Warning: Explicit content 18+

1595, The Globe Theater, London, England

“Oh, I just simply love this!” straalde Aziraphale.
      “Je bent een Engel, je houdt overal van,” spotte Crowley terug.
      Aziraphale keek vanuit zijn ooghoeken naar hem met een gesmoord lachje op zijn lippen, voordat hij zich weer op het toneelstuk richtte en een druif in zijn mond stopte.
      “Het is Shakespeares nieuwste stuk,” vertelde de Engel enthousiast aan Crowley, waarschijnlijk omdat hij wist dat de Demon toch niet echt op zat te letten. “Hun families zijn gezworen vijanden, maar ze hebben enkel oog voor elkaar. Rather tragic.”
      Aziraphale liet een dramatisch meelevende zucht horen en Crowley wenste dat het misselijke gevoel uit zijn maag verdween. Hij rolde met zijn ogen.
      “Ik geef de voorkeur aan zijn grappige stukken.”
      “Ben je vandaag vrij, dear? Of ga je ergens nog… verleiden.”
      Aziraphale keek naar hem met zijn blauwe ogen, een schimmer van hoop fonkelend in zijn ogen. Crowley wist zeker dat hij het verkeerd zag en wapperde met zijn hand.
      “Naaah, ik heb de hele dag vrij,” antwoordde hij nonchalant. “Helaas spendeer ik mijn vrije dag door naar dit te kijken.”
      Zijn ogen vestigde zich op het podium, hoewel hij niet echt veel aandacht gaf aan het stuk, zoals normaal. Het was meer Aziraphale’s ding dan die van hem. Als hij een Demon was geweest, wist hij wel heel zeker dat hij hem aan het folteren was, door hem te vragen naar dit stuk, zijn glimlachen, korte aanrakingen en zijn dear’s. Misschien was dat wel makkelijker geweest, want dan was hij er tenminste zeker van dat hij er niks mee bedoelde, dat het niks betekende. Hij wist heus wel dat het niet betekende was hij wilde dat het betekende, zo was de Engel gewoon. Ze waren vrienden, ze dronken samen, ze aten samen, kibbelde over kleine dingen en hadden ze hun afspraak. Het was niet de schuld van Aziraphale dat de Demon zoveel meer wilde.
      Halverwege het toneelstuk haalde Crowley een fles wijn onder zijn shirt vandaan, dat er zeker weten eerder nog niet was. Aziraphale trok geïnteresseerd zijn wenkbrauwen omhoog, maar deed alsof hij het niet goedkeurde. Vervolgens trok Crowley er ook nog twee glazen onder vandaag. Hij wiebelde zijn wenkbrauwen met een grijnsje naar hem.
      “Je kan toch niet verwachten dat ik dit nuchter overleef?” vroeg hij retorisch.
      Crowley merkte dat hoe leger de fles wijn raakte en hoe verder het toneelstuk kwam, hoe stiller Aziraphale werd. Tegen de tijd dat Crowley een tweede fles tevoorschijn haalde, glimlachte de Engel niet eens meer.
      Crowley snapte niet waar iedereen zich zo druk over maakte in het toneelspel. Ze waren in heme- hels naam pas zestien en ze kenden elkaar een week! Het was iets anders geweest als Romeo al een paar millennia achter achter Juliet aangezeten had en wanneer hij eindelijk de moed had gehad om het op zijn eigen manier bekennen, afgewezen werd en vervolgens niet meer te praten voor de komende driehonderd jaar.
      Toen het stuk eindelijk voorbij was, keek Crowley ernaar uit om de rest van de nacht met Aziraphale en meer wijn door te brengen.

Een paar lege flessen later liet Aziraphale zich op de grond zakken, naast Crowley. Hij staarde naar hem, gromde wat en liet zijn hoofd in zijn handpalmen zakken.
      “Wat is er mis?” vroeg Crowley bezorgd aan de Engel.
      Het beste aan een dronken Aziraphale was dat hij hier morgen toch bijna niks meer van kon herinneren, dus maakte het niet zoveel uit en hield Crowley zich niet helemaal in. Soms waagde hij het zelfs om een hand op zijn schouder te leggen, of zijn been, tijdens deze momenten.
      “Ik denk dat we elkaar niet meer moeten zien, Crowley.” sprak de Engel met een dubbele tong van tussen zijn vingers vandaan.
      Iets kouds omhelsde Crowley’s hart en het voelde alsof hij niet meer kon ademen, alsof hij aan het verdrinken was in het koudste water dat je ooit gevoeld had. Hij wilde nu het allerliefst opstaan en weggaan, voordat hij zou huilen, of iets ergers, de Engel iets aan zou doen. Aziraphale was nog steeds aan het praten, maar Crowley had een gedeelte ervan al gemist.
      “... en ze hielden gewoon van elkaar, Crowley. Ze deden niks verkeerd! Maar hun families… ze waren dom en en lieten ze niet gelukkig zijn. Ze kusten enkel en toen gingen er veel mensen dood. Ik wil niet dat mensen doodgaan.”
      Crowley knipperde. Aziraphale was nog steeds aan het praten, iets over het lot, de dualiteit van mensen hoe ze gewoon een paar aardige kinderen met een eerste crush waren. Ze deden toch niemand pijn? Crowley luisterde maar half. Hij keek toe hoe hij zijn hand richting zijn vriend bewoog, alsof het niet zijn eigen hand was. Hij begroef zijn vingers in de witte lokken van Aziraphale, die zacht aanvoelde, zachter dan hij had verwacht. Voor hij het wist had hij de afstand tussen hem en de Engel overbrugt en kuste hij hem. Het was maar een klein kusje, zijn lippen snel op de zijkant van zijn mond. Maar zijn hart klopte als nooit tevoren in zijn keel.
      “We hebben gekust, er is niemand dood,” grinnikte hij, zijn stem onvast.
      Crowley wist dondersgoed dat hij de grens had overschreden die Aziraphale vele eeuwen geleden gezet had en hij wist dat hij daarvoor zou moeten betalen. Elke keer als hij zijn ogen zou sluiten, zou hij zien hoe Aziraphale eruit zag en naar hem keek na de kus. De Engel reageerde echter amper, leek na te denken en schudde toen zijn hoofd.
      “Nee. Dat is niet hoe ze kusten,” zei hij met het zelfvertrouwen dat alleen een echt dronken persoon had.
      Voordat Crowley het doorhad, kuste Aziraphale hem. Het was ongemakkelijk en nat en zijn eerste kus. Zijn handen vonden hun weg naar de middel van de Engel en grepen hem daar vast, overpeinzend of hij hem weg moest duwen of dichterbij wilde trekken. Hij wist dat hij zijn vriend weg moest duwen en niet twee keer dezelfde fout kon maken. Maar toen was de tong van Aziraphale in zijn mond en kon het hem niks meer schelen.
      Aziraphale giechelde toen ze elkaar lippen los lieten. Hij was het perfecte plaatje van debauchery, zijn lippen rood en lichtjes uit elkaar, zijn wangen donker en warm, zijn haar die alle kanten uitstak. Alles wat Crowley op dit moment wilde, was zijn hand door zijn haar halen, zijn gebloosde wangen kussen en in zijn lippen bijten. In plaats daarvan kwam hij overeind, zijn benen trilden onder het gewicht en gevoel.
      “Je bent dronken. Kom op Angel, laten we je op bed leggen,” zei hij met een zachte stem en hij voelde zich plotseling vermoeider dan ooit.
      Crowley stak zijn hand uit en Aziraphale pakte deze aan. Hij zocht de ogen van Aziraphale op, zocht naar een hint van spijt, pijn, iets dat liet zien dat hij hun vriendschap in koele bloede vermoord had.
      “Crowley?” vroeg Aziraphale zacht.
      “Wat?” klonk het geïrriteerd uit zijn eigen mond.
      “Het is… ze hebben niet maar een keer gekust.”
      Crowley kreunde. Hij wist het zeker, de Engel was hem aan het martelen. Op de één of andere manier had hij uitgevonden wat Crowley voelde en speelde nu een ziek spelletje met hem alsof hij dit wilde, gaf Crowley net genoeg en zou het vervolgens voor zijn neus weg trekken. Dat had hij gedacht als het iemand anders was dan Aziraphale, want zijn Engel kon dit niet, dat lag niet in zijn aard, letterlijk. Zijn blauwe ogen straalde, naast onschuldigheid, ook een angst uit wat hem kwetsbaar maakte.
      Hij trok de Engel overeind en dichterbij zichzelf. Zijn ene hand plaatste hij op zijn wang en hij kuste hem zacht. Zijn andere hand gleed door zijn zachte haar en probeerde te herinneren hoe ze voelden. Hij wilde alles herinneren, zijn smaak, de zachte kreun die over zijn lippen kwam, hoe zijn armen om Crowley’s heupen krulden.
      Hij had met zichzelf afgesproken dat het één kus zou zijn. Hij zou niet weer profiteren van de situatie. De kus werd hongeriger, al die eeuwen van verlangen leken eruit te komen. Niet dat de Engel niet hetzelfde deed, hij kuste Crowley met een wanhoop die pijn deed. Zijn tanden vonden zijn lip en hij beet, dit was alles dat hij ooit gewild had en hij voelde zich zwakker dan ooit.
      Ze waren plots op de bank beland, hij voelde het zware gewicht van Aziraphale op zich en de Engel plaatste kussen over zijn hele gezicht. Ze waren nog nooit zo dichtbij elkaar geweest. Het bewijs dat Aziraphale het net zo graag wilde voelde hij al snel tegen zijn buik gedrukt worden. Het kostte Crowley zijn volledige zelfbeheersing om nu niet zijn heupen omhoog te duwen tegen de Engel aan, maar Crowley was een Demon en hebberig en wilde het liefst al zijn kleding weg wonderen.
      Alsof Aziraphale gedachten kon lezen, dwaalden zijn handen naar beneden en begonnen ze de knoopjes van Crowley’s overshirt los te knopen. Crowley snakte naar adem en had niet meer aanmoediging nodig dan dit. Zijn eigen handen begonnen ongeduldig aan de kleding van de Engel te trekken. In een snelle beweging trok hij het shirt los en belandde het naast hen op de grond. Het onthulde een bleke, zachte huid en Aziraphale kreunde zacht toen Crowley zijn tong over zijn nek liet glijden.
      De Engel duwde hem plotseling weg.
      “Wacht, wacht,” smeekte Aziraphale hem bijna.
      Meer hoefde hij niet te zeggen, Crowley liet hem abrupt los en schoot naar achteren, naar de andere kant van de bank. Hij wilde vragen wat er fout ging, wat hij fout had gedaan, maar kreeg hier geen kans toe. De Engel sloot zijn ogen en drukte zijn handen tegen zijn slaap, waarna hij zich concentreerde. Toen hij zijn ogen weer opende waren ze helder. Hij was niet meer dronken.
      Crowley beefde bijna. Wat had hij dan ook verwacht? Ze hadden hun lol gehad en nu was het tijd om te betalen. Hij had meer gekregen dan hij had verwacht, dan hij verdiende. Hij zette zijn masker op, zijn ogen koud en ongevoelig, wachtend op de woede van de Engel. Tot zijn verbazing leunde Aziraphale juist naar hem toe en kuste hij hem nogmaals. Nuchter.
      “Dacht dat het niet eerlijk was als ik dronken zou zijn,” gaf de Engel verlegen toe.
      Crowley kon bijna niet meer nadenken nu, het idee alleen dat de Engel dit nuchter ook nog wilde. Hij knipte met zijn vingers en nu lag Aziraphale onder hem, beide naakt.
      “Zeg het als ik te snel ga,” kwam er raspend en vol behoefte uit zijn keel.
      Hij kon het niet laten om zijn handen over elk stukje naakte huid te laten glijden waar hij bij kon. Aziraphales ogen gleden over zijn lichaam, zijn blik werd donkerder en bleef hangen onder zijn heupen, naar het geslacht dat daar hing, smekend om aandacht.
      “Alsjeblieft,” smeekte de Engel hem.
      Dat was alles dat Crowley nodig had om actie te ondernemen. Zijn handen waren overal, zijn lippen en tanden beten en kusten over zijn naakte huid heen. Zijn lange vingers wikkelden zichzelf om het mannelijke lid van Aziraphale heen, die kreunend in zijn vuist stootte.
      “Crowley, mag ik… alsjeblieft? Ik ook?” Zijn hand gleed naar de bovenbenen van de Demon.
      “Ja,” siste Crowley met zoveel behoefte in zijn stem dat als hij nog kon denken, hij zich zou schamen ervoor. Hij voelt Aziraphales handen om zich heen en kan alleen nog maar bidden dat hij niet van gedachten zou veranderen. Hij siste kreunend.
      “Sorry, deed ik je pijn?” maakte Aziraphale zich alweer druk.
      “Angel,” gromde Crowley.
      Hij liet zijn tanden in de tere huid in zijn nek zinken. Er kwam een geluid diep uit de keel van Aziraphale en de Engel trilde onder hem. Crowley wierp een blik op het rode hoofd van de Engel die lag te schokken en dat was alles dat er nodig was. Hij stootte zijn heupen nogmaals in zijn vuist en volgde hiermee Aziraphale.
      Het bleef stil terwijl ze beiden op adem kwamen. Het was lang genoeg stil dat de angst bij Crowley terug kwam. No matter what, ook dit was begonnen met Aziraphale die dronken was en hij had het gevoel dat hij er weer gebruik van had gemaakt op de verkeerde manier. Net als de vorige keer, toen Crowley hem net zo opgewonden had gekregen dat de Engel hem niet wilde stoppen. Hij weet nog heel goed hoe Aziraphale daar de vorige keer op reageerde en was doodsbenauwd dat hij hem weer driehonderd jaar niet zou zien.
      “Misschien kunnen we hier het best over praten,” opperde Aziraphale en Crowley verplaatste zijn gewicht zo dat hij hem aan kon kijken. De Engel keek omhoog naar hem door zijn wimpers.
      “Niks om over te praten, Angel,” haalde hij zijn schouders op. “We waren opgewonden en we deden het. Ik zie niet hoe dit anders is dan onze Afspraak.”
      Na deze woorden hield Crowley zijn adem in, afwachtend op het antwoord van Aziraphale. Die sloot zijn ogen en opende ze even later weer.
      “De Afspraak deel 2?” vroeg hij en Crowley lachte scherp.
      “Precies.”
      De Demon zou gelukkig moeten zijn, hij had meer gekregen dan hij ooit gedroomd had. Toch voelde het vreselijk fout.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen