Foto bij 2 Ballast

Louis twijfelt. Zou hij zijn nieuwe ‘vriend’ Harry achterlaten om dan eindelijk te kunnen doorwandelen richting de top van de berg of blijft hij toch nog even bij hem? Eigenlijk vindt hij de gedachte van een andere trekker bij hem niet zo aangenaam, dat is immers niet waarom hij in dit prachtige stukje natuur is. Louis wacht even en tuurt naar Harry die ook over de rots heen klimt en zich weer overeind trekt.
“Blijven we samen?” Het klinkt als een luchtige vraag, maar dat is het niet helemaal. Louis’ zachte kant vindt het moeilijk om deze man aan zijn lot over te laten. Hij is niet de meest ervaren klimmer, dat is duidelijk.
“Dat is jouw beslissing. Ik ben slechts ballast voor jou.” Harry ademt een paar keer diep in wanneer hij naast Louis gaat staan en hem een eerlijke blik geeft. “We zijn eigenlijk beiden vertrokken met het doel om alleen met onszelf naar boven te gaan, of zit er hier nog ergens een vriendinnetje verstopt?” Louis kan niet lachen om die grap aangezien Harry even vergeet dat niet iedereen op vrouwen valt. Hij tuurt kort naar de inmiddels heldere hemel en heft zijn rugzak weer op zijn rug.
“Dat zeker niet.” Zou hij de nieuwkomer alleen durven laten? “Ik trek even door. Ik zie je vanavond wel op de top.” Hij aarzelt even en draait zich terug om. Die rugzak van Harry is wel erg licht… “Heb je zelfs een tent bij?” De groene ogen van de man verbergen niets wanneer hij grijnzend zijn hoofd schudt. Waarom heeft hij geen tent bij? “Je weet toch hoe koud en winderig het op de top is?” De verbazing en bezorgdheid is meteen merkbaar in Louis’ stem. Hij merkt het zelf op en probeert zijn gezicht nog wat mannelijk te houden.
“Eigenlijk is dit mijn eerste trektocht. Ik had nood aan stilte.” Daar hadden ze beiden nood aan en toch zijn ze allebei die felbegeerde stilte aan het doorbreken. “Je moet je niet veel aantrekken van mij.” Die zin knaagt aan Louis; zou hij de man dan toch alleen achterlaten?
“Het is echt heel dom om zomaar een berg te gaan beklimmen…” Zijn blauwe ogen staren even naar de berg voor hem. Alleen zou hij binnen twee uur boven zijn. “Ik ga verder. Ik klim een uur verder en wacht op je. Verlies me niet uit het oog, niet alle paadjes zijn hier gemakkelijk.” De man knikt enthousiast en hijst zijn rugzak ook op zijn rug. Hoe kan hij zo naïef zijn?
Louis klautert en puft en geniet van de vermoeidheid die in zijn lichaam kruipt. Af en toe gaat hij kort zitten op een rots terwijl allerlei gekke levensvragen door zijn hoofd schieten. Het is gek hoe irrelevant de wereldse problemen lijken wanneer je alleen in alle rust je vereenzelvigt met de kracht van de natuur. In de verte ziet hij een stipje, dat zal vast Harry wel zijn. Louis wil niet vloeken, maar die jongen had hier echt niet mogen zijn. Hij verpest de zorgeloosheid en vrijheid hier op de berg. Het enige waar hij aan kan denken is dat de man zal vallen en zo in het ziekenhuis belandt. Of dat hij serieus ziek wordt daarboven op de top van de berg… Waarom is hij zo bezorgd? Het zit in hem, vermoedt hij. Hij haalt kort zijn schouders op en steekt zijn drinkbus weg om verder te trekken. Wat maken al die kleine onbelangrijke ‘tegenslagen’ in het leven nog uit wanneer je dit kan doen? Al die roddels en vooroordelen zijn van kleine waarde wanneer je streeft naar diepgaandere zaken. Louis’ horloge piept plotseling. Het is een teken dat het uur voorbij is en dat hij zich weer moet neerzetten. Hoe snel kan zo’n uur voorbij gaan? Zonder aan de tijd te denken, kijkt hij naar het geweldige landschap voor zich uit en geniet hij. Hij weet dan ook niet hoe lang het precies duurt voordat er krullerige haren en heldergroene ogen zijn zicht komen blokkeren.
“Ik weet echt niet waarom ik dit zelfs doe”, Harry hijgt terwijl hij zijn rugzak neergooit en langs de uitgeruste Louis gaat zitten.
“Je had vast wel een reden om heel onbezonnen een berg te gaan beklimmen.” Het klinkt rustig ook al bevat die zin een verwijt. Harry drinkt met stevige teugen van zijn waterfles.
“Ja, ik was het allemaal kotsbeu. Dit is absoluut zalig! Kijk dat uitzicht…” Daar zijn ze het dan wel over eens. Louis sluit kort zijn ogen wanneer hij vogels in de verte hoort kwetteren. “Luister je…?”, het klinkt twijfelachtig dus opent hij zijn ogen weer.
“Zeker. We zijn bijna aan de top, ik zal je vergezellen.” Zonder te smeken om extra rust, staat Harry mee op en neemt hij zijn lichte rugzak weer op zijn rug. Bij Louis kost dat net iets meer moeite.
“Wil je dat ik jouw rugzak draag? Je hebt al veel voor me gedaan”, en hij zal waarschijnlijk nog veel meer voor de man gaan doen. Louis schudt koppig zijn hoofd en geeft hem een blik.
“Jij bent al vermoeid genoeg. Kom, we gaan voordat het straks donker is.” Harry knikt met een verbaasde (of is het verwonderde?) blik in zijn ogen en volgt in stilte de kleinere maar knappe man. Genietend van zijn onaangekondigd avontuur.
“Je bent zo ervaren”, Harry puft achter Louis aan. De berg voor hen wordt steeds steiler en steiler waardoor ze inmiddels soms met hun handen naar extra ondersteuning zoeken. “Hoe lang doe je dit al?” Vanuit Harry zijn positie is het niet af te leiden of Louis blij met die vraag is, of niet.
“Sinds ik afgestudeerd ben. Minstens jaarlijks.” Even lijkt het alsof hij meer zou zeggen, maar dat doet hij niet. Harry zet een tandje bij en klimt tot op gelijke hoogte.
“Waarom alleen?” Louis stopt even en trekt een verraste blik als een paar groene ogen hem plotseling aankijken. Er is een intense sfeer, de man moest het eens weten…
“Omdat ik dat nodig heb. De wereld is een sleur van klachten en miserie. Deze berg klaagt niet, zaagt niet, is prachtig en vermoeiend.” Intussen wordt het pad minder steil en wandelt de kleinere man al voor de nieuwsgierige krullenbol uit.
“Je hebt volkomen gelijk, maar wat als er iets gebeurt?” Harry beent Louis opnieuw bij. Terwijl de avond valt, lijkt de top dichterbij dan ooit.
“Kan ik jou niet diezelfde vraag stellen?” Het klinkt luchtig, maar op een of andere manier is het ook een valse vraag. Louis sluit zich af van Harry, die nu het gevoel krijgt niet helemaal welkom te zijn hier. Het is lang stil. De rustige maar snijdende stilte wordt pas weer doorbroken door een opgeluchte zucht van Louis als ze op een vlak stuk bij de top staan. Hiervoor zijn ze een hele dag onderweg geweest. De benen van beide mannen schreeuwen naar rust en voordat ze het weten liggen ze beiden op de grond, starend naar de donkere diepte.
“Mijn wilde idee leidt dus toch nog tot mooie dingen”, de hese stem verrast Louis die met een schorre stem antwoordt.
“Ik hoop dat je de natuur bedoelt.” Harry begint te lachen en speelt wat met zijn drinkbus. Misschien mag Louis hem dan toch wel. De man heeft namelijk een heel zorgeloze en diepe lach en die is aanstekelijk. “Sorry, dat is de vermoeidheid.”
“Ben jij dan…?” Groene ogen staren Louis nieuwsgierig aan. Louis houdt zich van de domme, zoals hij wel vaker doet om zijn vel te redden.
“Ben ik wat…? Aantrekkelijk? Dat maak ik zelf niet uit.” Hij glimlacht het weg en staat op om de tent op te zetten zodat ze voor het donker tenminste droog en afgeschermd van muggen liggen. Na een korte aarzeling blijft de man met de wilde bos krullen en bosgroene ogen toch zitten waar hij zit.

Louis schermt zich af, terecht? En wat gebeurt er nog op de bergtop?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen