1890, London, England

Crowley schrok overeind, knipperde met ogen die voelden alsof ze vastgelijmd zaten en slikte. Zijn keel voelde als schuurpapier, hij was misselijk en het voelde alsof er een hamer in tegen zijn hoofd aangeslagen werd, steeds opnieuw. Zijn dutje voelde veel te kort aan voor de kater die hij op dit moment had en het duurde even voor hij herinnerde hoe hij aan deze kater kwam.
      Wat was er gisteren ook alweer gebeurd? Een kreunende grom van spijt verliet zijn lippen toen hij de vorige dag herinnerde. De kleine ruzie die hij had met Aziraphale, waarin hij had gezegd dat hij de Engel niet nodig had en Aziraphale terug spatte dat het gevoel wederzijds was, waarna Crowley onmogelijk dronken was geworden en besloten had om een dutje te doen. Crowley vond dat hij Aziraphale moest opzoeken en deze rotzooi op te ruimen (waarschijnlijk niet perse zijn excuses aanbieden want dat deed hij nou eenmaal niet uit principe), want hoe langer hij erover deed, hoe lastiger Aziraphale hem zou vergeven.

28 jaar

Hij zag de datum op de krant die hij ‘geleend’ had van zijn buurman (en daarna gelijk in de vuilnisbak flikkerde) en had het idee dat het een grote grap was waar hij niks vanaf wist. Daarna keek hij rond in zijn appartement. Het verklaarde tenminste al dat stof, hij had eerst gewoon gedacht dat hij vergeten was om schoon te maken (wat vaker voorkwam dan hij toe wilde geven).
      Oh shit, Aziraphale gaat zo pissig zijn!
      Zijn boekenwinkel was gesloten, wat niet eens zo vreemd was op een middag op een doordeweekse dag. De favoriete plekken van de Engel waren er niet meer, of waren leeg. Na bijna dertig jaar was er meer veranderd dan Crowley had verwacht en hij had er moeite mee om de weg te vinden in de straten van Londen.
      Crowley zuchtte een tikkeltje wanhopig. Hij sloot zijn ogen en besloot zich te focussen op de grace van de Engel. Hij was eraan gewend geraakt in de tijd dat ze vrienden geworden waren en kon de aanwezigheid ervan altijd voelen. Een Engel zoeken op basis van hun grace was niet iets dat Demons graag deden, want het was pijnlijk en at hen van binnenuit op, het was te goed voor het slechte van Demons. Crowley huiverde pijnlijk toen hij de grace kon voelen, het vrat aan zijn ziel als een zuur. Het liet hem trillen, maar gelukkig duurde het niet lang om te volgen. Een paar minuten laten struikelde hij half een café in. De hoofdpijn die hij eerder van zijn kater had, was nu nog tien keer zo erg geworden en sloeg door zijn hele lichaam.
      Zijn ogen scanden de ruimte en werden automatisch naar Aziraphale getrokken. Hij zag er nog precies hetzelfde uit als de laatste keer, hij droeg zelfs nog die stomme hoed. De Engel had echt geen gevoel voor stijl en de Demon probeerde het plotselinge en ongewenste gevoel van genegenheid van zich af te schudden. Daar hoefde hij uiteindelijk geen moeite voor te doen. Een blik op de omgeving van Aziraphale zorgde ervoor dat zijn hart koud werd. Hij was niet alleen, er zat een jongeman naast hem.
      Dat op zich was natuurlijk niet al te vreemd, mensen raakten altijd aangetrokken naar hem als een mot naar het licht. Crowley vond het maar niks, hij zag hoe de mensen naar de Engel keken, hoe graag ze hem wilden aanraken, alsof hij een stukje hemel was dat ze voor zichzelf wilden houden. Het zorgde ervoor dat hij zijn eigen vergif in zijn keel voelde branden. Aziraphale leek dit echter niet te merken en was nooit echt geïnteresseerd in individuele mensen. De Demon had geleerd om zich er zo min mogelijk van aan te trekken.
      Daarom zou het niet als een verrassing moeten komen dat de man naar Aziraphale keek alsof hij de zon persoonlijk had laten opkomen deze ochtend, de manier waarop hij aan zijn lippen hing toen hij sprak. Zijn hand lag op de onderarm van de Engel, zo nonchalant, terwijl ze aan het praten was. De tafel voor hen lag vol met papieren en notities. Crowley negeerde het zware gevoel in zijn maag, het was prima zo.
      Hetgene wat ervoor zorgde dat hij aarzelde en een zachte grom over zijn lippen liet komen, was de manier waarop Aziraphale eruit zag. Hij leunde in de richting van de man, luisterend naar wat welke onzin hij dan ook aan het vertellen was. Niet omdat hij beleefd wilde zijn, maar omdat hij oprecht geïnteresseerd leek te zijn. Een hoop kon veranderen in bijna 30 jaar.
      Aziraphales hoofd schoot plotseling recht en weg van de jongeman. Zijn blik zocht de ruimte af en Crowley wilde zich verstoppen. Hij was kwaad en kwetsbaar en Aziraphale keek naar hem, een vlaag van verschillende emoties over zijn gezicht voordat deze neutraal werd. De Engel keek weg, wat ervoor zorgde dat het zware gevoel in Crowley’s hart enkel erger aanvoelde, en fluisterde iets tegen de man. Dat zorgde ervoor dat deze ook opkeek naar Crowley met een lichte walging. De man begon geruststellend over de arm van de Engel te wrijven. Aziraphale trok zijn arm weg voordat Crowley naar de tafel kon stampen en ervoor kon zorgen dat geen vies aanhangsel zijn Engel kon aanraken.
      De man grijnsde naar Crowley en draaide zich naar Aziraphale om iets te zeggen. Crowley had al snel door dat de man precies wist wat hij aan het doen was. Dit zorgde ervoor dat Crowley toch richting de tafel ging.
      “Zie ik je dan morgen, Zira?” vroeg de man, zijn notities tegen zijn borst gedrukt.
      “Hmm?” reageerde Aziraphale afgeleid.
      Met leedvermaak zag Crowley de grijns van zijn gezicht verdwijnen toen het mens merkte dat de Engel niet langer op hem aan het letten was. De Demon zwaaide iets meer met zijn heupen dan normaal terwijl hij naar de tafel gleed.
      “De lezing van het boek, twee uur, in de club?” drong hij aan en Crowley vond hem nu al irritant.
      Het werkte echter wel. Aziraphale schudde even met zijn hoofd alsof hij zijn aandacht weer bij hem wilde hebben, draaide zijn hoofd naar de man en glimlachte warm naar hem. Te warm, als je het aan de Demon vroeg.
      “Oh, ja, natuurlijk Oscar. Ik kan niet wachten.”
      Crowley voelde een vreemde opluchting dat hij zijn vriend geen dear had genoemd. Hij was zeker dat als hij dat gedaan had, hij Oscar niet levend het cafe had zien verlaten. In ieder geval niet met allevier zijn ledematen nog vast aan zijn lichaam. Crowley zakte in één van de stoelen, zijn hoofd deed nog steeds pijn. Aziraphale keek naar hem alsof hij iets verwachtte en Crowley wist heus wel wat dat was.
      “Ik dacht dat je niet fraternized met mensen,” snauwde hij. Er was geen geplaag in zijn stem te horen, hoewel hij daarop wel gehoopt had. Maar hij had er ook niet bepaald op gehoopt om Aziraphale te vinden in het gezelschap van een ander.
      Aziraphales ogen straalden iets kouds en oerouds uit. Iets dat Crowley eraan herinnerde dat dit niet de zachte, stralende Engel was waar hij gewend aan geraakt was om te beschermen. Dit was een soldaat van God, een schepsel dat was gemaakt uit supernova’s en die dit nog wist. Een moment lang vroeg hij zich af of Aziraphale hem zou smiten. In plaats daarvan probeerde de Engel op te staan en dit voelde nog pijnlijker. Crowley legde zijn hand op die van hem zodat dit niet kon en voelde Aziraphale onder zijn aanraking verstijven. Hij probeerde echter niet zijn hand weg te trekken en bleef zitten.
      “Ik ga je nog steeds niet helpen,” fluisterde hij uiteindelijk, gebroken maar uitdagend.
      Dat zorgde ervoor dat Crowley zich terug wilde trekken. Dat de Engel echt dat hij daarvoor hier was? Omdat hij iets van hem wilde? Hij was een Demon, maar niet zo wreed. Hij kneep zacht in de Engels hand.
      “Ik weet het en ik had het nooit van je mogen vragen.” Hij nam een diepe teug adem en met zijn vrije hand haalde hij zijn donkere bril van zijn gezicht af, het kon hem niks schelen wie het zag. Hij keek naar de Engel en probeerde zijn gevoelens in zijn blik te leggen. Daarna deed hij iets wat Demons niet deden, hij zelf uit principe ook niet. “Het spijt me. Het was fout van me om je zoiets gevaarlijks te laten doen, iets waar je je niet comfortabel bij voelde. En sorry dat ik zolang verdween en er zo lang over deed om mijn verontschuldiging aan te bieden.”
      Aziraphale trok zijn hand terug waardoor Crowley gepijnigd huiverde. Hij had iets verkeerds gezegd en dat realisatie zou er niet voor moeten zorgen dat zijn hart aanvoelde alsof het in stukjes brak. Hij was een Demon, hij zou nu toch wel eens geleerd moeten hebben dat hij dit niet goed kon doen. Daarbij, zelfs als de Engel hetzelfde zou voelen als hem, zou hij ongeveer vijf seconden nodig hebben om te zien wat een hot mess hij was.
      “Denk je dat ik daarom weigerde om je te helpen? Om het gevaarlijk is? Omdat ik bang ben voor mezelf?”
      Zijn stem klonk een paar octaven hoger dan normaal, maar niet helemaal schreeuwend. Omdat Crowley was gewend dat Aziraphale niet graag een scène schopte en een aversie had om op te vallen, grimaste hij als reactie. Daarna haalde hij lichtelijk zijn schouders op. Hij had net bijna 30 jaar een dutje gedaan na hun discussie, dus hij was niet degene om iemand te beoordelen om een beetje egoïsme.
      “Jij… jij… idioot!” Dit was het dichtst bij vloeken dat Aziraphale ooit was gekomen en Crowley staarde naar hem. “Weet je wat de Hemel zou doen als ze erachter kwamen dat we vrienden zijn? Als ik geluk heb, slepen ze me terug naar boven en zetten ze me achter een bureau en zie ik je nooit meer. Als ik geen geluk heb…” Zijn stem brak een beetje. “Als ze het wisten, zouden ze je vermoorden.”
      Aziraphale haalde diep, maar onwennig adem, zijn handen friemelend in zijn schoot. Crowley wilde zijn handen op die van hem leggen zodat hij ermee zou stoppen.
      “Sorry,” bood de Demon zijn verontschuldigingen opnieuw aan, trots dat zijn stem niet de barsten toonden die zijn ziel zeker weten wel hadden nu.
      Aziraphale schudde zijn hoofd en keek weg. Het leek alsof hij nog iets wilde zeggen, hij had zelfs zijn mond al geopend, maar nam opnieuw diep adem en liet zijn schouders hangen.
      “Je haar is gegroeid,” zei hij plots, na een paar ongemakkelijke minuten stilte.

Aziraphale was ongewoon aanhankelijk. Dat was hij meestal wel na een paar flessen wijn, maar nooit zoiets dit, zo aanhalig. Crowley kon niet zeggen dat hij het erg vond.
      Ze waren in de achterkamer van de boekenwinkel. Crowley zat op de bank en de Engel lag uitgespreid over de rest van de bank, zijn hoofd op de schoot van de Demon. Hij was op het moment aan het babbelen over een zeker herenclub waar hij lid van geworden was en hoe leuk het allemaal was, terwijl Crowley met zijn haar speelde. Als iemand ernaar gevraagd zou hebben, zou Crowley hebben gezegd dat de ander zijn handen daar geplaatst had. Dit was verrassend genoeg geen leugen.
      Crowley besloot te luisteren toen hij doorging over de vrienden die hij daar had gemaakt, voornamelijk de jongeman in het café, Oscar. Hij werd gedwongen te luisteren naar een hele monoloog over hoe intelligent het mens was, wat een geweldige auteur hij was, hoe hij bezig was aan een novelle die hij ging uitbrengen en hoe lief hij was geweest om aan Aziraphale te vragen om hem daarbij te helpen. Crowley had halverwege het gesprek besloten om de schouders van de Engel te masseren en was meer geïnteresseerd in hoe hij in zijn handen leunden en de zucht die af en toe over zijn lippen gleed. Toen besloot hij dat het geweldig zou zijn als ze elkaar allemaal ontmoetten en dat hij zeker wist dat ze beste vrienden zouden worden.
      “En hij weet ervan,” zei Aziraphale met een dubbele tong, hij draaide zijn ogen naar Crowley en fluisterde samenzweerderig. “De Afspraak.”
      Crowley bevroor. “Je hebt hem verteld dat je een Engel bent?”
      “Neeee, die andere,” giechelde de Engel. “Deel twee.”
      Dat maakte het zeker niet beter. Aziraphale praatte echter gewoon verder alsof hij Crowley’s ongemak niet opgemerkt had. Hij speelde met zijn haar en en draaide een koperkleurige lok om zijn vingers. Het contrasteerde met de witte huid van de Engel en hij rilde toen hij merkte hoe goed dat eruit zag, hoe het hem hongerig maakte naar de Engel.
      “Ik vind je haar echt leuk,” mompelde hij dromerig. “Tis net als in de tuin.” Aziraphale leek plotseling iets te beseffen en viel stil.
      “Angel?” zei Crowley zacht.
      “Ik dacht dat ik je nooit meer zou zien,” fluisterde Aziraphale uiteindelijk met tranen in zijn ogen. “Je kwam naar me toe en vroeg om holy water en toen verdween je en eerst dacht ik dat je boos op me was. Ik kon het je niet kwalijk nemen. Ik dacht dat je misschien een tijdje naar Hel was gegaan. Maar je kwam niet terug en ik dacht dat je het misschien zelf was gaan halen en er iets fout was gegaan en dat je nu een plasje in een kerk was geworden en het allemaal mijn schuld was.”
      Tranen liepen over zijn gezicht naar beneden en de Demon veegde ze weg met meer tederheid dan hij ooit zou toegeven. Hij kon zich niet inbeelden hoe de Engel zich gevoeld had moeten hebben, hij wilde het niet weten en wilde het gewoon beter maken, maar er was niks dat hij eraan kon doen.
      De Engel huilde en het enige dat Crowley kon doen was met zijn vingers door zijn haar gaan en hem zachtjes troosten. Hij was zielig en onwaardig.
Ergens was Aziraphale in slaap gevallen, zijn gezicht tegen Crowley’s buik aangedrukt. Crowley stopte niet met het spelen van zijn haar. Hij besefte dat dit meer intiem aanvoelde dan alles dat ze ooit gedaan hadden.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen