1942, London, England

Crowley gleed in de bestuurdersstoel van de Bentley en wachtte tot Aziraphale ook instapte. De Engel leek er niet helemaal bij te zijn, de tas met boeken had hij stevig tegen zich aangedrukt en hij knipperde terwijl hij afwezig voor zich uit keek zonder aanstalten te maken om in de auto te stappen. Crowley leunde naar de passagierskant om de deur te openen.
      “Kom je nog, Angel?”
      “Oh, ja. Ja, natuurlijk,” mompelde hij en hij stapte onhandig in.
      “Alles goed?” vroeg Crowley met opgetrokken wenkbrauwen.
      “Perfect!” antwoordde hij, hoewel hij er alles behalve goed uitzag. “Het is allemaal goed, ik bedoel, ik ben helemaal goed.”
      Crowley tuurde sceptisch naar de Engel, maar besloot er niks van te zeggen en startte de auto. “Alright.”
      Hij reed weg van de stoep en manoeuvreerde de auto tussen het puin van de kerk door. Aziraphale was ongewoon stil tijdens de rit en staarde recht voor zich uit. Hij zei er niks van dat Crowley veel te hard reed, zelfs niet toen de Demon zonder te kijken over een kruispunt snelde.
      “Naar de boekenwinkel?” vroeg hij.
      “Oh, ja, graag. Dank je wel.”
      “Weet je zeker dat alles goed is?” vroeg hij opnieuw.
      “I love you.”
      Crowley crashte bijna met de auto, gelukkig wist de Bentley dat hij niet tegen de lantaarnpaal moest crashen en week uit. Zijn hoofd draaide zich zo snel om dat hij bijna een spier verrekte, en staarde naar de Engel. Aziraphale straalde naar hem, een felle maan in het donkere bos dat het leven van de Demon was. Hij leek zo open, zo prachtig en voor een milliseconde liet Crowley toe dat hij het geloofde. Een warmte in hem groeide, een warmte die hij in geen millennia gevoeld had, sinds hij was gevallen. Zijn stropdas voelde te strak om zijn nek en hij vroeg zich af of hij zou stikken.
      Zijn blik gleed omlaag naar de boeken in de leren tas die hij gered had en die Aziraphale nog steeds tegen zijn borst gedrukt had. Een ander beeld flikkerde voor zijn ogen, de Engel op zijn knieën tussen zijn benen, gewoon omdat hij hem gered had van wat papierwerk, had hij de Demon precies gegeven wat hij gewild had als bedankje.
      Iets duisters en hatelijk bewoog zich in hem en voor een moment voelde hij zich kwaad. Aziraphale zou toch zeker niet zo wreed zijn? Hij was een Engel, hij wist precies hoe Crowley zich voelde, hij zou hem nooit zo martelen. Hij zou nooit zijn liefde voor zijn neus houden zodat hij het daarna weg kon trekken. Hij wierp nog een blik op de Engel, wiens glimlach lichtelijk vervaagde, maar nog steeds het mooiste was dat hij ooit gezien had, en zijn woede trok weg. Aziraphale gaf hem precies wat hij wilde. Zoals hij altijd gedaan had. Het was niet zijn schuld dat Crowley hebberig was.
      “Dus dit is nu hoe we dank je wel zeggen?” slaagde hij erin om te plagen, zijn stem enigszins ruw, maar verder helemaal normaal. Crowley was trots op zichzelf, hij had immers wel eeuwen gehad om te oefenen.
      “Natuurlijk niet!”
      De Demon keek expres niet opzij naar Aziraphale, hij wist zeker dan die aan het pruilen was. Hij was bang voor wat hij zou doen als hij dat zou zijn. Hij was hoopvol geweest, zo lang geleden. Hij had gedroomd dat zijn vriend hem zou vertellen dat hij hem waarschijnlijk wel een kans kon geven, zou kunnen proberen om van hem te houden. Het was dwaas, zelfs in zijn eigen fantasie. Demons droomden niet, maar ze konden ook geen liefden voelen en het voelde altijd als nog een manier van Hel om hem te martelen.
      “Ik heb toch liever de andere manier waarop je me kan bedanken,” zei hij uiteindelijk en probeerde er suggestief bij te grijnzen.
      De Engel had het niet eens door, zijn ogen waren gevestigd op de weg voor hen. Een paar seconden later hoorde hij hoe de tas met boeken op de grond viel met een bonk en hij had het gevoel dat zijn maag net zo hard viel. Crowley was niet dom, hij wist dat de Engel genoot van zijn gezelschap, hij zocht hem zelfs op. Ze waren vrienden en tot zijn verbazing was Aziraphale gestopt met het ontkennen daarvan een paar decennium geleden.
      Aziraphale was perfect. Engelen hielden van alles op dezelfde manier dat mensen van een mooie zomerdag hielden. Het was onpersoonlijk en koud en toch wist Crowley dat hij geluk had als hij dat kon krijgen. Demons stonden nou niet bepaald bekend om hun beminnelijke kwaliteiten. Maar Aziraphale was anders geweest, hij had hem niet gesmite toen Crowley naar hem toe kwam die eerste keer en was niet teruggedeinsd met walging. De Engel gaf hem vriendschap en kameraadschap en Crowley’s egoïsme had het weten te verspillen. Hij bleef maar om meer vragen en Aziraphale, divine, perfect, had het aan hem gegeven. Maar zelfs de Engel had zijn limiet. Zelfs hij zou hem dit niet geven.
      “Ik heb je deze woorden persoonlijk tegen een slak horen zeggen, Angel.” Zijn stem klonk vol minachting voor zichzelf.
      “Oh, maar hij was zo’n schat,” murmelde Aziraphale teder. “probeerde de weg over te steken, helemaal alleen.”
      Crowley gromde verslagen. “Alsjeblieft, begin niet gehecht te raken aan elk weten dat je ziet,” pleitte hij, terwijl hij zich herinnerde hoe Aziraphale kirde tegen de slak en als Crowley het kon, was hij nog iets verder gevallen.
      De Engel bromde enkel als antwoord. De rest van de rit reden ze weer in stilte. Er kwam geen geluid uit hem, zelfs niet toen Crowley, zeker niet om een reactie uit hem te krijgen, bijna een oudere man omver reed.
      Uiteindelijk waren ze bij de boekenwinkel en terwijl Aziraphale naar het gebouwd toeliep had hij Crowley nog steeds geen blik waardig gekeurd. Die bedacht zich dat het waarschijnlijk wel een erg traumatische gebeurtenis moest zijn geweest voor de Engel, bijna doodgaan en dan ook nog eens bijna zijn boeken kwijtraken. Maar die gedachte stopte de pijn in zijn hart niet.
      “En stop met de held spelen, oké,” gromde hij, zijn ogen fonkelend achter zijn donkere bril.
      Met zijn heup tegen de auto aan probeerde Crowley wanhopig om er nonchalant uit te zien. In werkelijkheid voelde hij zich net een roofdier die zijn prooi aan het stalken was, wachtend op het perfecte moment. Aziraphale liep naar de deur en opende deze, zijn licht gebogen postuur zichtbaar tegen de verlichte achtergrond, en hij aarzelde. De Engel ging het doen, hij was te beleefd, en Crowley deed niks, bang om de Engel af te schrikken.
      “Wil je binnenkomen?”
      Aziraphale was niet Brits, maar had genoeg tijd hier gespendeerd om de irritante gewoonte op te pikken waar hij een vraag stelde omdat het voelde alsof hij dat moest doen. Normaal gesproken zou Crowley de hint hebben begrepen en hem goedenacht gewenst hebben. Nu grijnsde hij enkel en slenterde hij naar binnen, gevolgd door een zenuwachtige Aziraphale.
      Eenmaal binnen leunde hij tegen de zijkant van een schap met boeken, zijn armen over elkaar heen geslagen, terwijl hij keek hoe de Engel zich zenuwachtig maakte. Hij was er goed in, dat leunen, Hij vond dat het hem een uitstraling gaf van geraffineerde dreiging en hoe voelde zich behoorlijk bedreigd terwijl zijn ogen Aziraphale volgden, die rond schuifelde alsof hij de weg kwijt was in zijn eigen boekenwinkel.
      Het was erger voor de Engel dan Crowley verwacht had. Geen wonder dat hij… Hij voelde een withete woede door zijn lichaam heen stromen. Hij kon nog altijd de drie Duitse heren in Hel een bezoekje brengen en hen laten zien wat echte pijn was. Crowley kon het de Engel niet kwalijk nemen wat hij gezegd had en zijn woede was vooral gericht op degene die het volgens hem veroorzaakt hadden.
      Aziraphale liep naar de achterkamer van de boekenwinkel nadat hij de boeken terug op de plank gezet had in de verkeerde volgorde. Als Crowley het niet eerder door had gehad, dan zou hij het nu wel weten. Er was iets vreselijk mis. Hij vertrouwde het niet om de Engel nu alleen te laten en volgde hem naar de achterkamer. Met een discrete handbeweging zette hij de boeken in de juiste volgorde.
      “Wil je thee?”
      De stem van de Engel had een doffe klank toen hij dat vroeg. Crowley volgde hem naar de kleine keuken en keek toe hoe hij thee maakte. Hij hoefde eigenlijk geen thee en had hem willen stoppen, maar hij besefte dat de Engel deze simpele routine nodig had. Het kalmeerde hem altijd. Dus zei hij niks, maar verrichtte hij in stilte een wonder of twee. De theepot was plotseling niet heet toen hij hem vastpakte, het gas ging uit zichzelf uit en een theekopje zette zichzelf recht nadat hij bijna van het schoteltje afviel.
      “Angel?” vroeg Crowley zacht toen hij er niet meer naar kon kijken.
      Misschien niet het juiste om te doen, want Aziraphale schrok op. Hij draaide zich snel om en zwiepte met zijn elleboog een theekopje van de tafel. Onder de blik van Crowley verdween het kopje, om opnieuw te verschijnen op tafel, geen druppel thee gemorst. Aziraphale had het niet door en bleef staan tobben. Met enkele grote stappen stond Crowley voor hem en hij pakte zijn handen vast die met de knopen van zijn vest aan het friemelen waren.
      “Is alles goed, Aziraphale?” vroeg hij en hij hield de zachtheid uit zijn stem terwijl hij zijn naam uitsprak, iets wat hij niet vaak deed.
      De Engel keek hem aan, zijn ogen wijd open en wazig. Hij kon de pijn zien en greep die hij had om zijn handen werd iets steviger. Hij was blij dat hij zijn zonnebril nog op had want één blik en zijn vriend zou geweten hebben dat dit verder ging dan gewone bezorgdheid en in het gevaarlijke territorium kwam van ‘ik zag iedereen pijn doen die je ook maar verkeerd aankijkt’. De Engel keek weg, zijn onderlip trilde. Hij beet erop. Aziraphale was kwetsbaar en gekweld en Crowley wist niet wat hij moest doen. Dat wist hij nooit.
      “Ik denk dat ik beter kan gaan,” zei hij uiteindelijk laf.
      Het was waarschijnlijk het beste idee, Aziraphale zou vast in zijn eentje willen relaxen en een Demon die dreigend in de buurt was hielp vast niet. De Engel verstrengelde hun vingers en kneep zachtjes in zijn handen. Hij kon de makkelijke uitweg nemen en het zien als een afscheid, naar Aziraphale grijnzen en weggaan en pas terugkomen als hij zich beter voelde en doen alsof er nooit wat gebeurd was. Hij hoefde er niet te zijn voor nasleep, er werd niet van hem verwacht dat hij hem zou helpen.
      Crowley kneep zachtjes terug om hem te laten weten dat hij bleef. Aziraphale liet hem niet los, zijn greep was warm en constant door de avond heen. Ze praatten niet, maar dronken. Deze ene keer hij geen standje van hem toen hij fles na fles dure wijn uit de stoffige kelder van een of andere rijke snob tevoorschijn toverde. Aziraphale nam ze aan zonder woorden, hij kreeg alleen af en toe een kneepje als het een bepaalde favoriet van hem was.
      Crowley wilde hem vertellen dat de Engel zich geen zorgen hoefde te maken. Hij zou er altijd zijn om hem te redden, hij was er altijd voor hem geweest en heeft hem altijd in het duister gevolgd om hem uit de problemen te houden. Hij zou alles voor hem doen. Maar hij kon hem dat gewoon niet vertellen. In plaats daarvan toverde hij nog een fles wijn tevoorschijn en keek hij toe hoe de rimpels uit het gezicht van de Engel verdwenen en zijn blik waziger werd en de pijn niet meer zichtbaar was.
      Normaal gesproken sprak Aziraphale onsamenhangend en veel als hij eenmaal goed dronken was en Crowley hield ervan, hij hield eigenlijk van alles wat de Engel deed. Hij hoopte dat als hij hem dronken genoeg kreeg, hij zou vertellen wat er mis was en hij het kon oplossen voor hem. Maar de Engel bleef stil en keek niet eens op naar Crowley.
      Vele flessen later wiebelde Aziraphale op zijn benen, trekken aan de hand van Crowley om hem te volgen. Aziraphale nam hem mee naar boven, leunend op Crowley en normaal gesproken zou hij verrukt geweest zijn, dat warme gewicht en het vertrouwen, enkel en alleen voor hem. Aziraphale voelde kwetsbaar en gebroken in zijn armen het Crowley voelde alsof hij elk moment ook kon breken. Aangekomen bij zijn bed liet de Engel hem los voor het eerst in een aanzienlijke tijd en Crowley kreeg het koud. Hij keek toe hoe zijn vriend het bed in klom, schoenen en al, en knipte met zijn vingers om deze voor hem te verwijderen. Hij wist dat Aziraphale dat zelf had gedaan als hij niet black-out dronken was, maar toch voelde het verkeerd, alsof hij er zijn voordeel mee zou doen.
      Crowley draaide zich om weg te gaan, maar een smekend gejammer hield hem tegen. Na alles wat ze gedaan hadden, hadden ze nog nooit een bed gedeeld en Crowley aarzelde. Was het Aziraphale die hem vroeg om te blijven, of was het zijn angst? Het gejammer kwam opnieuw en dit keer iets luider en hij besefte dat het hem niks uitmaakte. Hij trok zijn schoenen uit en liep haastig naar de andere kant van het bed, bang dat zijn vriend van gedachte zou veranderen. Hij ging op zijn rug liggen, niet wetend wat hij moest doen en bang om te bewegen. Het bed was klein, kleiner dan die van hemzelf, maar groot genoeg dat ze er beiden in konden liggen zonder elkaar aan te raken.
      Hij probeerde te bedenken hoe hij een paar centimeter van het bed af kon toveren zonder dat Aziraphale het door had toen de Engel naast hem bewoog. Voordat hij het wist, krulde hij zich tegen Crowley aan, zijn hoofd op zijn borst en een warme arm over zijn buik. Hij trilde lichtjes en automatisch sloeg Crowley zijn arm om zijn schouder, die hij zachtjes streelde, en trok hem dichter naar zich toe.
      ”I love you,” echode zijn woorden in zijn hoofd.
      Oh Satan, hoe hij daar naar smachtte.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen