I was always the Queen, It was you who added Evil to my name.


      Mijn kamer is gevestigd op de tweede verdieping, aan de achterzijde van het huis en ik ben niet het kleinste beetje verbaasd over hoe het er uit ziet. Het is een soort van knap dat je een thema zo ver door kan trekken, om eerlijk te zijn. Het straalt geen warmte uit, het voelt niet als een kamer waar ik me enorm thuis ga voelen, maar ik kan wel in een oogopslag zien dat alles van de beste kwaliteit is. Ik zal geen ongemak kennen, dat is zeker.
      Het hemelbed tegen de linker muur is van het formaat driepersoons, met minstens zeven kussens uitgestald tegen het hoofdeinde. De dekens zijn, evenals de dramatisch gedrapeerde gordijnen rond de spijlen, van een wederom donkergroene variant in dit geval echter rijkelijk omlijnd met een gouden patroon. De gordijnen langs de hoge ramen zijn uit dezelfde stof gesneden en hangen open, waardoor ik zicht heb over de snel donker wordende achtertuin. In hoeverre ik dit kan zien, want hun grenzen liggen verder dan het oog reikt.
      Er staat een enorme kledingkast recht tegenover me, tussen twee ramen in, waarin mijn kleding al keurig is uitgestald, de koffers nergens meer te bekennen. Een uit hetzelfde donkere hout opgetrokken dressoir staat tegen de achterkant van mijn bed en huisvest extra dekens en kussens. De rechter muur heeft in de verste hoek een deur, welke leidt naar mijn eigen badkamer. Op de een of andere manier is het een opluchting dat deze alleen vanuit mijn kamer kan worden betreden. Al met al heb ik het bij zowel de Notts als de Flints slechter voor elkaar gehad.
      Het is ondertussen half elf geweest en ik ben moe, wat vermoedelijk komt door alle spanning die deze dag met zich mee heeft gebracht. Nadat mijn ouders waren vertrokken heb ik nog een uur met Lucius en Narcissa in een zitkamer gezeten om thee te nuttigen. De eerste had me enkel gade geslagen met een nietszeggende blik, terwijl zijn vrouw me in conversatie hield. Ze had me voornamelijk dingen over de Manor verteld. Over diens wijnkelders, het aantal hectare om het huis heen en een stukje historie wat me weinig had geïnteresseerd. De tuinen hadden mijn interesse meer gehad, nieuwsgierig naar alle plekken waar ik heen kon om te ontsnappen aan de kilte van het huis.
      De tuinen zelf kan ik zien vanaf waar ik momenteel sta, voor het middelste hoge raam van de drie in mijn kamer. Ook hier ligt wit grind, omlijnd met hoge heggen waarin, zo heb ik me laten vertellen, albino pauwen hun huisvesting vinden. Ik kan er geen enkele ontdekken op het moment, maar de schemer is ondertussen overgegaan in de nacht, een flinke drie kwartier eerder dan thuis het geval zou zijn geweest. Dit heeft waarschijnlijk alles te maken met het wolkendek wat de sterren aan mijn zicht onttrekt.
      Het grindpad is de scheidingslijn van de tuin, welke aan weerszijden hiervan synchroon is opgesteld. Twee enorme fonteinen vinden zich in het midden van een lager heggenlabyrint, waarvan de ingangen zowel te midden van het hoofdpad, als aan de kant van het huis dichtbij de achterdeur liggen. Achteraan buigt het hoofdpad zich af naar zowel links als recht, maar ik kan vanaf hier niet precies zien waarheen. Wanneer je rechtdoor zou lopen zou je het begin van een bos betreden, iets wat er in het donker niet per se uitnodigend uitziet. Toch weerhoudt het iemand niet.
      Zijn pas is van de zekere soort en waarom ook niet? Dit is eveneens zijn grond en hij weet nog niet wat hem te wachten staat wanneer hij zijn vader onder ogen komt. Misschien zou dat een hapering opleveren in zijn tred. Misschien ook niet, want iets zegt me dat hij heel goed weet wat hij over zich heen heeft gehaald door niet aanwezig te zijn. Het lijkt hem niet veel te doen, want nonchalant lijkt de enige manier om zijn houding te omschrijven.
      Haren van een witblond wat gewoonweg afsteekt in het donker, dat is wat ik vanaf hier kan zien. Hij is te ver weg en het is te donker om zijn gezicht te kunnen plaatsen, maar zijn postuur is rank, zonder vrouwelijk of mager of zwak te zijn. Hij heeft een bezem over zijn schouder liggen, wat de vraag wat hij aan het doen was grotendeels beantwoord. Ik sta als versteend en volg iedere stap die hij dichter naar het huis zet, uitgeschakeld door een mengeling van nieuwsgierigheid en de zweem van naderend onheil welke ik niet kan onderdrukken. Steeds komt hij dichterbij en ergens is er de hoop dat hij op zal kijken, zodat ik kan zien of hij werkelijk op Lucius lijkt. Of hij de blauwe ogen van zijn moeder heeft. De permanente sneer van zijn vader. Mijn hart lijkt te stoppen wanneer hij het doet.
      Hij is op het punt dat als hij vijf passen zou zetten, ik hem niet meer zou zien, waarschijnlijk nog tien stappen van het huis verwijdert. Draco houdt halt alsof hij zijn doel heeft bereikt, kalm en heel doelbewust en dan heft hij tergend langzaam zijn hoofd. Zijn blik vind die van mij en houdt deze zo'n drie seconden vast, drie seconden waarin ik mijn adem scherp inhoudt. En dan is hij weg. Het is alsof ik met mijn ogen heb geknipperd en de plek waar hij stond is leeg. Maar ik heb niet met mijn ogen geknipperd, hier ben ik zeker van, en dan nog zou dat niet genoeg tijd zijn om vijf passen te zetten. Mijn adem ontsnapt me dan ook verrast en ik stap nog net een fractie dichter naar het raam, alsof ik hem dan weer zal ontdekken. Niets. Er is niets.
      Kippenvel ontspruit zich op mijn armen en in mijn nek en mijn hele wezen is zich op slag bewust van zijn aanwezigheid, nog voor ik zijn ademhaling achter me hoor of het attenderende schrapen van zijn keel kan plaatsen. Met een zwier draai ik me om en vind Draco Malfoy te midden van mijn kamer.


Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen