Foto bij 206. - Lucien

Er gebeuren een paar dingen. Alle drie de vrouwen roepen hun schok en/of afschuw uit. De koningin schiet overeind uit haar stoel en gooit daarbij een glas wijn om, die in bloedrode straaltjes over het bureau en vervolgens de stenen vloer loopt. In blinde woede grijp ik het glas en gooi het vlak langs mijn vaders hoofd tegen de muur, waar het in duizend glitters uiteen spat. Eén van de grotere stukken glas kaatst terug en trekt een rode lijn over mijn vaders jukbeen. Op geen enkele manier laat hij het zien dat hij het voelt. Zijn ijsblauwe ogen zijn op mij gericht. Koud. Vast besloten.
Ik zie alleen maar hem. Hoor alleen maar zijn krankzinnige woorden. Het idee dat Eschieve met de Portugese prins zou trouwen maakt me ziek. Het is mijn woede die me overeind houdt.
"Over. Mijn. Lijk." sis ik.
"Dit is geen beslissing die jij maakt, zoon."
"Moet jij eens opletten." Ik been naar hem toe, weet me nog maar net in te houden als ik hem bij de nek wil grijpen en hem net zo hard tegen de muur wil gooien als ik zojuist deed met het glas. Mijn handen tintelen. "Als dit doorgaat, ligt die jongen naast Darragh in het graf."
"Als jij niet zo stom was geweest om mee te gaan in dit plan was er niks aan de hand geweest!" spuugt de koning.
"Dat is geen reden om haar uit te huwelijken aan een familie van moordenaars!"
"DAT HAD JE JE EERDER MOETEN BEDENKEN!"
"Ça suffit!" Mijn moeder is net op tijd, ik had op het punt gestaan om de man voor me een klap te verkopen. Op dit moment is hij niet mijn vader, hij is niet eens mijn koning. Hij is mijn ergste vijand. "Lucien, ga zitten. Jacques, jij ook." Haar stem trilt, iets dat heel erg uit karakter is voor de eeuwig kalme koningin. Met overduidelijke tegenzin gehoorzamen we. Voor geen moment verbreken we oogcontact met elkaar. Naast me zie ik Emmeline aarzelen of ze me een hand moet aanreiken. Ze doet het niet.
Madeleine haalt een keer diep adem. En nog een keer. "Hoewel dit geen keuze is die Lucien maakt, is het zeker een beslissing waar ik wat over te zeggen heb." Ze probeert mijn vader aan te kijken, die nog steeds naar mij kijkt. En dan. "Jacques Lotharius Hugues, kijk me aan of ik zweer in de naam van God de Almachtige dat je dit verdomde koninkrijk vanaf dit moment alleen mag negeren!"
Er valt een zware stilte, waarin mijn vader de gratie heeft om enigszins beschaamd naar zijn vrouw te kijken. Maar die blik wordt al snel weer vervangen door vastberadenheid.
"Dit is míjn dochter die je uithuwelijkt. Een kind dat ik je gegeven heb. Ik zal niet toestaan dat je haar zonder overleg met mij aan een ander koningshuis trouwt!"
"Ze was al aan het Portugese koningshuis vergeven." zegt mijn vader met dusdanige koelheid dat mijn nekhaar er recht van overeind gaat staan. "Daar was jij mee akkoord. Ik val simpelweg terug op onze eerdere overeenkomst."
"Die hele overeenkomst is ineen gevallen toen ze mijn familie aanvielen!" snauwt Madeleine.
"Eschieve trouwt met de Portugese prins!" schreeuwt mijn vader. "Dat is mijn beslissing en daar zullen jullie het mee moeten doen!" En dan, op zachte lage toon gericht naar mijn moeder: "Haal je geen dingen in je hoofd, vrouw. Je hebt jouw macht omdat ik toesta dat je hem hebt. Laat me daar geen spijt van krijgen."
De wachters zijn sneller dan ik, voorbereid op de bekende woede-uitbarstingen van de prins. Drie van hen grijpen me bij mijn armen voordat ik een kans heb om Koning Jacques de nek om te draaien.

Ik word opgesloten in één van onze talloze gastenvertrekken. Om 'af te koelen'. Ik koel niet af. In plaats daarvan sla ik het meubilair aan stukken en overweeg serieus om de ruiten te breken en in de gracht te springen. Het idee dat ik mijn geliefden dan achterlaat met de man die zich mijn vader noemt, weerhoudt me.
Uiteindelijk lig ik, omringt door brokstukken, op het bed. Mijn bovenkleding heb ik me ergens halverwege mijn tirade van ontdaan. Met een scherp stuk hout van een van de meubels rijt ik gedachteloos het matras aan stukken. Buiten gaat de zon onder en komt de maan op. Er komt niemand binnen. Ik hoef niemand te zien. De maan gaat onder en de zon komt op. Ik lig in een wirwar van hout, veren en stro. Ik heb niet geslapen. De zon wordt bedekt door dikke wolken en de regen ramt tegen de ramen. In de holklinkende kamer galmt de donder dusdanig door dat het doemsdag het kunnen zijn. Daardoor hoor ik de deur niet opengaan. Ik hoor de voetstappen niet. Ik had me wezenloos moeten schrikken toen mijn moeder ineens naast het bed stond. Ik voel echter niks.
Haar ogen zijn rood en gezwollen. Diepe kringen onder haar ogen. Gehuild en meer gehuild. Haar meisjes hebben hun best gedaan om haar er vlekkeloos uit te laten zien, maar sommige dingen kan je niet verbergen. Nu lijkt ze echter kalm.
"Darragh Byrne is dood." zegt ze.
"Mooi." zeg ik na een paar seconden.
Ze komt op de rand van het bed zitten, al is er niet veel meer van over. De helft van de dingen die ik hier heb gedaan kan ik me niet eens meer herinneren. Ik ril. Madeleine zucht, denkt een deken te pakken maar die lijkt niet meer te zijn dan repen en vodden stof, en trekt dan haar fluwelen cape los van haar schouders om hem over mij heen te leggen. "Je hebt nogal huisgehouden." Haar stem is zacht, vrij van oordeel.
"Het was het meubilair of de koning."
"Dat meen je niet."
Maar we weten allebei dat dat wel zo is. Misschien op dit moment niet meer, maar gisteren...
"Hij had je niet moeten beledigen."
"Dat is niet aan jou, Lucien."
"Wat had ik dan moeten doen, het gewoon moeten accepteren? Mam, hij huwelijkt Eschieve uit aan Portugal! Ik kan amper naar haar kijken zonder her te beleven wat ik heb ged- wat we hebben meegemaakt, laat staan als ze met hem trouwt..."
Ze haalt een hand door mijn krullen, alsof ik weer een kind ben. Ik sluit mijn ogen en stel me voor dat dat inderdaad zo is. Vandaag is de realiteit echter te hard en koud om me door de fantasie op te laten slokken.
"Ik ga proberen hem op andere gedachten te brengen. Tot die tijd is het beter dat jullie het er met zijn tweeën niet over hebben."
"Als hij je nog eens beledigd, hou ik me niet in."
Ik hoor een glimlach in haar antwoord. "Deed je dat gisteren wel dan?"
Ze blijft haar hand door mijn haar halen. Ik wil niet dat het moment eindigt.
"Je moet Emma opzoeken, en je zoon. Ze maakt zich zorgen... Maar ik heb haar sterk aangeraden om niet langs te komen. Je zou zelf wel terug komen als je er klaar voor was."
Ik knik en duw mezelf overeind. Ik hang de cape weer om mijn moeders schouders. Hij rijkt tot ongeveer haar middel en geeft haar zo iets koninklijks dat ik vermoed dat het is om de koning te ergeren.
"Je t'aime, maman."
Ze haalt voor de laatste keer haar hand door mijn krullen en kust mijn voorhoofd. "Je t'aime. Jusqu'à la fin des temps."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen