Foto bij Sessie 2: The centipede man

- Gebaseerd op een waargebeurde Pathfinder campaign -

Vanuit mijn ooghoek zag ik elfenmeisje in de deuropening verschijnen. Ze moest later achter ons aan gekomen zijn. Ze mengde zich in het uitzichtloze gevecht. “Misskien moeten we ze vangen! Met die urnen!” riep ik na een tijdje en ik probeerde het. Ook tevergeefs. “Auw!” “Auw!” Allemaal liepen we verwondingen op door de zwevende bollen licht. Onheilige goden! Dacht ik. We moeten hier iets op bedenken, anders vertellen we dit niet na. Niet aanvallen, niet vangen... Ik dacht aan de ruimte beneden. Elemental magic, elektrische schokken. Juist! Ik mijn hoofd telde ik 1 en 1 bij elkaar op. “We moeten de urnen beneden in die monden doen!” riep ik! En ik zette het op een lopen.

Ik sprong over de traps heen en plaatste de urn in de dichtstbijzijnde mond. Hij paste precies! Maar zover ik zag gebeurde er niets. Ik haastte mij terug naar de trap, richting boven, om te zien of de andere twee urnen ook onderweg waren. Brock had me niet geloofd en de lichtbollen nog steeds proberen te vangen, maar toen hij zag dat één lichtbol oploste in het niets, vertrouwde hij toch maar op mijn beredenering en joeg keihard met de urn de trappen af.

Zodra we drie urnen hadden geplaatst zagen we een lichte, blauwe elektriciteit om de lippen van de standbeelden cirkelen. Verder gebeurde er niets. Teleurgesteld keken we elkaar aan. Elfenmeisje liep naar de onderkant van de piramide, midden in de kamer en het smalle gat wat zich daar bevond. “Wat zouden we hiermee moeten?” vroeg zij zich hardop af. “Aah!” mompelde Brock, zichzelf iets realiserend. Hij stormde de ruimte uit, terug de trappen op. Ik probeerde logisch na te denken. Urnen. As. Misschien moesten we het verder cremeren? Ik pakte een fakkel van de muur en stak om de beurt de urnen aan. Daarna kwam Brock terug, met het bewusteloze lichaam van baardmeneer en de metalen staaf die hij tussen de skeletten boven had gevonden. Hij legde baardmeneer behoedzaam onder aan de trap en met zijn drieën namen wij plaats rondom het gat in de grond. De staaf paste precies. Brock keek ons beiden even aan en liet toen de staaf vallen. Voor de zekerheid deden we allen een stapje achteruit en maar goed ook.

Een enorme vuurstraal spoot uit het gat en blies de metalen staaf weer naar boven, kletterend viel hij op de grond. De piramide opende zich en er vielen en aantal lijken uit. “Aaah!” Elfenmeisje schrok. Vooral toen ze zag dat één van de lijken zich bewoog. Het levende lijk ging overeind zitten. Toen ze ons zag vroeg ze “Hebben jullie hier in de buurt een kasteel gezien?” Verbouwereerd keek ik mijn metgezellen aan. Wat had dit nu weer te betekenen? Deze dame die er uit zag als een dooie, maar een dame was het zeker. Ze droeg zelfs puntige naaldhakken. Ze klopte de viezigheid van haar jurk en stond op. Ik stapte op haar af en hief dreigend mijn mace. “Wie ben jij? Waarom val jij ier zomaar uit het plafond?!” riep ik. Geen reactie. Brock probeerde contact te leggen. “Weet jij waar het magische boek is?” vroeg hij. “Ja, natuurlijk.” antwoordde de dame. “Vertel ons waar het boek is.” “Nee, dat doe ik niet.” Er viel geen communicatie te voeren met dit geval. “Waarom lag jij daar tussen al die lijken!?” probeerde ik nog een keer. “Is hier echt geen kasteel in de buurt?” was daarop haar respons. “Aahhrrgghh!” gromde ik gefrustreerd, waarbij ik mijn puntige hoektanden ontblote. “Charm person.” sprak te vrouw terwijl ze mij in de ogen keek. Ik voelde me licht worden in mijn hoofd en viel de vrouw giechelend om de hals. “Haha, wat ben je grappig. Lekker slapen tussen de lijken, hahahaha.”

- Sjoef - En daarna hoorde ik geknetter. “Oh dit werkt ook!” Elfenmeisje had ondertussen geprobeerd of elektriciteit-magie effect had op de urnen. En ja, ze knetterden. Blauwe vonkjes vlogen in de rondte boven de eerste en daarna ook de tweede en de derde urn. “Ik zou maar even aan de kant gaan, mevrouw.” zei Broc, die de metalen staaf pakte en weer naar het gat in de stenen vloer liep. Ze sloeg mijn arm van haar schouder en we namen allemaal dekking, tegen de muren van de kamer. Brock liet de metalen pijp los en rende ook vlug naar de muur. - Sjoef! - Een bliksemstraal sloeg vanuit het gat in de piramide, die opnieuw opende. En wat viel daar nu uit? Een gigantisch, vierkant, slijmerig ding! Het leek wel een half-doorzichtige dobbelsteen van 2 bij 2 meter groot! Het ding rolde om, Brock kon nog net op tijd wegspringen om niet opgeslokt te worden door deze gigantische gelatine.

We gingen ten aanval! Elfenmeisje bleek toch ook best van pas te komen toen ze een formidabele donderwolk opriep, van waaruit de bliksem keihard in het puddingmonster sloeg. We zagen dat er een schroeiplek ontstond. Dat kan ik ook! Dacht ik. Ik keek recht naar het monster, “Fury kyddh”. Ik voelde hoe het gloeiend heet werd in mijn buik. Gelukkig kunnen tieflings goed tegen hitte, anders was het misschien best pijnlijk geweest. De hitte verspreidde zich van mijn maag, naar mijn keel, ik grijnsde boosaardig en opende mijn mond “Aaaaaghhhh!”. Vuur zo rood en heet als het hellevuur waarmee Azathoth’s smid zijn zwaarden smeed, spoot in een gigantische spiraal uit mijn mond. De vuurkegel verzwolg het wezen compleet. In mijn hoofd zag ik het al smelten, of beter, vlam vatten en vergaan tof stof. “Huhhhh....” ik inhaleerde diep om weer wat zuurstof binnen te krijgen en de vlammenzee verdween. Mijn trotse blik vertrok toen ik zag dat het monster er bijna ongedeerd vanaf was gekomen. Er waren enkel wat kleine brandplekjes zichtbaar.

De dooie mevrouw had tot aan nu tegen de muur gestaan en haar mond geluidsloos bewogen, alsof zij spreuken uitsprak zonder dit hardop te doen. Blijkbaar had zij door dat het niets uithaalde want ze stopte en stapte op het monster af. Zodra haar hand, met lange, gelakte vingernagels, de kubus aanraakte bevroor hij. IJskristallen verplaatsten zich vliegensvlug, als vliegen over een karkas, vanaf haar hand over het gehele wezen. Toen viel het om. Boven op haar! “Nee! Mijn vriendin!” riep ik geschrokken uit. Zonder twijfel hief elfenmeisje haar handen en liet de donderwolk een bliksemstraal uitspuwen. - Petsj! - In honderden stukjes viel het monster uit elkaar. Een duizelige dame kwam er onder vandaan. Opgelucht haalde ik adem en snelde naar haar toe, om haar overeind te helpen.

“Wahwaah” we keken opzij. We waren allemaal vergeten dat elfenmeisje altijd een dodo bij zich had. Volgens mij vergat ze dat zelf ook constant. De dode pikte tegen een metalen bal. Brock liep er op af. “Die viel net uit het slijmpie, dat is zeker zijn kern.” Hij raapte het op en zowel hij als de dodo verdwenen in het niets. De metalen bal viel met een harde - boink - op de stenen grond en lag abrupt stil. Ik schrok, wat was er gebeurt!? Even waren we allemaal te geschokt om te reageren. Daarna liepen we voorzichtig naar de mysterieuze bal en pakten hem op. We zagen een soort knop, die we indrukten, waarnaar ook wij teleporteerden.



“Nee, hij is nu van mij!” - Woesj! - We zagen nog net hoe Brock een gigantisch tweehandig zwaard, wat we nooit eerder hadden gezien, liet neerkomen op iets wat er uit zag als een geest. - Krrraak! - Het stenen altaar waar de schim op had gestaan spleet doormidden door de kracht van het zwaard. De gedaante stapte achteruit, alhoewel, hij had geen benen maar stompjes zag ik tot mijn schrik. De gedaante was vleselijk geworden en werd direct doorkliefd door een tweede slag van Brocks nieuwe zwaard. De beenloze man was op slag dood. Vol bewondering keek Brock naar zijn nieuwste verovering. “The magicians judge” las hij vol bewondering voor. Achter hem zag ik de vitrinekast waar hij het zwaard uit moest hebben gehaald. “Ik heb wat geld en een scrol gevonden.” riep de dooie vrouw die zich over de dode tovenaar heen boog. Tegen een andere muur zag ik een boekenkast, aha, ik liep er heen. “Wie was die man?” vroeg Elfenmeisje aan Brock. “Een tovenaar.” antwoordde hij. “Hij verscheen toen ik dit zwaard pakte en wilde dat ik hem terug gaf. Maar ik wilde hem houden.”

In de boekenkast zocht ik in eerste instantie naar boeken over planes, of misschien over duivels en demonen. Maar deze vond ik er niet. Wel vond ik een magisch kookboek, wat vast en zeker hét boek was waarvoor we door de Gentleman op deze quest waren gestuurd. Ook vond ik een klein dagboekje wat ik halverwege open sloeg. Het was van de tovenaar. Zijn geschiedenis stond er in beschreven. Klaarblijkelijk werd hij opgejaagd door een premiejager, een heksenjager. Hij had de benen van de tovenaar verwijderd, maar toch wist de tovenaar hem daarna nog te slim af te zijn en had hij het zwaard waarmee zoveel heksen en tovenaars waren vermoord meegenomen als prijs. Ik vertelde de anderen wat ik gevonden had. “Maar hoe komen we hier nu weg?” vroeg Brock zich hardop af. Automatisch keken we naar de plek waar we terecht waren gekomen na onze teleportatie, maar de metalen bal lag er niet. Die was zelf niet mee geteleporteerd. Ook was er nergens een deur zichtbaar. Ik begaf mij richting het vernietigde altaar en trachtte de runen die er in gekerfd waren te lezen. “Volgens mij is dit een teleportatie altaar.” zei ik. “Ohnee en die heb ik kapot gemaakt!” riep Brock geschrokken uit. “Laat mij maar.” zei elfenmeisje, waarna ze haar handen op het altaar legde en deze met behulp van haar magie repareerde. Hierna activeerde ze het altaar en teleporteerden we met zijn allen.


- Woetsj! - Met een zachte bonk kwamen we neer. Het teleporteren was een aparte ervaring. Eerst voelde het alsof je lichaam onnatuurlijk, pijnloos, uit elkaar getrokken werd. Misschien in allemaal losse moleculen? En dan kwamen ze met een klap weer samen op bestemming. Het was moeilijk te beschrijven.

Ik keek om mij heen en herkende de oude ruïne waarin we stonden. Hier hadden we de pad en het dwergenmeisje de vorige dag bevochten. Het onthoofde lichaam van de pad lag een paar meter verderop. “Nieuwe sporen!” riep Brock, die direct op onderzoek was uitgegaan. We volgden de voetafdrukken richting het meer. Halverwege kwamen we nog een ander uitziend paar voetafdrukken tegen, die ons spoor haaks doorkruiste.

Eenmaal aangekomen bij het meer zagen we hoe de voetafdrukken leidde naar de waterkant. Aan de driehoekige vorm op het strand te zien waren ze daar in een sloep gestapt en was de eigenaar weggevaren. “Kom, we gebaren naar die boten dat ze ons op komen halen.” zei de dooie vrouw. Zij en elfenmeisje begonnen richting de boten in de verte te gebaren. “Iek wiel die andere sporen nog volgen.” zei ik en ik draaide me om. “Ik ook!” Brock kwam achter me aan. “Wij gaan gewoon hoor, we wachten niet!” hoorde ik de dooie dame nog roepen. Ze deden maar, ik vond mijn nieuwe vriendin vanzelf wel weer. En van het elfenmeisje was ik liever af.

Het duurde niet lang, of Brock en ik waren het tweede paar voetafdrukken weer op het spoor. We volgden ze over het eiland, verder het woud in. “Shhhtt...” fluisterde ik en ik gebaarde naar Brock dat hij me moest volgen. We hurkten achter het struikgewas neer. “Kijk daar.” Fluisterend wees ik in de verte, naar een kalm kabbelend beekje. “Eten!” zei Brock enthousiast. Een grote vogel stond te drinken. Ze boog steeds haar hoofd, nam een klein slokje en keek vervolgens omhoog, om het koude water haar keeltje in te laten glijden. “We pakken dr!” Brock probeerde al op te staan om er op af te rennen, maar ik trok hem terug op zijn hurken. “Wacht! Zal ik maiself gewoon ontzichtbaar maken, ernaartoe lopen... En haar grijpen?” vroeg ik. Brock fronste eventjes dom zijn wenkbrauwen en glimlachte daarna, “Ja, ja dat is best een goed idee.” Ik glimlachte sluw terwijl ik Brock in de ogen keek en langzaam op ging in mijn omgeving tot hij me niet langer zag. - Splets, splets, splets - Zo zachtjes mogelijk sloop ik van achter op de vogel af. Toen greep ik haar bij de nek, trok mijn ritual knife en sneed haar de keel door, nog voordat ze enig geluid had kunnen maken. Ik werd weer zichtbaar en glimlachte sluw. “Ik ga een vuur maken!” hoorde ik Brock roepen. Ik nam de vogel mee uit het water en legde het bij de plek waar Brock hout aan het neergooien was. Toen bekeek ik onze vangst pas beter, van de voorkant, ik zag het gezicht. Ik schrok er een beetje van. Dit was duidelijk niet zomaar een vogel. Het zag er bijna menselijk uit. Een soort half-mens, half-vogel. Een klein kind met veren en een snavel? Toen viel mijn oog op iets dat aan de waterkant lag. Ik liep ernaartoe. Het was een klein capeje, met een even klein mesje erop. - Ratsj! - Brock de vleugel van het wezentje af, begon de veren er uit te trekken en roosterde het boven het vuur. Ik deed met hem mee. We aten heerlijk.


Op de terugweg naar het meer kloven we nog steeds aan de vogel-mens-botjes. Het oneetbare hoofdje had ik in mijn tas gedaan. Weer aangekomen bij het water zag ik dat de boot met daarop de dame en het elfenmeisje al vertrokken was en ondertussen een kilometer uit de kust vaarde. Ik dacht aan mijn ring of water walking en deed een poging. Ja, als ik wilde kon ik gewoon over het licht golvende wateroppervlak heenlopen. Al kluivend rende ik op de boot in de verte af. Brock zwom met me mee. Opnieuw verbaasde ik me er over dat hij zo goed kon zwemmen. En vuur maken. En vechten. En raadsels oplossen. Aan die Brock had ik echt wat.

Aangekomen bij de boot stapte ik met het grootste gemak aan boort en plofte neer in de hoek, om te genieten van mijn gebraden vogel. De dame zat me met zuur gezicht aan te kijken, ik had dat niet door. Toen zag ik de angst in de ogen van de schipper, die als zijnde een beschermend wapen zijn peddel op mij richtte. Mijn voldane blik veranderde in een soort glimlach, wat de man zonder dat ik het doorhad extra angst in joeg. Ik gooide mijn afgekloven bot over boord en haalde een nieuwe uit mijn tas. “Lekere vlees.” zei ik, enthousiast naar de man knikkend. Ik stond op en liep op hem af. Hij richtte de peddel op me, die duwde ik met een zachte aanraking aan de kant. Ik nam een hap van het vlees “Lekker lekker.” zei ik en ik duwde het bevleesde bot, waaruit één klein, rond hapje was genomen, in zijn hand. Ik keek hem met grote ogen aan, aanmoedigend knikte ik hem toe. Uit pure doodsangst nam hij toen een minuscuul hapje. Tevreden glimlachte ik en ging vervolgens weer zitten aan de andere kant, voorop, de boot. Toen klom ook Brock de boot in, waardoor deze bijna kantelde.

Vanaf mijn plek voorop de boot had ik goed zicht op de boot een heel eind voor ons, die uit dezelfde richting leek te komen. Ik stond op. “Kwaam die boot van het eiland?” ik keek mijn metgezellen aan. “Uhh... J-ja... Volgens mij wel.” antwoordde de bange schipper die vol afschuw naar Brock had staan kijken, met zijn verder onaangeroerde stuk vlees nog steeds in zijn hand. Brock daarentegen zat te smullen, net zoals ik daarnet had gedaan. “Misskien is de persoon waarbij de voetstappen horen wel op die boot!” Ik keek de schipper aan, “Sneller!” We volgden de boot naar de haven van het dorp.


Naarmate we de haven naderden viel ons de oranje flikkering op in de lucht. Brand. Het bootje dat wij hadden gevolgd was al aangelegd en lag verlaten dobberend op het water. Zodra we dicht genoeg bij de kade waren sprongen we van de nog varende boot en renden op de oorzaak van de vlammenzee af. Het was chaos, weg vluchtende dorpelingen duwden ons, en wij hen, aan de kant. De herberg stond ik lichterlaaie. Vuur. Prachtig. Ik genoot van de aanblik en sprong dwars door de brandende voordeur als eerste naar binnen.

Er stond een gedaante binnen, met zijn raar me toe. Al dat ik zag was zijn zwarte mantel en de kap die hij droeg over zijn hoofd. Ik werd onzichtbaar en sloop geruisloods op hem af. Al dat hij hoorde was het geknetter van het vuur dat hem omringde. Mijn oog viel op zijn handen en het zwaard dat hij bij zich droeg. De huid van zijn handen leek te bewegen, te kronkelen, te krioelen. “Seuruzfid syieal” fluisterde ik bijna geluidsloos. Een spirituele chakram verscheen achter de gestalte in de lucht. Gelijktijdig sloegen mijn magie en mijn mace op hem in. Zodra mijn heavy mace de gestalte raakte zag ik hoe de vier stenen imp’s die bovenop mijn mace zaten tot leven kwamen. Ze sloegen met hun vleugels, krapte en beten de gedaante met hun scherpe nageltjes en tandjes. Toen versteenden zij weer.

De verraste gedaante draaide zich met een ruk om en trok zijn zwaard. Zijn eerste uithaal wist ik af te weren met mijn mace. Op dat moment dat onze wapens elkaar kruisten, stond ik oog aan oog met de vijand. Ik kon mijn ogen niet geloven. Dat de huid op zijn handen leek te krioelen had ik goed gezien. Schuilgaand in de schaduw van de kap zag ik een gezicht, dat bestond uit honderden, nee duizenden krioelende duizendpoten. Wat wás dit wezen? - Woesj! - hoorde ik langs mijn oor. Brock was te hulp geschoten en sloeg met zijn axe op het monster in. Als laffe konijnen zag ik dat de twee andere dames uit ons gezelschap bij de deurpost bleven treuzelen. Zag ik dat goed? Brock’s axe doorkliefde de romp van het monster. Zijn gewaad scheurde open en de onderliggende duizendpoten werden zichtbaar. En daar waar Brock’s zwaard door de duizendpoten trok, zagen we een onderliggende laag, krioelend van de pissebedden en maden. Ik was niet snel onder de indruk, maar nu toch zeker wel, van dit uit ontelbaar krioelende beestjes bestaande wezen.

“Aaahhh!” Brock en ik slaakten gelijktijdig een gil toen het zwaard van het duizendpoot-monster een dikke jaap trok door Brocks linker arm. Ik greep mijn linker arm vast van de pijn. Oja, ik had Brock gezegend met de spreuk Shield other, waardoor de witte gloed en het warme gevoel waren ontstaan. Die orc had al zoveel voor mij betekend. En vechten kon hij zo goed. Het had me verstandig geleken om de damage die hij op zou lopen over ons tweeën te verdelen. Dan hoefde ik hem niet constant te healen, maar kon ik mijn healing spells gemakkelijker gebruiken, op mijzelf. Al was dat tot aan nu niet nodig geweest. “Voroyrlid myidulq!” riep ik, terwijl ik vliegensvlug, vanuit een kleine flacon een rode druppel op mijn arm liet vallen. Mijn rode ogen gloeiden rood op en direct voelde ik de pijn in mijn arm verzachten. Het had zijn voordelen om een duivels wezen te zijn. De komende minuten zou ik automatisch steeds weer wat levensenergie herwinnen, totdat de pijn compleet zou zijn verdwenen. Ik grijsde “Aaahhh!!!” Met een strijdkreet haalde ik weer uit met de mace, terwijl mijn magische chakram opnieuw op zijn doelwit afvloog. Raak! Met mijn mace. De chakram vloog helaas over de gedaante heen toen hij snel bukte.

Onheilige goden! Dat ging net goed. Het vijandig zwaard schampte pijnlijk mijn been, maar deed gelukkig niet veel damage. Ik schrok van de houten speer die langs mijn oor suisde en de arm van de vijand doorboorde. Het elfenmeisje had zich gemengd in het gevecht. Vanuit mijn ooghoek zag ik de dooie dame weer raar, geluidsloos staan mompelen, wat ook nu geen effect leek te hebben. Alhoewel. Het leek wel alsof de verdediging van het monster steeds slechter werd, we raakten hem steeds gemakkelijker.

Met een ruk schoot de vijand naar boven, de lucht in, daar bleef hij zweven met zijn rug tegen het plafond. Net buiten ons bereik. Alhoewel, zo leek het op eerste gezicht. Brock daarentegen smeet zijn axe op de grond, sprong met zijn volle gewicht op één van de brandende tafels, die bijna bezweek, en mepte het wezen met zijn zwaard uit de lucht. The magicians judge bleek een magisch zwaard, wat magie kon doorbreken. Hopeloos viel de van zijn krachten beroofde gedaante op de grond. Ik sprong er bovenop om hem neer te houden. “Daze” hoorden we een vrouwenstem. De dooie dame hief haar hand op en het monster, dat zojuist nog had proberen op te staan, bleef roerloos liggen. We sloegen op hem, of haar, of misschien gewoon het, in. Omdat de beestjes de wonden die wij trokken direct weer sloten was het moeilijk te zien of de vijand damage opliep, maar dat moest toch wel? Brock en ik waren beiden vrij gewond. Gelukkig had ik Infernal healing uitgesproken over mijzelf waardoor ik iets aan levenskracht herwon maar het wezen was erg sterk. Als hij me nog één keer hard zou raken... Gelukkig had ik nog een geheim wapen achter de hand, voor het geval dat mijn levensenergie toch totaal zou worden uitgeput.

Wat gebeurde er nu? De kluwe duizendpoten, die ik nog steeds tegen de grond probeerde te duwen, begon over mij heen te lopen. Over mijn armen en benen klommen ze omhoog. Ik stond op en probeerde de beestjes van me af te slaan. Ze klommen naar mijn gezicht! Ik sloeg mijn handen voor mijn oren en neus en sloot mijn ogen en mond, om de beangstigende situatie te voorkomen dat ze allemaal bij mij mijn lichaam in zouden kruipen! Azathoth zij dank. Ik voelde hoe de beestjes zich los van me maakten. Ik opende mijn ogen end e gedaante stond recht voor mij. - Zwoesj!- Zowel een houten speer als een magisch zwaard doorboorden het wezen van achter. Als een knappende zeepbel viel hij uit elkaar. De duizendpoten, pissebeden en maden renden en kropen weg naar alle kanten en verdwenen tussen de rokende kieren en plinten van de houten herbergvloer.

Adrenaline gierde door mijn lijf. Nog meer dan gedurende het gevecht. Ik maakte mijzelf onzichtbaar en trok mijn ritual knife. Met bloeddorstige, onzichtbare ogen liep ik richting de deur, waarnaast ‘mijn vriendin’ stond. Ik greep haar van achter bij haar keel en duwde mijn knife tegen haar halsslagader aan terwijl ik weer zichtbaar werd. “Wil je dat NOOIT meer doen?!” schreeuwde ik woedend in haar oor. “Mij nooit meer beheksen!!” woedend keek ik haar van over haar schouder aan. “Oké.” zei ze doodkalm. “Gggghhrr...” ik ontblote woest mijn tanden en liet haar los. Met mijn knife nog in de hand liep ik naar buiten, het nog steeds brandende gebouw uit.


Furieus keek ik om mij heen. Ik liep naar het water en maakte mijzelf onzichtbaar. Toen bedacht ik me en liep de honderd meter terug naar de brandende herberg. De anderen waren ondertussen naar buiten gekomen. Ik sloop naar de dodo toe, raakte hem aan en direct verdween hij voor mijn ogen. Ik giechelde zachtjes. Zo, ik had mijn frustraties toch kunnen uiten. Elfenmeisje zou zich dood ongerust maken als zij haar, onzichtbare, dodo nergens kon vinden. Toen liep ik terug naar het water, kleedde mij uit en nam een verfrissende duik. Toen Brock de plons hoorde kwam hij blijkbaar op een idee, want enkele seconden later zag ik ook hem het water in duiken.

Na de korte duik kleedde ik mij weer aan en maakte mijzelf opnieuw zichtbaar. De dames stonden nog steeds voor de brandende herberg. “Onee!” riep elfenmeisje uit. “Fritz!” ze werd niet begrepen aangestaard. “We hebben Fritz bewusteloos achtergelaten in de grot!!” verschrikt sloeg zij haar handen voor haar mond. Ohh, de gekke professor, met de baard bedoeld ze. Wauw dacht ik, dat ze daar nu pas achter komt. Dan zal het ook wel een tijd gaan duren voordat ze haar dodo mist. “Ach die vindt zijn weg vast zelf wel.” sprak de dooie vrouw.

Ik merkte dat ik wankel op mijn benen stond, doordat ik ondanks mijn healing spell veel bloed verloren had gedurende het gevecht. Brock sloot zich weer bij ons aan. Ik zag zijn verwondingen, die waren schoongespoeld door het water, maar direct weer hevig bloedden. “Laat iek ons snel genezen.” zei ik. De dooie dame antwoordde daarop, “Nee, doe dat maar niet.” Boos keek ik haar aan. “En waarom dan niet?” vroeg ik uit de hoogte. “Dat vind ik niet zo fijn.” antwoordde zei. Met haar vervloeking van mij nog vers in het hoofd grijnsde ik vuil naar haar en sprak “Cmillyd ylyrqh”. Ik gaf een golf van positieve energie vrij via mijn holy symbol. Een groene edelsteen met daarin een doodskop, welke ik opgespeld droeg op mijn zwarte sjaal. “Aaaahh!” De dode dame sprong verschrikt een aantal meter achteruit. “Cmillyd ylyrqh” herhaalde ik nogmaals. De dame stond, gelukkig voor haar, net buiten bereik. Brock en ik zuchtte ontspannend, alle pijn was abrupt verdwenen. De dooie zakte door haar knieën en ging geschrokken zitten op de grond. Onbegrijpelijk keek ik haar aan. “En wil jij, dat nooit meer doen?” vroeg ze mij toen, woedend aankijkend. Het was duidelijk dat mijn magie haar ernstig had bezeerd. Hoe kon dat nou? Dit was een genezende spreuk. Ze stond weer op. Brutaal keek ik haar aan. “Misschien zal iek het niet meer doen, als jij me te vriend houdt.” zei ik toen. Ik grijnsde mijn hoektandjes weer bloot. “Hugh...” gromde de vrouw. Boos sloeg ze haar armen over elkaar. We keken elkaar een tijdje stilzwijgend aan. “Ignis” siste ik toen, terwijl ik haar boosaardig in de ogen bleef kijken. Mijn rode ogen gloeien op. Rood licht liep in snelle straaltjes vanuit mijn ooghoeken naar mijn sjaal. Als een inktvlek verspreidde het licht zich over mijn sjaal, die het licht leek op te nemen, waarnaar hij weer donker werd. Toen draaide ik mij om en liep weg. “Iek ga slapen.” riep ik nog over mijn schouder.


Brock was me weer naar mijn caravan gevolgd. Het was helemaal niet mijn bedoeling dat hij nu elke keer bij mij bleef slapen. Maarja de herberg was zojuist afgebrand, hij brandde trouwens nog steeds, maar dat was niet mijn probleem. En ach, Brock begon ondertussen wel een beetje mijn maatje te worden, dus wat maakte het uit. Ik liep mijn caravan in en genas mijzelf compleet, terwijl Brock zijn plaats in het bed alweer claimde. De bakkersfamilie, de duivelse pad en het dwergenmeisje, de Gentleman, het duizendpoot-monster... De vele vragen die ik er over had duizelden me. Morgen zouden we de Gentleman opzoeken, als hij nog te vinden was tenminste. Misschien was zijn ruimte onder de herberg ook wel afgebrand. En de circusbaas dacht ik. Die wil ik nog steeds bevragen over die duivelse pad, misschien weet hij meer. In mijn hoofd beleefde ik de avonturen van de laatste dagen opnieuw, daarna viel ook ik in slaap.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen