in de inmiddels modderige grond.

Ik rende door de bergen, zo snel als mijn kleine voetjes mij voort konden dragen. In de verste verte was er geen beschutting biedend woud te bekennen. Ik vloekte binnensmonds toen er vlak naast mij een bliksemflits in een dode boom sloeg. “Onheilige goden!” - Zoef - Al doorrennend keek ik geschrokken naar achteren. - Zoef - - Zoef - Nog twee.... Er renden drie slanke honden achter mij aan, met een geelbruine vacht, puntige oren en lichte ogen. Ik herkende de dieren onmiddellijk als blink dogs. - Zoef - Nog één. Ik wist dat ze konden reizen door de Material Plane en Ethereal Plane, daarom verdwenen de honden zo nu en dan en kwamen vlak bij mij plots weer te voorschijn. Met hun getrainde neuzen roken ze mij ondanks mijn natte kleren en de stromende regen. Mijn voetstappen in de modder zagen zij verschijnen.

Ik wist dat de honden sneller waren dan ik, dat ik nul komma nul kans maakte als ik voor ze uit bleef rennen. Ik veranderde licht van koers, op de dichtstbijzijnde afgrond af en in stilte dankte ik Azathoth voor mijn kennis. Mijn invisibility spreuk werkte uit en ik werd zichtbaar. De honden gromden en blaften woest, hun poten kletterden hard en krachtig neer in de modder. Het geluid deed mij denken aan een horde wilde paarden. - Kadoem - Het gebulder van het onweer overstemde bijna het geluid van de schreeuwende wachters. Ze hadden mij en de honden gezien en waren vlak bij.

Ik moest het halen, dit kon niet het einde betekenen van mijn vrijheid. Als ze me te pakken kregen zou ik weggestopt worden in de diepste kerkers en nooit meer daglicht zien. Ik zette een tandje bij. Toen sprong ik.

Vanaf het moment dat ik mij afzette in de modderige ondergrond, leek alles wel in slowmotion te verlopen. Ik vloog vooruit en voelde achter mij hoe de honden op de rem trapten, ééntje deed een dappere poging om me nog net in mijn been te bijten, maar tevergeefs. Al zwevend in de lucht keek ik over mijn schouder. Ik zag hoe de hond bijna zelf in de afgrond viel en snel moest bij zijn nekvel moest worden gegrepen door zijn compagnon, om dat te voorkomen. Ver achter de honden zag ik tientallen wachters aan komen rennen. Ik zag hoe ze schreeuwden, langzaamaan verdwenen ze uit beeld toen ik naar beneden viel. Nog goed weet ik de furieuze blik die ik in de ogen van de honden zag zodra ik met hen op ooghoogte was. Ik zwaaide naar ze.

- Woesssjjjjj - Met een hoop gesuis stortte mijn lichaam in het ravijn naar beneden. De harde wind liet mijn lange lokken dansen om mijn gezicht, mijn mantel wapperde in een dappere poging als parachute te fungeren boven me uit. Net voordat mijn lichaam de met scherpe rotsen bezaaide grond zou raken zag ik de hoofden van de wachters over de klifrand verschijnen.Ik grijnsde mijn puntige hoektandjes bloot en mompelde ”Caeh tiz, Vorjuwukuduzh” in het Infernal.

De wacht zag hoe mijn kleine tiefling lichaam te pletter sloeg en zich spieste op de rotsen. “Oej!” en “Aah!” hoorde ik zachtjes van boven aan de klif. Ik keek op en zag hoe een aantal bewakers de hand voor hun mond sloegen. Toen keek ik vanaf mijn positie in de lucht naar het levenloze lichaam dat precies op het mijne leek. “Bah” mompelde ik, “dat ziet er niet prettig uit.” Zachtjes landde ik op twee voeten en drukte mijn lichaam tegen de rotswand, zodat de regendruppels niet op mijn onzichtbare lichaam zouden vallen en mijn positie zouden verraden. Tot mijn genoegen kwam de wacht tot de conclusie dat ze niet konden afdalen in dit gevaarlijke ravijn en mijn dode lichaam maar moesten laten liggen. Na een laatste rochel in het ravijn en een laatste sneer van de honden vertrok het gezelschap. Mijn dode lichaam stond op en we keken elkaar glimlachend aan. Toen viel ze uiteen in een regen van vonken van geel licht. Ik keek toe hoe de lichtflarden op de aarde vielen terwijl ik, nog altijd onzichtbaar, omhoog zweefde langs de rand van de klif. Mijn nieuw herwonnen vrijheid tegemoet.


Sinds die noodlottige dag is mijn geloof in Azathoth nog groter. Zonder hem en de magie die hij mij die dag verleende, had ik dood op de grond van het ravijn gelegen. Of nog erger, dan was ik voor de rest van mijn leven opgesloten geweest. En als er iets is waar ik niet zonder kan... Dan is dat mijn vrijheid.

Met regelmaat bid ik tot Azathoth. Ik voer offeringsrituelen uit in zijn eer. Ik besteel, vervloek en manipuleer in zijn naam. Favoriet zijn de humoristische grappen die ik uit haal met reizigers. Zelf vinden ze het alles behalve leuk, maar ik lach mij telkens weer stilletjes een ongeluk.

Ook een circusbaas die mijn pad kruiste kon het niet waarderen dat ik zijn pronkstuk, een weerzinwekkende dire lion, vast zette op het podium tijdens de show. Ik gebruikte mijn magie om zijn schaduw vast te zetten aan de grond, waardoor het dier zich niet langer van die plek begeven kon. Ik had er de grootste moeite mee om mijn lachen in te houden toen ik zag hoe de circusbaas tevergeefs probeerde het immense dier van het podium te duwen. De show moest echter verder, waardoor de rest van het programma rondom de ondertussen geïrriteerde leeuw werd opgevoerd. Zodra iets of iemand in zijn buurt kwam, klauwde hij er woest naar.

Lol beleven was echter niet de reden van mijn komst naar de circusvoorstelling. Ik had gehoord dat deze circusbaas een bijzonder duivels-uitziende pad in zijn collectie had. Dit had mijn interesse gewekt. Graag leerde ik meer over mijn voorgeschiedenis, over tieflings, duivels en demonen. En de werelden, of dimensies waarin wij van oorsprong leefden. Ik wilde weten of de pad uit een andere dimensie kwam en zo ja, hoe hij hier dan terecht was gekomen.

De jonge tovenaars, van wie ik void magic heb geleerd hebben mij verteld over het bestaan van verschillende planes. Er zijn andere werelden, andere planeten, andere sterrenstelsels. Maar zelfs daar voorbij bestaan er geheel verschillende dimensies van de realiteit, de planes. Elke plane is een eigen universum, met eigen natuurwetten. Wij leven in de material plane. Als voorbeeld gaven zij deblink dogs, welke konden teleporteren tussen de Material en de Ethereal plane. Vanuit mijn jeugd herinnerde ik mij de interacties die we in Azathoth’s leefgemeenschap hadden gehad met opgeroepen duivels, zij kwamen ook uit andere werelden.

Sinds het moment dat de tovenaars mij vertelden over het fenomeen ben ik er op gebrand om meer over planes te leren. Sinds het moment dat Azathoth’s magie mij van een noodlottig einde redde ben ik er op gebrand om door de planes te leren reizen en Azathoth te vinden om me bij hem te voegen.


De volgende dag ging ik terug naar het circus. Alsof ik een doodnormale bezoeker was mengde ik mij tussen het irritante volk van mensen. “Aah mama kijk wat een engerd!” Een smerige mensenwelp wees met haar vingertje naar mij. “Ggggghhh” gromde ik mijn hoektanden naar haar bloot. Het kind begon te huilen en haar moeder trok haar snel bij me weg, met een blik die een mengeling liet zien van woede en angst. Toen ik verder wilde lopen langs de hokken zag ik dat de circusbaas op mij af liep. Die hoge, zwarte hoed herkende ik nog wel van het podium. Onwillekeurig grijnsde ik bij de gedachte aan het fiasco met de dire lion.

“Gegroet jonge dame!” enthousiast nam de man zijn hoed af met een zwaai, om hem vervolg weer op zijn hoofd te zetten. Mijn grijns verdween en mijn wenkbrauwen fronsten zich. Hier had ik dus echt geen zin in. “Wat een prachtige, bijzondere hoorns heb je!” riep hij jolig uit. Ik voelde en zag dat iedere omstander naar ons keek. “Kom kom,” hij wenkte me “ik zou graag iets met je bespreken in mijn tent.” Nieuwsgierigheid nam de overhand en ik volgde de man naar binnen, de grote circustent in.

“Ben je hier al eerder geweest?” vroeg hij joviaal terwijl hij zijn handen in de lucht stook om mijn blik als het ware te dwingen de grote tent beter te doorkijken. Ik bleef hem recht aankijken met een wantrouwende blik. Wat een uitbundig persoon, wordt hij daar zelf nooit moe van... Vroeg ik me af. “Hmmhmm.” gromde ik als antwoord op zijn vraag. “Kom kom, zitten.” Hij nam plaats op één van de publieksbankjes en klopte op het hout naast hem. Ik twijfelde, ik had helemaal geen zin om me te laten koeioneren door deze vreemde man, maar toch wilde ik graag weten wat hij me te vertellen, of te vragen had.

Nieuwsgierigheid nam opnieuw de overhand en ik nam plaats, op gepaste afstand van de man. Hij schoof direct dichter naar me toe. Mijn gezicht betrok maar dat leek hij niet te merken. Hij vouwde zijn handen ineen. “Mensen zoals jij kan ik erg goed gebruiken in mijn circus! We toeren door het hele land en bijzondere verschijningen zoals jij komen en gaan. Ik betaal uitstekend, vraag maar aan mijn medewerkers. Lijkt het je niks om alsjeblieft een tijdje met ons mee te draaien?” Ik lachte hatelijk, al leek het alsof de man dat hatelijke niet door had. “Iek bien een bijzondre verskijning? Hahahaha, iek eb jouw geld niet nodig.” Ik stond op en wilde terug lopen naar de hokken waarin ik hopelijk de duivelse pad zou vinden. De circusbaas stond ook op en zei “Is er dan niets anders dan geld, iets wat je wil?. Misschien kan ik je daar aan helpen.” “Iek eb jouw ulp niet nodig!” siste ik hem boos toe. Toen dacht ik aan de pad. Ik probeerde vriendelijk te glimlachen, het zag er pijnlijk uit. “Klopt et dat u een duivelse pad heeft?” vroeg ik hem om mijn charmantst. Nu keek de enthousiaste vent toch wel wat geschokt. Maar of dat door mijn poging tot glimlachen, of door mijn vraag kwam wist ik niet. Toen veranderde de uitdrukking op zijn gezicht. Er verscheen een ondeugende twinkeling in zijn ogen en hij leek even een klein jongetje. “Ja.” zei hij opgewonden. “Loop om te beginnen één week met ons mee en dan laat ik u de pad zien en vertel u er alles over wat u maar wil weten!” “Ach... Wat ies nou één week. We ebben een deal.” De circusbaas en ik schudde elkaar de hand. “Mooi!” riep hij opgewonden uit. “Hier zul je geen spijt van krijgen!”

“Ceria!” riep hij. Een jong elfenmeisje verscheen bijna direct vanachter de coulissen. “Ja meneer?” vroeg zij. “Dit is onze nieuwste medewerker, laat je haar de caravan zien? En neem je haar daarna mee het dorp in om flyers uit te delen?” “Is goed meneer!”

Al snel leerde ik dat Ceria en ik geen vriendinnen gingen worden. Ze was net zo opgewekt als haar baas en bovendien zo prachtig, met haar lange blonde haren, dat voorbijgangers bang waren dat ik dat arme meisje iets aan zou doen. Naast haar voortdurende gekwebbel hoorde ik de dorpelingen over me fluisteren toen we door de straten liepen. Ik was het gewend om verafschuwd te worden, maar meestal had ik alleen contact met mensachtigen als ik dat zelf opzocht. Omdat ik ze bijvoorbeeld wilde bestelen, of een grap met ze uit wilde halen. Nu was ik gedwongen om achter het vrolijk huppelde meisje aan te strompelen met een stapel flyers in mijn hand. Ceria huppelde van hot naar her om iedere dorpeling van een flyer te voorzien en schonk hen daarbij haar meest charmante glimlach. Ik liep als een donkere grafdelver voor haar uit, met de flyers stijf in mijn hand geklemd en een norse blik op mijn gezicht.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen