Foto bij Sessie 3: De jacht op de drows

- Gebaseerd op een waargebeurde Pathfinder campaign -

Na een prima nachtrust te hebben gehad, ontwaakte ik nog voor de zon opkwam. Brock lag nog luid snurkend naast me in bed. Stilletjes verkleedde ik mij, sloop mijn caravan uit en ging op pad. De wachters lieten mij passeren zonder enige woordenwisseling. Ik liep door het cellencomplex tot ik hem zag. “Circusdirecteur! Circusdirecteur wordt wakker!” siste ik het hoopje mens toe. Er kwam beweging in. “Huhhh... Wat moet dat zo vroeg?” klonk het kreunend. “Iek ben het, Immora’ez. De tiefling die bij je werkte.” antwoordde ik. Toen hij omrolde om naar me te kijken en langzaam overeind ging zitten vroeg ik hem “Waaroem ben jij ier?” “Om alles wat er gebeurd is... Ik ben de directeur. Dat maakt mij verantwoordelijk.” “Maar jij had er toch niets mee te maken verder?” “Nee, dat niet.” We keken elkaar even aan. “Vertel mij over die duivelse pad.” droeg ik hem op. “Waar kwam die vandaan?” “Die pad? Dat was echt een prima wezen. Hij verrichte goed werk. Ik ben hem tegen gekomen in een moeras, hij sloot zich bij ons aan.” “Maar was ij niet echt duivels dan?” vroeg ik beteuterd. “Nee dat denk ik niet.” Van dat antwoord baalde ik. “En dat dwergenmeisje? Waarom nam hij haar dan mee?” “Geen idee.” “Vertel mij over dat dwergenmeisje.” “Ach dat was zo’n lief kind. Ze kon prachtig zingen en maakte iedereen altijd aan het lachen.” Schuldgevoel maakte zich van me meester toen ik dacht aan onze gewelddadige reactie op de grappen van het meisje, met haar dood ten gevolg... Ik realiseerde me dat ik niets bruikbaars te weten zou komen, wenste de circusdirecteur veel sterkte en maakte mij vlug uit de voeten.



“Baardmeneer!” riep ik verrukt uit. Ik liep over het marktplein, op hem, Brock en elfenmeisje af. “Je bent er weer!” ik hief verbaasd mijn handen. “Ik heb ook een naam hoor.” zei Baardmeneer. “Oké.” antwoordde ik hem. “Doe mij er ook maar één!” riep ik naar de verkoopster achter het dichtstbijzijnde marktkraampje, die iets verkocht wat leek op gespietste rat. Brock was er al flink van aan het smullen. “Dat wordt dan vijf zilverstukken.” antwoordde de vrouw. “Waaattt!?” riep ik woedend uit. “Iek hoorde u net tegen hem zeggen dat het maar vier zilverstukken kostte!” boos wees ik naar Brock. Het vrouwtje schrok van mijn woede en mijn boosaardige scherpe hoektandjes. “Uhhh.... Ik... D... Ja, vier zilverstukken alsjeblieft.” stotterde ze. Ik lachte mijn liefste glimlach, die haar enkel meer angst aanjoeg, en gaf haar vier zilverstukken. “Dank u wel.” Brock pakte ondertussen zijn tweede spies uit de kraam. Het vrouwtje fluisterde hakkelend iets over vier zilverstukken per stuk.... Niet onbeperkt... Maar ze durfde het niet zo hard te zeggen dat de angstaanjagende orc en tiefling het konden horen.

- Burb - ik boerde luid nadat ik de laatste hap van mijn spies had doorgeslikt en zei “Iek ga naar de Genleman.” voordat ik weg liep richting de afgebrande herberg. Er was weinig meer over van het nog na smeulende pand. De muren van de begane grond stonden nog half overeind, maar de bovenverdiepingen waren compleet naar beneden gestort. De keldertrap was bedekt door puin en zware houten balken. Ik liep naar het luik waardoor we de eerste keer waren binnengekomen, toen we de Gentleman bezochten. Ik zwaaide het luik open en klom naar binnen. De twee reusachtige wijnvaten stonden er nog. Het vat met de geheime deur naar de ruimte van de Gentleman stond wagenwijd open. Ik liep naar binnen. Er was niets of niemand te bekennen. Enkel het bureau waar de man aan gezeten had en een aantal stoelen, waarvan sommigen waren omgevallen in de haast om weg te komen. Na de tweede teleurstelling van vandaag liep ik terug naar het clubje op de markt.

“Hij is weg.” zei ik boos. “Ja duh, wie blijft er nou in een fikkend gebouw?” vroeg de nog steeds etende Brock. “Ja wat nu dan?” mopperde ik. “Lagen er nog drugs?” vroeg de Baardmeneer. “Nee, alles was weg.” “Oh...” mompelde hij teleurgesteld. “Maar bij de bakker liegt nog wel die zak, waar iek et sikkellogo uit heb gesneden.” antwoordde ik om hem op te vrolijken. Dat werkte. De gekke-professor-twinkeling verscheen weer in zijn ogen. “Kom! Daarnaartoe!” enthousiast liep hij weg, wij volgden.


Eenmaal aangekomen bij de bakkerij zagen we dat de ramen en deuren waren dichtgespijkerd. Zonder enige moeite trok ik de houten planken aan de kant en stapte naar binnen. Alles lag er nog net zo bij, zoals we het na ons laatste bezoek hadden achtergelaten. “Ahaaah!” riep Baardmeneer verrukt uit nadat hij zich langs me heen had gewurmd, en de betreffende zak bespeurde op de grond. Hij nam er een monster van mee, in een klein, doorzichtig zakje. - Hiehiehieeehhh - we hoorden gehinnik en hoefgetrappel. Toen we ons naar buiten haasten zagen we drie ruiters met speren op ons af stormen. Brock stond klaar met getrokken zwaard. “Wat moeten jullie hier?!” riep de commandant streng uit zodra hij ons voldoende genaderd was. “Hebben jullie de herberg in brand gestoken?!” “Waat?!” riep Brock boos uit. “Wij hebben juist geholpen om de aanstichter te verjagen!” “Ja!” viel ik hem bij. “Er was een insectenman, in kap en mantel, zijn hele lichaam leek te krioelen en te bestaan uit allemaal kleine beestjes. Hij eeft het vuur aangestoken en wij ebben hem bevochten!” “Waarom sta jij dan met getrokken zwaard?” vroeg de commandant argwanend aan Brock. “Omdat jullie met paarden en speren op ons af rennen!” kaatste hij terug. Twijfelend richtte de commandant en zijn soldaten hun ogen op mij. “Een insectenman zeg je? Hahaha. Waarom zou ik dat geloven? Kijk naar jullie! Is er ergens een normaal persoon hier in de buurt met wie wel te praten valt?” dit laatste schreeuwde hij, terwijl hij om zich heen keek over straat. Elfenmeisje stapte naar voren en zei “Ze spreken de waarheid, zo is het echt gegaan.” “We hebben zelfs nog helpen blussen!” riep Brock erachteraan. Sukkel! Dacht ik, als hij doorheeft dat dat een leugen is gelooft hij de rest ook niet meer. Maar gelukkig geloofde hij het wel.

“Waarom zijn jullie in het dorp?” vroeg Elfenmeisje. “We zijn op zoek naar een man die zichzelf de Gentleman noemt.” “Oh, waarom dan?” vroeg ik nonchalant. “Omdat hij een drow is, een dark elf, en wij zijn in oorlog met zijn land, ons buurland. Bovendien hebben wij ten oren gekregen dat hij zich met onzuivere zaken bezig houdt. “Waarom ebben jullie oorlog met het land van de drows?” vroeg ik. “Dat gaat jullie niets aan.” “Iek wil weten waarom jullie in oorlog zijn!” riep ik uit, maar ik kreeg geen respons. “Hej, wat nou als wij hem voor jullie opsporen?” vroeg Brock. “Watteee, wat schuift dat?” “Veel goud.” antwoordde de commandant. “En als we het dan hebben over veel goud, over hoeveel goud hebben we het dan?” vroeg Brock grijzend. “Als jullie het daar over willen hebben, dan kan dat met de kamerheer in Zadash, de grote stad. Er is nog een tweede drow, waarnaar we opzoek zijn. We hebben vernomen dat hij zich mogelijk schuilhoud in de grot, halverwege de route vanaf hier naar de grote stad.” “Geef ons jullie paarden.” zei ik, “Dan gaan we naar de grote stad om met de kamerheer te praten en vangen daarna die twee drows.” De commandant begon te lachen. “Onze paarden? Hahahaha, je bent niet goed wijs!” Ach, het had een kleine kans van slagen maar ik had het in ieder geval geprobeerd. “Dan kaan we wel liften naar die stad.” Ik begon de richting van de grote stad op te lopen. “Jullie kunnen ook eerst de drows opsporen en daarna pas naar de kamerheer gaan.” riep de commandant ons na. Ja daag, dan zouden ze toch al dood zijn en zou de kamerheer ons er ook geen goud meer voor betalen. De anderen kwam achter me aan.


Het bleek een stuk verder lopen naar Zadash dan we hadden verwacht. Ook het liften bleek niet lonend, er was naast ons clubje geen ziel te bekennen op het zandige pad. “Wat is dat nou?” vroeg Elfenmeisje, al wijzend in de verte. Toen we dichterbij kwamen zagen we het tafereel steeds duidelijker. Uit een stevige, oude boom staken tientallen dikke punten die een lichaam spiesten. Of nouja, een lichaam... Het was een romp zonder armen, benen en hoofd. Ik zag hoe Elfenmeisje verschrikt achteruit sprong. Brock en Baardmeneer keken geïntrigeerd naar de punten. De punten groeiden niet vanuit de boom, iets of iemand had ze in de bom geramd. Langs de boom liep de zijweg die naar de grot leidde. De grot waar een tweede drow zich zou schuilhouden, als de soldaten gelijk hadden. We besloten er op onderzoek uit te gaan.

Aangekomen bij de ingang van de grot overlegden we over de aanpak. Baardmeneer nam een drankje en voor we er erg in hadden stond er een klein jongetje naast ons. Zonder baard, met haar op zijn hoofd! Veronderwaardigt keken we op hem neer. “Wat?” vroeg het jongetje met zijn hoge piepstemmetje. “Die drow is toch een priester?” Ik moest moeite doen om mijn glimlach te beheersen en niet in lachen uit te barstten. Ik zag bij Brock hetzelfde. Toen sprak ik de spreuk Light uit over Baardmeneer zijn mes, zodat hij die kon gebruiken als lichtbron, aangezien hij als enige niet in het donker kon zien. Toen betraden we de donkere grot, heel stilletjes.

We zagen een grote ruimte met daarin een gigantische manticore. Het leeuwachtige wezen met krachtige, rode vleugels stond met zijn rug naar ons toegekeerd en zijn stekelige staart lag enkele meters voor ons op de grond. Het was ons direct duidelijk wat er met het aan de boom gespieste romp was gebeurd.... Stilletjes overlegden we. Moesten we het wezen aanvallen nu hij nog niet door had dat we er waren? Of zou het wezen ons geen kwaad doen? Ik probeerde Shadow trap over het wezen uit te spreken, zodat zijn schaduw en daarmee zijn lichaam aan de rotsige ondergrond zou worden vastgezet, maar tevergeefs. Met een druk draaide het wezen zich om, we waren gesnapt. Brock rende met getrokken zwaard op de manticore af en zette de aanval in, ik hielp hem zo goed ik kon. Vanuit mijn ooghoek zag ik de kinderlijke versie van Baardmeneer en Elfenmeisje echter een andere kant op gaan. “Hallo meneer Priester.” hoorde ik Baardmeneers stemmetje, de drow was hier dus ook! “Aaahhh!” Het klonk alsof hij Baardmeneer en Elfenmeisje aanviel. “Nee meneer, niet doen! Ik ben maar een klein jongetje! Au!!” Ik deelde een klap uit aan de manticore, met mijn heavy mace en riep “Oh priester, bevecht oens niet. Wij staan aan uw kant en komen u in naam van de Gentleman redden van diese manticore!” Er kam geen reactie, uitsluitend verdere gevechtsgeluiden. “Hij is onzichtbaar geworden!” riep elfenmeisje uit. - Raaahhrrrrr! - galmde het loeihard door de grot toen Brock met een krachtige slag één van de manticore vleugels afhakte. Verschrikt probeerde het verwondde beest Brock weg te slaan met zijn vervaarlijke staart, maar Brock ontweek de aanval behendig. Toen vloog het beest omhoog, tot aan het 5 meter hoge plafond van de grot. Ik hoorde elfenmeisje achter me, “Ik bewaak de grotopening! Dan kunnen hij en de drow niet ontsnappen!” “Heej jij daarboven!” ik keek naar Brock, wat had hij nou in zijn hand? Een manticore welp bungelde aan zijn nekvel in Brocks uitgestoken hand, verwoed fladderend met zijn nog onontwikkelde vleugeltjes. “Laat je je kind zomaar achter?!” De manticore gromde boosaardig naar Brock. Ondertussen keek ik opgejaagd om mij heen, er was geen spoor van de drow te bekennen. Ik probeerde het opnieuw, maar dit maal in mijn moedertaal, Abyssal. “At jyaxzdxy, rxbxltd isz saxd. Nah zduus uus on eusd xs eikxs o as suuk bus wx Gentleman yxwwxs bus wxnx kusdaliyx!” Ik maakte een sprongetje van schrik toen ik direct erna, vlak bij mijn oor hoorde “bgrezogyd oixixl oixu ygre dogy oogy oukuklu. Hgreuk ogre ogre ixuogrelgreu ugre xgrelduixixu, oixu ugregrel ogx ygre ixuugred zixu ygre oixixl zogu zgreugreu ukxgrel ogre obulogdugrelgre xlixgougreu.” oftewel ‘Bewijs maar dat je bij mij hoort. Help me de anderen te verslaan, dan leer ik je alles wat je maar wil weten over de duistere krachten’ Ik wist dat de anderen geen Abyssal konden verstaan, als ze de priester überhaupt al hadden gehoord ondanks de luidruchtige Brock en manticore moeder. Was dit mijn kans? Ik hoorde een kreet van pijn, van elfenmeisje en zag dat de priester vlak bij haar weer zichtbaar werd. Was dit mijn kans om te leren over duivels en demonen, de onderwereld, de oeroude kracht van Azathoth? “In naam van Azathoth, stopt u toch met vechten! Wij staan aan uw kant!” riep ik in het Abyssal. “Ha!” klonk het smalend, “Azathoth? Dat is toch geen echte god!” Woede begon in mij op te borrelen als het heetste hellevuur. Ik zag hoe de priester weg probeerde te rennen, een andere gang in, met Elfenmeisje en mini Baardmeneer er achteraan. Brock en ik sprongen in de lucht en haalden gezamenlijk de manticore neer. Daarna renden we achter de anderen aan. De priester lag dood op de grond. Elfenmeisje en Baardmeneer stonden uit te hijgen. Ik baalde. Ik had de drow niet alleen zelf willen pijnigen, ik had hem ook willen ondervragen, over duistere praktijken.
Ik besloot een kijkje te nemen aan de andere kant van de grot, waar de drow vandaan was gekomen. Twee stenen altaars stonden tegen de achterste muur. De ene was bedekt met wel 25, gloednieuwe kaarsen. Op de andere was hetzelfde aantal kaarsen al bijna volledig opgebrand. Een dikke plakkaat kaarsvet had zich op het stenen altaar gevormd. Ik hoorde dat de anderen achter me aan waren gelopen. Ik bestudeerde de rode tekst die op de muur achter het altaar was geverfd. Abyssal, maar wel in één of ander dialect wat ik niet goed kon thuisbrengen. Ik maakte er echter wel uit op dat dit altaar was gebruikt om een demoon op te roepen, een demoon die heerst over insectachtigen. Als in een flashback zag ik de duizendpootman weer voor me, die we in de afbrandende herberg hadden bevochten. Ik vertelde aan de anderen dat deze drow waarschijnlijk verantwoordelijk was voor die gebeurtenis. “Wat zou het andere altaar doen? We kunnen proberen iets op te roepen!” riep Brock enthousiast. Ook mijn enthousiasme was getriggerd, een boosaardige glinstering verscheen in mijn ogen. Dit was een kans om dichterbij de kennis te komen, de kennis over het duivelse. “Zijn jullie gek geworden?!” riep Elfenmeisje verschrikt uit. “Straks verschijnt er weer zo’n soort duizendpoot-demoon die we moeten bevechten!” Diep van binnen wist ik dat ze gelijk had en dat het aansteken van de kaarsen een onverstandige keuze zou zijn. Ik begon de kaarsen te verzamelen en te plaatsen op de grond. Daarna haalde ik het lichaam van de drow op en plaatste hem in het midden van de kaarsen. Met gekrenkte trots vroeg ik elfenmeisje de kaarsen voor me aan te steken, zodat ik het lichaam van de ongelovige kon offeren aan Azathoth. Dat deed ze. Het kaarslicht flikkerde op de muren van de grot en op onze gezichten. “Azathoth, Azathoth, hoor mij aan! Ik offer u deze boze geest, ten dank voor de kracht die u mie schenkt!” Mijn stem weergalmde door de grot en het bleef heel even muisstil voordat ik hoorde “Daaankkk.... Jeeee.....” Verschrikt keek ik om mij heen. Dit kon toch niet? Mijn heerser had zich nog nooit aan mij laten horen of zien.

Toen ik later de grot uitliep en in het felle zonlicht stapte, met het afgesneden hoofd van de drow in mijn tas, was ik nog steeds van de wijs. Stilletjes liep ik achter de anderen en de manticore welp, die Brock droeg aan. Elfenmeisje had tevergeefs geprobeerd het geheugen van de baby te wissen, zodat hij geen verdriet meer zou hebben over zijn vermoordde moeder. Als de situatie anders zou zijn had ik daar misschien anders op gereageerd, denkend aan mijn eigen moeder. Maar door de stem van Azathoth bleven gedachtes aan de vrouw die, of het wezen dat, mijn moeder was geweest gelukkig uit.


Zodra we de stadsmuren van Zadash in de verte zagen opdoemen besloten we kamp op te slaan in de begroeiing langs de weg. We waren allemaal uitgeput van het zware gevecht en vielen rondom ons kampvuur in slaap. Toen ik wakker werd miste ik Elfenmeisje en Brock. De manticore baby lag vastgebonden aan een boom. Ik wekte Baardmeneer, die er ondertussen weer uitzag als zichzelf en vroeg hem waar de anderen waren. Verward kwam hij overeind en keek knipperend in met zijn kleine oogjes om zich heen. Ik zag angst in zijn ogen verschijnen en draaide me snel om, met mijn ene hand op mijn heavy mace en de ander op één van mijn chakrams. Eén van de dichtstbijzijnde bomen begon razendsnel te krimpen en te vervormen, met open mond keken we toe. “Goedemorgen jongens.” zei Elfenmeisje toen, ze rekte zich uit en plukte wat bladeren uit haar haren. “Waar is Brock?” vroeg ze toen. Alsof je het over de duivel had, kwam hij net aangelopen. Een manticore staart stak uit zijn goed gevulde tas. “Mogguh, ik ben even teruggegaan voor de kop en staart. Die zijn vast geld waard.” “Slim.” zei ik, de anderen knikten instemmend. “Zullen we nu maar naar de stad gaan dan?” vroeg Brock.


Het was een bijzondere, grote stad. Ik was gewend dat gebouwen slechts bestonden uit één, in uitzonderlijke gevallen uit twee verdiepingen. De meeste gebouwen in Zadash telden wel 3, of zelfs vier verdiepingen. De panden waren opgetrokken uit een witgrijze soort steen en kenden stuk voor stuk dezelfde soort architectuur. In de verte zagen wij drie nog hogere, ronde torens oprijzen vanachter de bebouwing. We vroegen een wachter waar wij de kamerheer konden vinden, die ons vervolgens op die drie torens wees.

“Laat mij maar, wacht ier.” Ik sprak disquise self uit over mijzelf en liep als een prachtige, menselijke prinses op de torens af. Onder mijn zilveren tiara wuifde mijn lange, blonde haren mee met het spel van de zachte wind. Ik zuchtte geïrriteerd toen Brock zich met lompe passen naast mij voegde. Daar ging mijn plan... “Gegroet meneer,” sprak ik op mijn zo beleefd mogelijke wijze. “iek wiel graag de kemerheer spreken.” De wachter sprak boos “Meneer?! Ik ben toch echt een mevrouw hoor!” Geschrokken viel mijn oog op de twee bollingen op de wachter haar borst. Snel herstelde ik mijn fout, “Mijn excuses mevrouw, waar iek vandaan kom spreken we één ieder aan in mannelijke vorm.” “Hmmm...” ongelovig nam de vrouw mij en Brock in zich op. Ik vroeg me af of ze ook Baardmeneer en Elfenmeisje op de achtergrond opmerkte. “Iek wil graag de kamerheer spreken.” herhaalde ik. De vrouw begon te lachen “Hahaha, jij? De kamerheer spreken? Kijk hoe je er uit ziet!” Ik keek omlaag en zag dat mijn satijnrode, lange jurk was veranderd in het zwarte gevechtstenue dat ik in werkelijkheid droeg. Magie werkte hier blijkbaar niet... “Iek kom op verzoek van de soldaten naar de kamerheer, om hem bij te staan in zijn jacht op de twee drows.” legde ik uit. “Hmmm... Herhaalde de vrouw...” “De soldaten hebben ons goudstukken beloofd voor het uit de weg ruimen van de Gentleman en een andere priester drow.” vulde Brock aan. “Oke dan, ik kan een deal met jullie sluiten in naam van de kamerheer. Jullie krijgen 400 goudstukken voor het hoofd van de Gentleman.” “400 per persoon, we zijn met zijn vijven.” zei Brock. Ik telde in mijn hoofd vier man. Rekende Brock de manticore welp mee? Of verwachtte hij dat die dooie mevrouw zich weer bij ons zou voegen? Of blufte hij gewoon voor meer geld? “150 per persoon.” zei de vrouw. “250 per persoon en we hebben een deal.” De vrouw trok een zuur gezicht maar zei toen toch “Akkoord.” Die Brock kon goed onderhandelen. “En voor die andere drow krijgen jullie in totaal 300 goudstukken.” “Doe maar 400.” zei Brock en hij stak zijn hand uit, om de hand van de vrouw te schudden. Die staarde er vol afschuw naar en zei maar snel “Ook akkoord.” Haar handen hield ze stijf langs haar zij. Ik zag Brock kijken naar de bult in mijn rugzak, die door het hoofd van die 2e drow werd gevormd en wist wat hij ging doen zodra hij zijn mond open deed. Snel trok ik hem mee, “Bedankt, we zullen achter de drows aangaan!” riep ik naar de wachter. Brock keek me niet begrijpend aan. “We hebben die ene toch al vermoord? Laten we direct ons geld binnen halen.” “Nee,” zei ik, hem nog steeds meesleurend, al had dat totaal geen zin als hij niet zelfstandig meeliep, “dan denkt ze misschien ach hij is toch al dood, daar hebben ze helemaal geen moeite voor hoeven te doen. En dan wil ze ons misschien niet meer betalen.”
“En?” vroegen Baardmeneer en Elfenmeisje in koor, die op een afstandje hadden staan wachten. “250 goudstukken per persoon voor de Gentleman en 400 voor het hoofd wat we al hebben.” antwoordde Brock. “Maar ik heb jullie het hoofd nog niet zien afgeven toch?” vroeg elfenmeisje. “Nee.” antwoordde ik en nog voordat ik kon uitleggen waarom niet wilde Baardmeneer al op de wachter aflopen, “We hebben hem al, kom, we leveren hem in voor het geld.” Ik greep hem bij zijn arm om hem tegen te houden. “Nee, dan betaald ze ons misschien niet omdat hij toch al lang dood is. Dan denkt ze dat we er toch geen moeite voor hoefden te doen.” De anderen leken het niet met me eens te zijn, maar ik had het hoofd in mijn tas, dus ik besloot. “Oke, laten we sporen gaan zoeken van de vampieren drugs.” zei Baardmeneer toen. “Kijken of het spul wat de bakkersfamilie omtoverde hier ook te vinden is.” Hij draaide zich om en vroeg de eerste de beste, niet rijk uitziende man of hij drugs verkocht. Zelf begon ik verschillende wachters te ondervragen. Ik vroeg of zij de laatste tijd nog mensen hadden gezien die aan een aparte ziekte leken te leiden. De anderen verloor ik snel uit het oog.


Toen we elkaar tegen de middag weer troffen op het marktplein toverde Baardmeneer een klein zakje tevoorschijn. Het gouden logo van de sikkel lichtte op in het zonlicht. Baardmeneer nam er een likje van en zei dat het dezelfde drugs betrof als die van de Gentleman. “Gekocht ergens achterin een donker steegje.” vertelde hij. “Iek heb niets interessants kunnen vienden.” vertelde ik. “Hier.” Brock wierp ons ieder een zakje goudstukken toe. “Ik heb de manticore kop en staart weten te verkopen bij De Hoek en de Raaf. Chille firborgs werken daar haha. Poaahhhh, Pumat drie, gaaf staartje. Poaaahhh, Pumat één, jaahhhh en gaaf koppie, poaaahhh. ” praatte hij de firborg verkopers lachend na. “Kom we gaan naar de herberg.” Zonder te vragen wat we daar gingen doen liepen we achter Brock aan.


“Goeeede middag.” Brock liep op de bar af in De Avondnip. Een White dragonborg begroette ons hartelijk vanachter de bar. “Dag reizigers, ik ben Clay, de eigenaar.” “Vier bier alstublieft Clay.” Ik legde vier goudstukken op de bar. Clay zette de glazen die hij aan het afdrogen was aan de kant en tapte vier goudgele rakkers voor ons. Brock sloeg zijn teug in één keer achterover en bestelde er nog één. “Zeg eens Clay, ouwe rakker, waar is in deze stad de zwarte markt te vinden?” vroeg Brock hem. “Ach vriend, van zulke praktijken weet ik niets af.” “Zonde!” riep Brock uit. “We hebben namelijk een manticore baby die we willen verkopen.” Geïnteresseerd boog Clay over de bar en keek naar de grond, waar hij de welp naast Elfenmeisje en haar dodo zag staan. “Wat?!” riep ik uit. We gaan Spike niet verkopen!” riep ik uit. “Oehhh... Anders ben ik ook wel geïnteresseerd.” zei Clay verheugd. “En hoeveel heb je dan te bieden?” vroeg Brock hem, voorover leunend zodat hij Clay goed aan kon kijken. “Duizend goudstukken.” zei Clay zelfvoldaan. “Duizend?” Brock wapperde het aanbod weg en keek Clay vervolgens weer doordringend aan. “Zo’n manticore is minstens 4000 waard.” “Nee, we verkopen hem niet!” zei ik dringend. “Ik kan tot 2000 gaan.” zei Clay, na nog een blik op de baby te hebben geworpen. Brock stapte achteruit, weg van de bar. “Nee sorry, dat is echt te weinig.” Ik zag de teleurstelling in Clays ogen. “2000 goudstukken en jullie mogen hier de rest van jullie leven onbeperkt eten, drinken en blijven slapen!” probeerde hij nog. “Sorry Clay, we zoeken een hogere bieder. Maar we zullen je bod onthouden. Bedankt voor de drank.” met een wederzijds vriendelijke knik gingen de mannen uit elkaar. We liepen de herberg uit.

“Ik wil hem niet verkopen.” mopperde ik nog tegen Brock, maar hij reageerde daar niet op. “Laten we nu die drie torens verder inspecteren!” stelde Baardmeneer voor. “Laten we er binnen sluipen.” “Goed plan.” stemde ik met hem in. We liepen dichter naar de torens toe. “Hoe komen we binnen?” vroeg Elfenmeisje. “Ik kan misschien weer in een boom veranderen en dan kunnen jullie via mijn takken over de muur klimmen.” bedacht ze hardop. “Zou kunnen.” mompelde Baardmeneer. “Of we gaan via het riool.” zei ik zodra mijn oog op een grote putdeksel viel. “Die torens lijken me vrij belangrijk, ze zijn vast voorzien van goede rioleringsstelsels.” “Top, laten we de putdeksel zoeken die zich het dichtst bij de torens bevindt.” zei Brock.

- Woeeessjjjj... - - Pfoeeeffhhh!!!- We hoorden een suizend geluid toen één van de torens leek te imploderen. Alle stenen werden naar elkaar gezogen en klapten vervolgens met een harde knal uit elkaar. De betreffende toren begon om te vallen en tussen de rook en rondvliegende stenen zagen we nog vaag drie schimmen, die aan de buitenkant van de toren over het omvallende steen naar beneden renden. De schimmen werden achtervolgd door bliksemstralen en vuurballen, die waarschijnlijk door de verdedigende bewakers boven in de toren werden afgevuurd. Toen de drie gedaantes achter de ommuring verdwenen verloren we het zicht. “Kom, deze putdeksel in!” riep ik. Ik duwde wat wegvluchtende dorpelingen aan de kant en tilde de deksel omhoog. Eén voor één klommen we het trapje af.


Het was pikkedonker in het riool, maar mijn nachtvisie maakte dat dat geen probleem vormde. Het riool bestond uit een ronde tunnel, hoog genoeg om er rechtop overeind in te kunnen staan. De ene helft van de tunnel was verhoogt, zodat men er kon lopen. De andere helft lag lager en daar stroomde het smerige water, vervuild met uitwerpselen. Ik voorzag Baardmeneer van licht door Light over zijn mes uit te spreken en stilletjes gingen op weg richting de drie torens. Daar waar de looproute afboog naar rechts, maar het water wel rechtdoor stroomde door metalen tralies, bevond zich een opstopping in het smerige water. Ik wilde doorlopen maar Brock ging op onderzoek uit. “Dit krat heeft de sikkelvorm!” riep hij uit alsof hij een gigantische ontdekking had gedaan, waar hij trots op was. “En de drugs zitten er in!” vulde Baardmeneer hem aan nadat hij het krat had geopend.

We liepen verder door het duister. “Shhht!” siste ik, ik strekte mijn arm uit om de rest achter mij tegen te houden. “Daar ligt iets of iemand.” fluisterde ik. Ik had de woorden nog niet gezegd of de gedaante sprong al overeind en schoot een pijl op ons af. “Aaah!” gromde ik woest toen hij in mijn linker arm belandde. De volgende pijl werd alweer afgevuurd en miste ons op een haar. We renden op de gedaante af, met wapens in de aanslag. De gedaante sprong over het stroompje midden in het riool en Baardmeneer sprong achter hem aan naar de overkant. - Woesjjj - klonk het toen pure duisternis zich om hem en de boogschutter heen verzamelde. Darkness, deze spreuk kende en beheerste ik ook. Dat betekende echter niet dat ik hem ongedaan kon maken. “Als we nu vuren raken we Friedrich misschien!” riep Elfenmeisje paniekerig uit. Dat hield ons niet tegen, Brock sprong er wild op af met zijn tweehandig zwaard en zwiepte ermee in de rondte. De duisternis leek zich naar zijn zwaard toe te trekken en vormde een soort draaikolk, welke het zwaard ingetrokken werd. Het zwaard had het vermogen de magie ongedaan te maken en de gedaante werd zichtbaar. Het was een voor ons onbekende drow zagen we. We herkenden hem aan zijn zwarte huid, witte haar en puntige oren. “We horen bij de Gentleman, we komen in vrede!” riep ik in het Abyssal, aangezien die taal succes had geboekt bij de vorige drow. Deze drow leek het echter niet te begrijpen en bevocht ons verder en mijn metgezellen vochten terug. Ik herhaalde de zin in alle talen die ik kende, snel achter elkaar. Common, Infernal, Ignan, Sylvan... Niets leek enige herkenning op te roepen. Toen was het al snel te laat, de drow stortte ten aarde. We vermoedde dat hij één van de drie gedaantes was die zojuist van de toren waren afgerend, hij was waarschijnlijk gewond geraakt. Dat verklaarde waarom hij voordat wij arriveerden in elkaar gekrompen op de grond had gelegen.
We verzamelden ons om zijn lichaam. “Hoor je bij de Gentleman?” vroeg Elfenmeisje hem in haar moedertaal, waardoor wij het niet konden verstaan. Ik was verwonderd toen de man haar antwoordde in een taal die ik eveneens niet kon verstaan, “Nee, de Gentleman ken ik niet.” Daarna doofde het licht in zijn ogen. “Wat zei hij?” vroeg ik elfenmeisje verwonderd. “En welke taal was dat?” “Hij kent de Gentleman niet. En dat is de waarheid, ik heb magie gebruikt waardoor hij niet kon liegen. Hij sprak Elven.” Ik kon mijzelf wel voor de kop slaan. Natuurlijk sprak hij Elven, drows werden immers ook wel nachtelfen genoemd. “Wiel jij mij die taal leren? Elfenmeisje?” vroeg ik haar. Elfenmeisje had ondertussen een zwarte bol uit het gewaad van de verslagen drow gehaald, ter grootte van een hoofd. De mysterieuze bol leek gemaakt van zwart glas, opgebouwd uit een 20-tal vijfhoeken. De kern leek een groenblauwe gloed uit te stralen. “Wiel jij mij Elven leren?” herhaalde ik mijn vraag. Elfenmiejse had geïntrigeerd in de mysterieuze bal staan staren maar schrok nu op. “Huh, uuhh... Wat? Oh, ja is goed.” mompelde ze verward.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen