Het was al meer dan drie maanden geleden sinds ze van gezicht gewisseld waren. Drie maanden sinds de apocalyps-die-niet-kwam en drie maanden sinds hun uitgebreide lunch bij de Ritz. Meer dan drie maanden geleden dat Crowley Aziraphale voor het laatst gezien had. Drie maanden was niks vergeleken met de tijd die ze normaal apart van elkaar besteedden. Soms zagen ze elkaar jaren niet, tientallen jaren, of zoals tijden de veertiende eeuw, meer dan een eeuw. Meer recentelijk de ruzie die ze hadden in St. James park in 1862. Fraternizing, die Engel had lef om dat te zeggen.
      Dit keer was het anders. Ze stonden nu aan hun eigen kant, dat hadden ze afgesproken. Ze hoefden niet meer te rapporteren aan hun respectieve head offices, voorlopig in ieder geval. Crowley had verwacht dat dit betekende dat ze meer tijd samen zouden spenderen, gewoon omdat het kon, omdat ze beiden enkel nog elkaar hadden, zoals ze al zesduizend jaar hadden. Meer afspraken op een bankje in St. James park, lunch en diner, wijn in de achterkamer van de boekenwinkel waar Aziraphale geen boeken wilde verkopen.
      Drie maanden voelde vreselijk lang dit keer. Hij had gewacht op een bericht van de Engel, had zelf gebeld, maar geen antwoord gekregen. Hij maakte zich toch zorgen, ook al zou hij dat niet laten merken aan hem. Of iemand anders. Toch voelde Crowley de aanwezigheid van de Engel nog op Aarde (iets dat alle bovennatuurlijke wezens konden, sommige beter dan anderen). Hij was dus hoogstwaarschijnlijk gewoon veilig. Hij negeerde het stekende gevoel dat het veroorzaakte. Aziraphale was weggegaan zonder iets te zeggen, alsof ze niet net een apocalyps hadden gestopt samen en hun kant hadden verraden. Ze waren vrienden.
      Misschien was het wel omdat Crowley te dichtbij gekomen was (Aziraphale had toch letterlijk gezegd dat hij te snel voor hem ging in de jaren zeventig). Omdat hij had gevraagd om samen weg te lopen naar de sterren (twee keer, en Aziraphale had beide keren zijn aanbod afgeslagen), of omdat hij had aangeboden dat hij mocht blijven slapen in zijn flat (de enige keer dat hij Aziraphale had uitgenodigd weliswaar) nadat zijn boekenwinkel was afgebrand.
      Crowley besloot het goede voorbeeld van Aziraphale te volgen en verliet zijn flat en de boekenwinkel. De deur viel achter hem in het slot en hij stapte in zijn Bentley. Hij had betere dingen te doen. Alhoewel hij niet meer hoefde te rapporteren aan Hel, was hij nog steeds een Demon en degene die de originele zonde had uitgevonden. Hij had Eve verleid om de appel uit de boom te pakken en te laten eten. Hij had een heleboel mensen tot een heleboel dingen verleid. En oh, had hij de Engel tot bepaalde dingen verleidt, maar hij had altijd geweten dat het alleen gebeurd was omdat de Engel zo verdomd goed was en geen nee kon zeggen.

“Bastard Angel,” mompelde Crowley tegen zichzelf terwijl hij met 120 km/u door London scheurde in zijn Bentley, één eigenaar van nieuw en zijn trots.
      Aziraphale had er geen idee van in hoeveel problemen hij had kunnen komen door aardig te zijn tegen hem. Stomme Engel, met zijn pruillip en glimmende blauwe ogen. Hij verleidde hem tot aardigheid en hij had het niet door. Alle kleine demonische wonderen die hij had verricht door de eeuwen heen voor hem. Puntje bij paaltje had Aziraphale gezegd dat hij hem niet eens aardig vond.
      Waarom speelde Crowley dat hele moment nou nog eens af in zijn hoofd? Hij schudde het van zich af en trapte de Bentley nog eens op zijn staart. Hij compartimenteerde zijn gevoelens en stopte ze weg. Hij was een Demon, geen gevoelens voor hem dus. Hij was het nooit waard geweest.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen