. . .


Juanita haastte zich haar tent in en greep haar spullen bij elkaar. Niet alles, gewoon genoeg om het een paar dagen vol te houden. Ze overwoog om Adelita een brief te schrijven om uit te leggen dat ze tijd nodig had om wat dingen op een rijtje te zetten, maar deed het uiteindelijk niet. Er was geen tijd. En ze wist niet of ze de vrouw nog steeds kon vertrouwen.
      Juanita had tegen haar gelogen. Ze had haar verteld dat haar familie dood was, vermoord door het kartel. En nu was haar broer hier, levend en wel. Hij zou een einde maken aan alles wat haar nieuwe leven was geworden. Ze knipperde de tranen die haar zicht verblindden weg. Niet nu. Ze moest zichzelf eerst in veiligheid brengen. Adelita was een geweldige vrouw die de eenzamen met open armen ontving, maar ze was allergisch voor leugens en Juanita wist uit eerste hand hoe ze met verraders omging.
      Of degenen die ze als verraders beschouwde.
      Ze hing haar tas over haar schouder en verliet de tent. Duisternis had de plek overgenomen, waardoor Juanita zich in de schaduwen kon verbergen. Uit de voorraadtent nam ze een fles water en wat voedselpakketjes. De schuldgevoelens negeerde ze. Als ik was gebleven, zou het me toch gegeven zijn, vertelde ze zichzelf.
      Zonder nog om te kijken verliet Juanita het kamp dat jarenlang als haar thuis had gevoeld, zonder te weten of deze plek nog steeds een plaats in haar toekomst had.

. . .


Coco voelde zich alles behalve veilig op deze afgelegen plaats. Dit hele kamp was gevuld met pijn en angst en een beklemmende vorm van toewijding en meedogenloosheid. Hij had zo veel kinderen gezien, allemaal jonger dan zijn eigen kinderen moesten zijn. Al die lege blikken en uitgehongerde lichamen lieten rillingen langs zijn rug glijden.
      Hij voelde zich moreel verplicht om deze mensen te helpen. Deze overblijfselen van gebroken families waar hij deels verantwoordelijk voor was. Zijn motorclub steunde het kartel. Goed, ze hadden niet zo veel keus, maar het voelde nog steeds verkeerd en zwak, en nu direct zien wat een ellende het Galindo kartel had veroorzaakt, bracht de pijn nog dichterbij.
      Ze konden niet langer hun ogen ervoor sluiten en zich in onwetendheid wentelen.
      Coco keek naar de aantrekkelijke jonge vrouw die aantallen opsomde. Het aantal mensen waarvoor ze zorgde, het geld dat ze nodig had om al deze monden te voeten. Hoewel Angel het woord voerde, ontging geen enkel woord hem. Coco sloeg alles wat hij hoorde op en nam zich voor om de situatie te evalueren als hij thuis was. Wat ze ook zouden doen om deze mensen te helpen, hun plannen moesten doordacht en waterdicht zijn. Als zijn broeders hun geheime agenda ontdekten, hingen Angel, Gilly en hij.
      Ze spraken zeker een uur lang terwijl Coco sigaret na sigaret opstak. Af en toe stelde hij een vraag, maar hij luisterde vooral en probeerde het grotere plaatje helder te krijgen. Deze nieuwe samenwerking – als het werkelijk zover kwam – moest iets zijn waar ze allemaal van profiteerden.
      Toen het gesprek afgelopen was, besloot Coco een stukje te rijden. Hij wilde over dit alles nadenken voordat hij het met zijn broeders zou bediscussiëren, zodat zijn eigen mening niet beïnvloed zou worden. Hij vertelde Angel en Gilly dat hij hen later vanavond zou zien, nadat hij alle informatie had verwerkt die hij vandaag gehoord had.
      Een paar minuten later reed hij over een van de afgelegen weggetjes door de Yuha-woestijn. De maan was het enige licht dat de weg bescheen en de koele avondlucht hielp hem om tot zichzelf te komen. Een klein vuurtje rechts van hem trok zijn aandacht en hij besloot een kijkje te nemen. Het rebellenkamp was nog steeds vlakbij, waarom zou iemand ernaast gaan kamperen? Het zou een vijand kunnen zijn die Adelita’s mensen van een afstandje in de gaten hield, of misschien ontdekte hij wel iets wat alles wat de vrouw hen net verteld had ontkrachtte. Hij klom van zijn motor en verliet de weg. Droge planten knispereden onder zijn zware laarzen toen hij in de richting van het kampvuur liep.

. . .


Juanita staarde naar de sterren. Ze had een laken om zich heen gewikkeld, hoewel de warmte van de vlammen toereikend genoeg was. Het knappen van het vuur stelde haar gerust. Beelden uit haar verleden drongen haar geest binnen. Ze kon zichzelf horen lachen terwijl Ezekiel, Angel en zij marshmallows in het vuur hielden op een zomerse avond, terwijl hun ouders zachtjes achter hen op het terras zaten te praten. Ze zuchtte diep, ze miste deze tijden nu meer dan ooit. Deze tijden waarin alles normaal was, toen geen van hen nog iets wist van het geheim dat hun vader voor hen verborgen hield en wat hun gezin uiteindelijk uit elkaar zou rukken.
      Een krakend geluid links van haar trok haar uit haar herinneringen vandaan. Ze draaide haar hoofd opzij. Haar hele lichaam verstijfde toen ze het silhouet van een man onderscheidde. Onmiddellijk greep ze haar pistool en richtte dat op hem.
      ‘Een stap dichterbij en ik knal je kop eraf,’ snauwde ze.
      ‘Ey meis, relax,’ antwoordde de ander, zijn stem beheerst alsof het geweer hem geen zorgen baarde.
      ‘Wat moet je?’
      ‘Vroeg me gewoon af waarom om een meissie als jij hier in d’r eentje zit.’
      Juanita haalde diep adem en probeerde de plotse kou van zich af te schudden. Een meisje als zij zou niet in haar eentje in de woestijn moeten zitten, dat wist ze zelf ook wel. En mannen als hij waren daar de reden voor.
      ‘Het gaat je geen reet aan wat ik hier doe. Sodemieter op.’
      De man hief zijn beide handen omhoog in een gebaar van overgave, maar hij stapte nog steeds dichterbij. Juanita klemde haar kiezen op elkaar en vervloekte zijn koppigheid. Het was te donker om zijn gezicht te kunnen zien, om het gevaar te kunnen inschatten en ze zou geen risico’s nemen.
      Ze had hem gewaarschuwd.
      Ze liet haar pistool van zijn borst naar zijn been zakken en vuurde.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen