410 A.D. Rome

Crowley wist dat het zijn eigen schuld was, al had het hem tientallen jaren gekost om dat aan zichzelf toe te geven en meer dan een eeuw om zichzelf niet voor zijn hoofd te slaan als hij aan Aziraphale dacht. En hij dacht vaak aan de Engel. Tot nu toe had hij zichzelf behoorlijk goed ervan overtuigd dat hij de Engel helemaal niet nodig had.
      Dat was tot Rome ten onder ging. Crowley wist dat het eraan zat te komen, hij had zelf rond gehangen bij de Visigoths, die een zetje in de goede richting nodig hadden om zich tegen het Romeinse rijk te keren. Hij hield absoluut niet van oorlog en ging deze meestal actief uit de weg, maar hij wist ook dondersgoed dat de Engel de oorlog niet eens door zou hebben of anders rond zou gaan en domme wonderen verrichten om het beter te maken voor iedereen, waarbij het goed mogelijk was dat het niet beter werd voor hemzelf. Oh, het zou hem niks uit moeten maken, het had hem driehonderd jaar niks uitgemaakt.
      Beter laat, dan nooit, zei hij tegen zichzelf terwijl hij op zoek ging naar Aziraphale. Zo moeilijk zou dat niet moeten zijn, op zoek naar een Engel die van restaurants en grote steden hield? Uiteindelijk hoorde hij van een man die in witte kleding liep en geluk bracht.

“Aziraphale,” viel Crowley de hut binnen die aan hem toe moest behoren. “Wat is dit?”
      Hij vroeg zich af of de Engel gek geworden was en het zijn schuld was. Maar het had teveel pijn gedaan om eerder op zoek te gaan naar hem. De hut zag er niet uit als hij had verwacht, met een plushe bank en witte engelenbeelden of zo, hoe ze dan ook hun huis versierden. Hij had comfort verwacht. Het enige wat overeen kwam, waren de boeken. Waar Aziraphale ging, waren boeken. Maar de hut was groot en deels leeg. Er stond een bureau in het midden van de kamer waar Aziraphale achter zat te verstoffen terwijl hij leek te schrijven. Naast hem pagina’s met beschreven rollen perkament. Toen de Engel bewoog kwam er stof van hem af.
      “Oh, Crowley,” groette de Engel hem. “Is er iets dat je nodig hebt?”
      “Iets dat ik... Angel, wat ben je aan het doen?” klonk het lichtelijk hysterisch terug.
      “Oh, gewoon een persoonlijk project,” antwoordde de Engel, die nu zijn pen neerlegde en met een koele blik opkeek naar Crowley. De harde blik in zijn ogen zorgt ervoor dat Crowley onbewust een stap naar achteren doet. “Waarom ben je hier Crowley?”
      “Rome wordt aangevallen!” En ik weet dat je graag in Rome bent, dus kwam ik je halen.
      “Oh, ik weet zeker dat Hel je hiervoor uitbundig zal bedanken.” Zelfs de stem van Aziraphale klonk als ijzig als zijn blik was. De Engel sprak zo bijna nooit, enkel tegen de laagste van de laagste mensen (en koude soep). Crowley wist heel goed dat hij de vorige keer hebberig was geworden en meer had genomen dan de Engel hem wilde geven, maar hij was een Demon en hij deed niet aan excuses.
      Buiten klonk onrust, metaal tegen metaal en schreeuwende stemmen. Aziraphale leek het nog steeds niet door te hebben.
      “Ik bedoel dat Rome nu aangevallen wordt, Engel. Kom van die stoel af, we moeten gaan.”
      De blik van Aziraphale verzachtte een beetje en keek nu goed op van wat hij aan het doen was. Hij luisterde naar de geluiden buiten. Crowley liep al op Aziraphale af en greep hem bij zijn bovenarm om hem uit de stoel te trekken waar hij op zat.
      “Oh, dear Lord,” murmelde de Engel.

De reddingsactie die Crowley uitvoerde, verzachtte Aziraphale en hij bedankte hem oprecht nadat ze Rome ongezien uit waren gekomen. Met een paar grapjes had Crowley hem weten over te halen om ergens te gaan lunchen, waarop Aziraphale maar al te graag in was gegaan. Het leek alsof ze hun vriendschap moeiteloos weer konden hervatten, iets wat Crowley maar al te graag wilde, zeker als dit alles was wat hij van de Engel kon krijgen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen