Foto bij Hoofdstuk 24

Helaas ben ik ziek, dus mogelijk geen nieuw hoofdstuk morgen. Of juist wel.

Mijn hoofd doet pijn terwijl ik doelloos naar het lege plafond staar. De ruimte om me heen is wit en het enige wat ik heb is een bed. Uiteraard zorgen ze ervoor dat ik iedere dag een maaltijd krijg, maar toch voelt het niet fijn. Het voelt niet veilig. Het voelt niet thuis. Waarom moest ik dit ook alweer doen? Oh ja, omdat mijn broer zich in de problemen genesteld heeft en me smeekte om zijn taak over te nemen, tijdelijk. Eerlijk gezegd, denk ik dat hij me vergeten is. Of hij wil tenminste niet meer dit leven leiden. Als hij me niet komt halen en ik kom hieruit, ik zweer, ik maak hem af. Ik hoor de roep van mijn vader en ga meteen rechtovereind zitten. Hij komt binnen en ondanks dat hij oud is, ziet hij er gezond uit. Zijn grijze, onverzorgde haar steekt alle kanten uit en zijn grijze ogen staan vol wijsheid en nieuwsgierigheid. Hij doet me een beetje denken aan Albert Einstein.
'Klaar voor de volgende behandeling, Max?' vraagt hij.
Ik knik. Het is raar om te horen hoe je bij een andere naam genoemd wordt dan de naam die je werkelijk hebt. Het is eigenlijk best apart dat je eigen vader je niet herkent, ik zou willen dat hij dat wel deed.
Hij brengt me naar de ruimte waar alle experimenten plaatsvinden en ik ga liggen op het bed. Ook hier is alles volledig wit, niks anders. Naast het bed staat een tafel met allemaal van die flesjes met gekleurde vloeistoffen. Voor de zekerheid maken ze me vast met een soort banden, zodat als er iets gebeurd, ik anderen, of mezelf, niet kan verwonden. Een vlijmscherpe spuit houdt een van papa's collega's vast. Het is gevuld met een soort groene vloeistof en ze spuiten het in mijn bloed. Even voel ik me niet zo goed. De ruimte om me heen draait en ik zie zwarte vlekken, maar die trekken weer weg. Papa brengt me weer naar de ruimte en vertelt wat ze in mijn lichaam hebben gespoten, hoewel ik er niks van begrijp. Hij vertelt ook dat het ongevaarlijk is, maar wel zou hij het fijn vinden als er ineens vreemde dingen gebeuren. Straks groeit er nog een staart uit mijn reet, wat me eigenlijk best leuk lijkt. Ik ga op mijn bed liggen, starend naar het plafond met een bonkend hoofd. Dan zie ik dingen verschijnen op de witte muur die er niet horen. Een vrouw en een man, samen met een kind. Meteen herken ik het paar. Max en mijn vrouw, Elizabeth. Is dat mijn dochter? De tranen springen in mijn ogen en ik huil mezelf in slaap.

Die dag erop word ik wakker en voel ik een storm van woede en frustratie in me razen. Ik moet het papa vertellen. Ik moet vertellen dat ik niet Max ben. Zo hard mogelijk begin ik op de deur te bonken en te schreeuwen om aandacht.
'Alsjeblieft!' smeek ik. 'Ik ben Max niet!'
De deur gaat open en papa staat in de opening.
'Het komt door de stof die je gister hebt gekregen,' probeert hij me gerust te stellen. 'Kom, dan gaan we. Ik heb zo een verjaardag dus ben niet tijdens het toedienen. Maar maak je geen zorgen, als er iets met je gebeurd, kom ik zowel meteen.'
Ik stribbel zoveel tegen als maar mogelijk is, maar het lukt niet. Uiteindelijk slagen de professors er wel in me vast te krijgen. Ik probeer mezelf los te maken, maar het lukt niet. Papa vertrekt en ik zie hoe de mensen die op dokters lijken met een spuit een vreemde, paarse vloeistof in mijn lichaam spuiten. Meteen bevries ik en voel ik hoe al mijn spieren weigeren te luisteren. Ik sluit mijn ogen om de rare vlekken erop te verbergen en voel me niet goed worden. Onder mijn armen krijg ik pijnlijke steken en ik begin onregelmatig adem te halen. Mijn hoofd doet nog meer pijn dan vooraf en heb het gevoel dat ik aan het vallen ben in een gat zonder einde. Allemaal rare prikkels verspreiden zich over mijn lichaam, die ineens langer voelt. Ook mijn ogen doen pijn en ik voel me anders. Vreemd, anders. Sterker. Ik open mijn ogen en breek de banden die me vast hielden zonder moeite. Ik sta op en pak een van de onderzoekers vast bij zijn keel terwijl ik heb hoog in de lucht houd. Hij snakt naar adem en smeekt me te stoppen. Maar ik luister niet. Ik voel me rechtvaardig.
'Waar woont mijn broer?' grom ik en ik ben even verbijsterd van mijn eigen stem.
'H-H-Hommelstraat 13.' stamelt hij. Ik grinnik en span mijn vingers nog een beetje aan, tot ik een knak hoor. De man begint te hoesten en te proesten en allerlei rood bloed komt uit zijn mond. Zijn huid wordt langzaam spierwit en hij begint zich steeds minder te verzetten. Ik krijg een beetje bloed op mijn lichaam, maar het maakt me niet uit. Ik laat hem vallen en draai me om naar de andere onderzoekers. Tijd om ook een eind te maken aan hun levens.
Zodra ze allen dood zijn, hoor ik een alarm afgaan. Er zullen nog wel een paar in de beveiligingsruimte zijn, maar gelukkig heb ik een paar vrienden die wel uit zijn op wat rechtvaardigheid. Ik loop naar de kooien voor de mutanten en bevrijd ze. Meteen verspreiden ze zich. Ze vermoorden iedereen die ze op hun weg tegenkomen.
'Je had dit nooit moeten doen,' mompel ik alsof mijn broer het kan horen. 'Je hebt hiermee een oorlog ontketend. Ik kom je halen. Het is tijd voor mijn wraak.'

Reacties (1)

  • AmeranthaGaia

    Wow, heftig. Ik snap op zich wel dat hij boos is, maAR DOOR DIE OORLOG VAN JOU IS ELMAREL IN STOF OPGEGAAN

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen