De opeenvolgende dagen waren ongemakkelijk. Ik geloofde dat we er beiden niet bewust voor gekozen hadden, maar toch was er een plotselinge afstandelijkheid tussen ons twee verschenen. Hij zat die ochtend na het incident niet naast me bij het ontbijt, en al zaten we bij de spelletjes die ochtend in een team, praatten we weinig. De woorden die wel gewisseld werden waren koeltjes en beleefd. Geen geplaag, geen melige opmerkingen en al helemaal geen intieme gesprekken. Ik wist zeker dat hij wist dat hij me gekwetst had, en dat ergerde me alleen maar meer omdat hij er niks aan deed het goed te maken. Tijdens de bezoekjes aan het strand zat hij bij de leiding en zat hij voortdurend in een notitieboekje te schrijven. Hij had continu een gezichtsuitdrukking op zijn gelaat alsof hij hoofdpijn had, maar dat wilde verbergen. Ik was een paar keer wakker geworden in de nacht, en zijn bed leeg aangetroffen. Hij was vast weer op een van zijn stomme nachtelijke wandelingen, als dat überhaupt wel was wat hij deed. Ik wist niet of het het nachtelijke incident was geweest dat er voor had gezorgd, of zijn plotselinge afstandelijkheid, maar ik begon opeens aan alles te twijfelen van wat hij me in het verleden verteld had.
En dan was er ook nog Mert, de jongen van het schetsboek. Ik had nog steeds geen idee wie hij was en wat voor rol hij in Keyon’s leven speelde.

Maar, ik was nooit echt een volhoudend persoon geweest. Na drie dagen kon ik de stilte al niet meer aan, en wilde ik niet meer boos op Keyon zijn. Ik kon het nooit lang volhouden om boos te zijn op mijn vrienden, en ik was altijd degene die maar sorry zei al was het niet mijn schuld, om zo maar van de ruzie af te zijn.

Ik wist Keyon even alleen te krijgen toen hij tijdens het avondeten naar de wc moest.
‘Keyon!’
Ik holde achter hem aan en greep hem bij de pols. Hij draaide zich verschrikt om, en keek me met grote ogen aan.
‘Ik kan hier niet tegen. Kun je me alsjeblieft vertellen wat er met je aan de hand is, en kunnen we dan alsjeblieft weer terug naar hoe het eerst was? Ik... ik haat de gedachte dat jij aan het lijden bent, en dat ik daar niks vanaf weet.’
‘Nee, dat kan ik niet,’ zei hij kortaf. ‘Je zult het toch niet begrijpen, en een nog ergere afstandelijkheid kan ik niet aan. Het is al erg genoeg zo.’
‘Hoe weet je dat ik het niet zal begrijpen?’ vroeg ik gepikeerd. Ik was echt niet dom, en ik stond echt voor veel open. Het kon me niks schelen als hij een afwijking had, zolang hij die maar niet zo van me verborgen hield.
‘Omdat niemand dat doet. Jij zult alleen maar denken dat ik lieg, dat het waanvoorstellingen zijn, of dat ik aandacht wil.’
Voordat ik er iets tegenin kon brengen had hij zich al losgerukt en was hij de wc ingestormd.
Toen ik die nacht in bed lag wenste ik dat ik het hem nooit had gevraagd, omdat ik nu alleen nog maar erger verward was. En, blijkbaar zag hij me dus aan als iemand die niets beter was dan zijn klasgenoten, of zijn onbegrijpende, ongeïnteresseerde pleegouders.

De volgende avond, toen ik op het punt stond in bed te stappen, zag ik een briefje op mijn kussen liggen. Als in een film raapte ik het op, en las wat er op stond:

Yoeri, ik mis je. Ik ben bereid je uit te leggen wat er met me “aan de hand is”. Zou je me bij het pad naast het kamp huis willen treffen? Trek wat warms aan, want het kan even duren. Zorg alsjeblieft dat je alleen bent. Ik kan me niet veroorloven dat er iemand meeluistert en misbruik van de informatie gaat maken. Begrijp dat dit mij veel moeite kost.
-Keyon


Jeetje, dat klonk allemaal erg heftig. Als mijn brandende nieuwsgierigheid eerst een vlam was geweest, was het nu een bosbrand. Ergens voelde ik medelijden, dat hij zo ongelofelijk paranoïde was om iets, waarvan ik me niet kon indenken dat het werkelijk zo erg was, te vertellen.
Ik schoot snel in een joggingsbroek en trok mijn jack aan.

Keyon’s rode krullen waren niet lastig te spotten in het donker, en ik beende gauw op hem af.
‘Hey.’
Hij antwoordde niet, maar keek schichtig om zich heen en wenkte me toen.
‘Waar gaan we naartoe?’
‘Nergens,’ zei hij. ‘Gewoon wat verder weg dat niemand ons kan horen.’
‘Is het echt zo erg?’ flapte ik er uit.
‘Ligt er aan wie het hoort. Ik vertrouw je, en al ga ik er niet van uit dat je het in één keer snapt, vertrouw ik er op dat je er geen misbruik van zal maken.’
‘Natuurlijk niet. We zijn vrienden. Ik wil helemaal geen misbruik van jou maken, wat het ook is waar je mee zit.’
We kwamen bij een bankje aan, en ik zag dat Keyon’s handen trilden, en niet van de kou. Hij ging zitten en begon meteen zenuwachtig met zijn knie te wippen. Hij leek ontzettend in tweestrijd, en ik had medelijden met hem omdat hij zo gekweld leek.
Nadat ik na hem was neergestreken, klopte ik hem even op zijn schouder.
‘Je mag de tijd nemen,’ verzekerde ik hem. Ik zag in dat ik hem op zijn gemak moest stellen, en dat dit echt lastig voor hem was. ‘Ik zal je echt proberen te begrijpen, wat het ook is.’
Hij knikte en grinnikte even nerveus. Hij streek met zijn bleke vingers door zijn haren en likte langs zijn lippen.
‘Kalm aan,’ verzekerde ik hem. Het kwelde me dat hij zo níet op zijn gemak was, alsof hij me niet vertrouwde.
‘Ik neem aan dat je nog nooit van een dissociatieveidentiteitsstoornis gehoord heb?’ vroeg hij. Hij keek ernstig.
‘Een wat?’
Een pijnlijke zucht verliet zijn lippen, en hij sprak de volgende woorden uit alsof ze zwaar tegen zijn zin waren: ‘Maar ik neem aan dat je wel eens een film hebt gezien waarin iemand... meerdere persoonlijkheden heeft? Daar... ehm, daar komt het op neer, een soort van.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen