Foto bij Scar 116

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
'Het is niet jouw schuld,' fluister ik en ze maakt een kermend geluidje. 'Wat er ook met haar gebeurt, het is niet jouw schuld.'
Ze antwoordt niet. Ze is te druk bezig met snikken om iets te kunnen zeggen. En zelfs als ze wél in staat was geweest om te antwoorden, had dat niet gehoeven, want ik weet al wat ze denkt.
Paige zal nooit ophouden met zichzelf de schuld geven van alle schade die haar vader aanbrengt.

Nadat Paige weer een beetje tot rust is gekomen en de tranen van haar gezicht heeft geveegd op een manier die haar er plotseling heel klein en kwetsbaar uit laat zien, neemt ze een paar kleine slokjes van de afkoelende thee. Haar handen heeft ze net iets te stevig om de mok heen gevouwen, alsof ze bang is dat ze anders gaan trillen.
Ik geef een zachte kus tegen haar slaap en zeg dan: 'Zullen we op de bank gaan zitten?'
Ze knikt en we verplaatsen ons naar de sofa, waar ze weer tegen me aanzakt en in stilte slokjes van haar thee blijft nemen. Omdat ze naast me zit, kan ik haar niet recht aankijken, maar in de televisie kan ik haar weerspiegeling uit. De blik in haar ogen is een beetje wazig, en ze straalt ellende uit. Aan de ene kant wil ik graag weten waar ze op dit moment aan denkt, en aan de andere kant weet ik niet zeker of ik het wel aankan.
Ik strijk lichtjes over haar haren en haar ogen vallen dicht, alsof ze wil versmelten met mijn aanrakingen.
'Heb je hoofdpijn?' vraag ik zachtjes.
Er verschijnt een frons op haar gezicht en ze opent haar ogen, haar blik nieuwsgierig en achterdochtig tegelijkertijd.
'Waarom denk je dat?' vraagt ze.
'Liefje, ik ken je nu al bijna een jaar. Ik kan inmiddels wel zien wanneer je hoofdpijn hebt,' zeg ik. Ik zeg het niet hardop, maar ik weet bovendien ook dat ze altijd last van hoofdpijn krijgt na het huilen.
Ze kijkt me even aandachtig aan, maar knikt dan toegeeflijk.
'Ja, oké, dat kan wel kloppen,' erkent ze, maar er klinkt een beetje onwennigheid door in haar stem. Ze is het nu eenmaal niet gewend dat er mensen zijn die haar kennen, die haar kunnen lezen.
'Zal ik even een pijnstiller voor je halen?' vraag ik met een verzorgende stem.
Ze knikt stilletjes en ik verdwijn de badkamer in. Even later kom ik terug met een paracetamol en een glas water. De thee heeft ze naast die van mij op de salontafel gelegd. Ik geef de pijnstiller aan haar en ze slikt het snel door, samen met een slok van het water.
Ik zet het glas voor haar weg en wrijf over haar rug, mijn blik bezorgd en onderzoekend over haar gelaat glijdend.
'Hoe gaat het verder met je?' vraag ik.
'Moe, vooral,' geeft ze na een aarzeling toe. Het komt er bijna uit als een zucht en ze wrijft met haar handen over haar gezicht. 'Het voelt bijna alsof ik gewoon alleen nog maar moe kan zijn. Ik... Ik heb gewoon de behoefte om de hele dag op de bank te liggen en niets te doen.'
Ik laat mijn armen om haar heen glijden en trek haar tegen me aan.
'Nou, wie houdt je tegen?' vraag ik, terwijl ik samen met haar op de bank neer schuif. Ze glimlacht eindelijk, zelfs al is het een beetje droevig is, en nestelt zich dichter tegen me aan. Ik voel dat er een zucht door haar heen gaat die er gelijk ook voor zorgt dat een deel van de spanning uit haar lichaam wegvloeit. Terwijl ik over haar rug wrijf om de spieren te doen ontspannen, legt ze haar hoofd tegen mijn schouder en doet ze haar ogen dicht.
Ik herken de manier waarop haar ademhaling verandert wanneer ze in slaap valt, en ze zakt niet meteen weg, maar na een paar minuten ben ik er toch echt zeker van dat ze niet meer wakker is. Het is een ander soort slaap dan normaal, wanneer we 's nachts in bed liggen. Dat is slapen omdat het tijd is om naar bed te gaan, omdat je de hele dag al wakker bent geweest en moe bent, maar dit is slapen omdat ze uitgeput is. Haar hele lichaam lijkt verslapt te zijn. Ik zou haar op een spijkerbed kunnen leggen en ze zou het nog steeds comfortabel genoeg vinden om op te slapen.
Ze ligt te slapen, en ik kan mijn ogen niet van haar afhouden. Vannacht dacht ik dat ik haar nooit meer zou zien, dacht ik dat ik haar voor eeuwig kwijt was. Het was maar een paar uur, maar het was genoeg om me te laten beseffen dat niets hetzelfde zou zijn zonder haar. En die gedachte alleen al maakt me doodsbang, want als het niet zou zijn zoals het nu is, hoe zou het dan zijn? Zou ik gelukkig kunnen zijn? Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Ik wil niet zeggen dat Paige mijn andere helft is, want ik ben geen helft. En Paige ook niet. Maar ik kan niet ontkennen dat ze mijn leven mooier maakt dan ik me ooit voor had kunnen stellen. Ook nu ik op een zondagmiddag alleen maar op de bank met haar in mijn armen niks lig te doen, is het leven mooier dan ik had durven hopen, dan ik verdien.
Ik hoop maar dat ik hetzelfde voor haar kan doen.

Na een half uur wordt Paige weer wakker, bijna uit het niets. Het ene moment zijn haar ogen dicht, het andere moment wagenwijd open. De rest van haar lichaam lijkt een fractie van een seconde later pas wakker te worden. Ze komt overeind, niet zo snel dat ik denk dat ze ergens echt van wakker is geschrokken, maar wel sneller dan ik normaal zou kunnen noemen.
Met een bezorgde frons op mijn gezicht kom ik ook overeind en ik stap naar haar toe. Wanneer ik zachtjes haar elleboog aanraak, kijkt ze me aan. Er ligt iets in haar blik wat kalm en onrustig tegelijkertijd is.
'Paige?' vraag ik indringend. 'Paige, wat is er aan de hand?'
Ze wendt haar blik af, kijkt me weer aan, en wendt haar blik weer af. Heel lang antwoordt ze niet, maar ik wacht, want ik voel aan haar houding dat ze uiteindelijk wel iets gaat zeggen.
‘Ik…’ Ze zwijgt even, kan het zich niet opbrengen om me aan te kijken. ‘Ik vond de manier waarop mijn vader naar me keek niet prettig. Op de begrafenis.’
‘Hoe keek hij?’ vraag ik.
Ze bijt even hard op haar lip. Ze draait haar hoofd met de seconde een stukje verder opzij, heel langzaam, steeds verder toegevend aan de drang om geen oogcontact te hoeven maken. Dan haalt ze haar schouders op.
‘Gewoon… Zoals… Niet zoals hij naar me zou moeten kijken.’
‘Omdat hij boos op je is?’ vraag ik.
Ze schudt haar hoofd. Heel even kijkt ze me aan, in een nerveuze flits. Dan kijkt ze weer weg. Ik zie in mijn ooghoek dat ze haar handen iets verder in haar mouwen verstopt, wat ze vaker doet wanneer ze zich te opgejaagd voelt. Ik besef dat het door mijn gestaar kom en laat mijn gespannen blik iets varen.
‘Omdat ik heel erg op mama lijk,’ zegt ze dan schor. ‘En… En volgens mij bracht dat… dingen… bij hem naar boven.’
Ik krijg spontaan pijn in mijn buik en ik slik iets weg.
‘Bedoel je…?’ vraag ik, en ze knikt. ‘Denk… Denk je echt dat hij ooit zou proberen je te…?’
Ze schudt haar hoofd, maar bij het idee alleen al kruist ze haar armen voor haar borst, met haar handen op haar schouders, alsof ze zich wil bedekken.
‘Nee. Nee, dat niet. Zo ver zou hij niet gaan. Het-Het is gewoon een heel naar idee om te weten dat hij niet zijn dochter ziet wanneer hij naar me kijkt.’
‘Hij heeft nooit zijn dochter gezien wanneer hij naar je kijkt,’ zeg ik. Het komt er te snel uit, te bitter, te echt, en ik heb er niet over nagedacht. Ik weet dat het waar is, maar ik weet ook dat het haar pijn doet. Als ze me aan zou kijken, zou ik het in haar blik kunnen zien.
’Sorry,’ weet ik zwakjes uit te brengen.
Ze schudt haar hoofd. Er zit een verscholen spanning in haar houding, alsof ze ineen wil deinzen, maar het niet kan.
‘Nee, je hebt gelijk. Ik ben nooit zijn dochter geweest. Alleen een soort bouwpakket waarmee hij de ideale opvolgster in elkaar kon zetten.’ Haar stem klinkt vlak. ‘Dat is hoe hij me opgevoed heeft.’
Even ben ik stil.
‘Hij had dat niet moeten doen,’ zeg ik zacht. Het is de meest voor de hand liggende opmerking ooit, maar ik heb het nog nooit hardop gezegd, en misschien is dat wel wat ze nodig heeft, want níémand heeft het ooit tegen haar gezegd: dat de jeugd die ze gekregen heeft niet de jeugd is die ze verdiende, dat haar vader zich als een vader had moeten gedragen, dat het slecht is wat hij met haar gedaan heeft.
Ze haalt weer onverschillig haar schouders op, maar dat doet ze alleen omdat het de enige vorm van liegen is waar je in deze wereld mee weg kunt komen.
‘Ik weet niet zeker of ik het wel erg vind. Ik denk niet dat mijn vader me zo in elkaar heeft gezet.’
‘Je vindt het wel erg,’ zeg ik, want het is de waarheid die ze niet onder ogen durfde komen. Zolang ze zichzelf kan vertellen dat ze er geen moeite mee heeft, kan het haar niet zo hard raken. ‘Natuurlijk vind je het erg.’
Ik steek mijn hand lichtjes uit om haar aan te raken en eindelijk wordt het haar te veel, krimpt ze ineen. Automatisch wendt ze zich een beetje van me af. Ze ademt scherp in, haar ogen vol tranen, en ik zie haar kaakspieren onder haar huid bewegen wanneer ze op haar tanden bijt.
'Mijn vader is een slecht mens,' zegt ze, alsof ze de zin uittest, de woorden één voor één proeft op haar tong. Ze kijkt me aan. Een poging tot een glimlach. Ze voegt er een beetje schamper aan toe: 'Ik vind het heel eng om dat hardop te zeggen. Alsof het niet mag.'
Ik stap naar haar toe en neem haar gezicht in mijn handen. Mijn duimen strijken zachtjes over haar huid.
'Het mag wel. Het is juist goed dat je het zegt, want... want het is waar,' zeg ik. 'Hij is een slecht mens.'
Ze knikt, bijt even op haar lip.
'Hij is een slecht mens,' herhaalt ze.
Ik geef een kus op haar voorhoofd en kijk haar weer affectief aan. Ik buig bijna voorzichtig voorover en laat mijn lippen de hare raken, te lang om nonchalant te zijn, maar aan de andere kant ook totaal niet lang genoeg. Wanneer ik het contact verbreek, vindt mijn blik de hare weer en ik zeg, mijn stem zo oprecht mogelijk: 'Wat er ook gebeurt, we vogelen het samen wel uit.'
Ze antwoordt niet, maar ze kijkt wel naar me op en glimlacht naar me, en haar glimlach is zo onbegrijpelijk mooi.
De binnenkant van haar hoofd moet wel een verschrikkelijke plek zijn.

Reacties (2)

  • BethGoes

    Het lijkt me echt verschrikkelijk als je VADER op die manier naar je kijkt!

    1 jaar geleden
  • Sunnyrainbow

    Zo knap hoe Nathan met haar omgaat!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen