Warning: 16+

1915, The Ardennes, Belgium

Aziraphale wist dat Crowley een hekel had aan oorlog. De Demon had het nooit rechtuit gezegd, waarschijnlijk omdat dat te undemonic zou zijn. In plaats daarvan zei hij dat hij het saai vond en wees erop dat hij uit de echte Hel kwam en zo. De Engel kende hem nu ondertussen al zes millennia en besloot hier niks van te zeggen.
      De realiteit was dat Crowley zijn werk echt leuk vond, hij genoot ervan om mensen zich ellendig te laten voelen. Het zou Aziraphale zorgen baren als hij niet het type Demon had gekend dat genoot van martelingen en zo was Crowley niet. Zijn vriend schepte niet erg op over zijn voorkeuren, maar zes millennia liet weinig over aan de verbeelding. Het enige dat Crowley wel toegaf, was dat hij nooit een kind zou aanraken en dat vreselijke dingen zouden gebeuren bij iedereen die dat wel deed.
      Oorlog was anders. Oorlog zag geen verschil tussen oud en jong, man en vrouw, kind en volwassene. Aziraphale wist dit beter dan de meeste anderen, aangezien hij over het gesloopte slagveld heen liep. Beiden kanten waren kort gestopt met schieten op elkaar terwijl ze hun verliezen telden en nieuwe plannen maakten. De Engel gebruikte dit moment om ongezien over het slagveld te lopen en tegen de gevallen soldaten te praten. Hij wist dat hij niet veel kon doen, maar hij luisterde naar hen, kalmeerde hen en hield hun hand vast. De jongens stierven niet alleen en Aziraphale deed alsof dat genoeg was.
      Op momenten zoals deze begreep hij waarom Crowley zo’n hekel had aan oorlog. Hij wist zeker dat de Demon op dit moment in zijn appartement in Londen was en de tijd weg sliep. Aziraphale verlangde naar iets waar hij zijn vinger niet op kon leggen. Hierdoor dacht hij ook dat het zijn eigen verbeelding was toen hij de stem van zijn vriend zijn naam hoorde zeggen. Hij was moe, hij voelde het in zijn botten, en dacht dat zijn geest hem wilde troosten.
      De twee sterke handen die hem plotseling naar de grond duwden, net toen er kogels over zijn hoofd floten, waren zeker geen verbeelding.
      “What the fuck are you doing, Angel?” schreeuwde Crowley in zijn oor. “In hemelsnaam, geef me je hand!” siste hij nadat hij daar geen antwoord op had gekregen.
      Die woorden haalden Aziraphale uit zijn versuffing en hij keek naar de man die een meter van hem vandaag lag. “Ik heb een minuutje nodig, my dear boy.”
      Ondanks dat het geschut zo luid klonk, had Crowley hem duidelijk gehoord, want hij zuchtte overdreven en rolde weg van de Engel.
      “Een minuut en dan ga ik weg zonder je.”
      De man, een jongen niet ouder dan 19, liet een gorgelend geluid horen toen Aziraphale naar hem toe kwam. Hij had een meisje thuis en ze was zo prachtig en hield zoveel van hem. Hij wilde een poet worden en Aziraphale luisterde gewillig naar zijn favoriete gedichten terwijl hij hem prees voor hoe mooi ze waren. Hij was een talentvolle jongeman en dood aan het bloeden in de witte sneeuw, terwijl de Engel zijn haar streelde en luisterde. Aziraphale was iets rechter op gaan zitten en wonderlijk genoeg raakten de kogels hem niet.
      “Kunnen we eindelijk gaan?” vroeg Crowley ongeduldig toen de jongeman zijn laatste adem had uitgeblazen.
      “Een moment, Crowley.”
      Aziraphale probeerde de hand van Crowley te ontwijken terwijl hij probeerde te luisteren naar de omgeving. De kogels waren gestopt, maar het was niet stil. Hij kon duidelijk gezang horen.
      “Er gebeurd iets… Volgens mij zijn ze aan het zingen.
      “Al dansen ze de fucking Gavotte. Je hand Aziraphale, nu.”

Het moment dat ze veilig en alleen waren, had Crowley de Engel bij zijn kraag gegrepen en tegen de muur geduwd.
      “Wat is er in hemelsnaam mis met jou?” gromde de Demon met een snauw. “Je zou ontlichaamd zijn als ik er niet was geweest!”
      Crowley was zo dichtbij dat de Engel zijn hart luid en snel kon voelen, zijn warme adem op zijn wang. Hij zou bang moeten zijn en wist dat hij dat ooit was. Maar nu zorgde zijn nabijheid ervoor dat hij dacht aan kussen midden in de nacht en dwalende handen. De manier waarop Crowley kreunde tegen zijn mond en siste als hij opgewonden was. Plotseling kuste Aziraphale hem. Zijn handen gleden over Crowley’s nek en trok hem dichter tegen hem aan. Het duurde maar een seconde voordat Crowley zijn kraag losliet en zijn handen om zijn middel sloeg en hem dichter tegen de muur aan duwde, terwijl hij zelf tegen Aziraphale aan leunde.
      Hun lichaam zo dichtbij elkaar als mogelijk gedrukt, probeerde Aziraphale een kreun in te slikken toen hij de heupen van de ander hard tegen hem aan voelde duwen, waardoor hij tegen de muur werd gedrukt, en Crowley kreunde. Aziraphale duwde zijn heupen terug, wanhopig om die kreun nogmaals te horen. Gulzig wilde hij het nog een keer doen, maar Crowley’s handen hielden hem stijf tegen de muur aangedrukt zodat hij niet kon bewegen, wat hij uitermate oneerlijk vond. Net toen hij er iets van wilde zeggen liet Crowley hem los en deed hij een stap naar achteren.
      “Denk maar niet dat dit ervoor zorgt dat ik niet meer kwaad op je ben.”
      “Misschien zou je moeten stoppen met me tegen de muur te drukken elke keer als je boos bent, my dear, het geeft nogal een verkeerde indruk,” plaagde de Engel met een glimlach, waardoor de ander met zijn ogen rolde. “Waar zijn we eigenlijk?”
      Crowley haalde zijn schouders op. “Ik maak niet echt reserveringen, Angel. Het is een lege hotelkamer en we worden niet gestoord. Het is genoeg.”
      De Engel nam plaats op de rand van het bed en nam de kop met een dampende inhoud aan van Crowley. Hij wilde hem vragen om iets sterkers, maar een blik op de Demon zorgde ervoor dat hij ervan af zag. Een slokje van de warme chocolademelk en hij realiseerde dat dit precies was wat hij nodig had.
      “Dus, welke hersendode Archangel heeft je beveelt om je idiote kop te riskeren om met de stervenden te praten? Ik denk dat ik ze eens ga opzoeken…”
      Crowley ging langzaam naast Aziraphale zitten, alsof hij hem de tijd gaf om op te schuiven als hij dat zou willen. Hij ging zo dichtbij zitten dat hun benen elkaar aanraakten. Aziraphale bloosde, maar niet om de aanraking. Zijn vriend zou zomaar eens kunnen besluiten dat hij Aziraphale hiervoor wilde ontlichamen. Hij liet zijn hoofd zakken en murmelde iets in zijn nek, hopend dat hij het niet hoefde te herhalen.
      “Sorry, wat zei je?”
      Crowley klonk niet alsof hij het echt niet gehoord had, maar alsof hij niet kon geloven wat hij precies gehoord had. De Engel keek op.
      “Ik zei, het was niet precies een bevel van Bovenaf.”
      En Crowley keek alsof hij de Engel wel kon wurgen. Hij opende zijn mond, waarschijnlijk om hem de les te lezen over hoe idioot hij wel niet was en Aziraphale veranderde snel het onderwerp.
      “Dat was mooi toch, beide kanten die hun wapens neerlegde en kerstliedjes zongen,” zei hij en hij ging iets rechter op zitten. “Wat een mooi wonder van Bovenaf.”
      Crowley snoof. “Oh Angel,” spotte hij. “dat was niet de Hemel.”
      “Wat bedoel je? Ze stopten met elkaar vermoorden om de geboorte van Jezus te vieren. Wat is er heiliger dan dat?”
      “En morgen zullen ze schieten op de mensen met wie ze het aan het vieren waren. Wat is er meer gewetenloos dan dat?”
      “Misschien niet. Ze hebben hun vrije wil,” zei hij, hoewel zijn schouders naar beneden gezakt waren en Crowley haalde zijn schouders op. “Wat deed jij daar eigenlijk?” vroeg hij, zijn wenkbrauw achterdochtig samengetrokken.
      Hij had zo half verwacht dat de Demon zijn vraag weg zou wapperen. Heimelijk, in het gedeelte van zijn hart dat hij eeuwen geleden had geïsoleerd van de rest, hoopte hij dat Crowley zou zeggen dat hij daar voor hem was. Maar de Demon keek weg van hem, ongewoon zenuwachtig.
      “Ik zei het toch, het was niet echt een hemelse interventie,” gaf Crowley toe zonder op te kijken.
      Aziraphale beet op zijn lip. Het is vast niet het ergste dat de Demon had gedaan en het moorden van tenminste voor een nacht gestopt. De Engel durfde niet aan zichzelf te vragen waarom en voelde een zware leegte in zijn ziel. De stilte om de twee was zwaar en Aziraphale wist zeker dat het zijn schuld was. Hij dronk zijn mok in een teug leeg, gewoon zodat hij op kon staan om de mok op de tafel te zetten. Hij moest waarschijnlijk gaan, Crowley had wel betere dingen te doen dan zitten kniezen met hem. Hij draaide zich om zodat hij dit kon zeggen, maar plotseling stond de Demon naast hem. Zijn blik was onleesbaar. Aziraphale voelde zich als een schooljongen die straf kreeg van zijn leraar, terwijl de leraar hem ook geheel op wilde eten.
      Hij zat er niet veel naast. Crowley tilde hem op de tafel en ging tussen zijn benen instaan. De mok die hij daarnet had neergezet, rolde om en viel op de grond. Hij kon er niks aan doen en genoot terwijl de Demon zijn nek kuste, wisselend tussen zachtjes zuigen op zijn huid en zijn tanden erin zetten. Hij was ook aan het praten, wat een hoop tijd wegnam van het kussen, en Aziraphale had moeite om zich erop te concentreren.
      “... zo’n idioot. Maakt het niks uit. Kon opgeblazen worden. Maar nee, laten we de hand van die gast vasthouden. Dom. Idioot.”
      Aan het einde van elke zin zette hij een kus in zijn nek en Aziraphale kon er niks aan doen, hij begon te giechelen. Hij kon er niks aan doen, de ander was zo schattig terwijl hij zich boos druk maakte om hem. Crowley gaf hem een vernietigende blik, wat niet erg vernietigend over kwam door de manier waarop zijn haar de war zat en zijn lippen zo rood geworden waren. De Engel deed zijn best om niet nogmaals te giechelen.
      “Zijn beledigingen je nieuwe manier om me opgewonden te krijgen?” vroeg hij speels.
      Crowley antwoordde in eerste instantie niet, hij duwde enkel zijn heupen naar voren en ontmoette daar reden dat de Engel ‘opgewonden’ was. Aziraphale snakte naar adem en Crowley kuste de witte, hete huid van zijn nek opnieuw. De Engel wilde meer en sloeg zijn benen om zijn middel heen om hem dichtbij hem te brengen. De lome manier waarop Crowley zijn heupen tegen Aziraphale aan duwde, stopte plotseling, en Aziraphale kermde gefrustreerd. Als hij niet beter wist, had hij gedacht dat de Demon hem strafte. Hij probeerde de knoopjes van zijn broek los te maken, maar Crowley pakte zijn handen vast en klemde deze vast achter zijn rug.
      “Nee,” gromde Crowley en Aziraphale wilde hem nu alleen nog maar meer. “Je blijft hier zitten en denken over wat je gedaan hebt.”
      Nadenken was erg moeilijk, zeker omdat Crowley knabbelde aan zijn schouders, terwijl een van zijn handen bezig was om de knoopjes van zijn shirt los te maken, zijn andere hand hield Aziraphale’s handen nog steeds vast achter zijn rug en hij had zijn lichaam zo dicht mogelijk tegen hem aangedrukt. Maar hij was een Engel en zou zich niet verontschuldigen voor het doen van zijn werk, zelfs niet toen Crowley iets bijzonder onzedigs deed met zijn heupen.
      “Ik heb niks verkeerd gedaan,” stelde hij vast, het kwam eruit als een zacht gejammer.
      “Come on, Angel,” spinde de Demon in zijn oor. “Wil je discussiëren over ethiek of wil je dat ik je pijp?”
      Crowley’s tong likte langs de lengte van zijn nek en Aziraphale was er heel zeker van dat hij spontaan zou stikken in niks. Uiteindelijk gaf hij, lichtelijk wanhopig, toe.
      “Oke, ja, mijn excuses.”
      “En je bent de volgende keer voorzichtiger.”
      Aziraphale gaf Crowley van onder half gesloten oogleden een blik. De Demon deed dat ding weer, waar hij zijn hele lichaam tegen die van hem liet aanglijden.
      “Ja, ja, ik zag voorzichtiger zijn. Alsjeblieft,” smeekte hij bijna snikkend.
      Het kon erger, als de Demon hem had gevraagd om het nooit meer te doen, wist Aziraphale niet zeker of dat wel had kunnen weerstaan. Crowley glimlachte zelfvoldaan en kuste hem zacht op zijn wang.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen