. . .

‘Ben je fucking serieus, Gilly? Ben je een wijf ofzo, met je vriendschapsarmbandjes?’ Angels lach schalde door de uitgestorven straat. Hij leunde tegen de auto waar ze net haar spullen in hadden gezet. Een sigaret bungelde nonchalant uit zijn mondhoek.
      Gilly haalde zijn schouders op. Een lichte blos kleurde zijn wangen. ‘Ik wil gewoon dat ze weet dat ze niet alleen is. Ook al zal dat soms wel zo lijken. Voor altijd – dat zeiden we altijd over onze vriendschap. Maar nu – nu gaat ze zo ver weg wonen en voor je het weet, heb je elkaar al maanden niet gesproken…’
Hoopvolle ogen keken naar haar op, hopend dat zij wel begreep waarom hij het belangrijk vond.
      Alesia wenste dat ze kon glimlachen, maar dat lukte niet. Ze wenste dat het haar wat deed, dat het haar verwarmde – maar dat deed het niet. De onverschilligheid drukte gewoon zo zwaar op haar.
      In één dag was ze alles kwijtgeraakt. Haar ouders, haar huis, haar leven. Haar twee beste vrienden kon ze ook nog wel aan dat rijtje toevoegen.
      Gilly negeerde Angels commentaar en Alesia’s gelatenheid. Hij stak zijn hand uit. Alesia hield die van haar op. Het armbandje dat er in viel bestond uit zes gevlochten zwarte draden, waarvan de middelste twee met een ijzeren oneindigheidsteken bij elkaar werden gehouden.
      Het zag er cool uit, moest Alesia toegeven.
      ‘Dank je,’ zei ze zacht.
      Angel zette zich van de auto af, nu toch ook wel nieuwsgierig en gluurde over Gilly’s schouder. ‘Dat ding ziet eruit alsof ik het zou moeten kennen.’
      ‘Het oneindigheidsteken,’ verklaarde Gilly, zijn stem ietwat verontwaardigd omdat zijn vriend een uitleg over dat symbool moet krijgen. ‘Je weet wel. Oneindige vriendschap enzo.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Mijn ma zei dat het mooi was.’
      Angel grinnikte om de laatste toevoeging. ‘Dat was het totdat je zei dat het je moeders idee was.’
      ‘Doe niet zo flauw, Angel,’ zuchtte Alesia.
      Hun ogen ontmoetten elkaar even. Ze wist best dat zijn luchtigheid gespeeld was, dat hij het zijn manier om met deze vreselijke tragedie om te gaan. Zwijgend pakte hij het armbandje van Gilly aan, waarna ze het alle drie om hun pols schoven. Ze hieven hun hand, staarden er een tijdje naar. Beide jongens sloegen een arm om haar schouders en om die van elkaar, en zij deed hetzelfde.
      Haar ogen brandden alsof er tranen moesten komen, maar na de afgelopen weken was daar niets van overgebleven. Ze boog haar hoofd, liet die tegen de twee jongens leunen.
      ‘Voor altijd,’ fluisterde ze.
      Twee woorden die hun betekenis een paar dagen geleden volledig waren verloren. Toch gaf het haar een klein beetje troost.
      ‘Voor altijd,’ beaamden de twee jongens.


Alesia zat op de rand van het bed terwijl haar duim het oneindigheidsteken op de armband volgde. Het was een maand geleden dat ze naar Oakland was verhuisd om bij haar oma te gaan wonen. De vrouw had amper tegen haar gesproken, ze werd door haar eigen verdriet gekweld. Een kind verliezen zou geen enkele ouder mee moeten maken, ongeacht hun leeftijd.
      Alesia zorgde meer voor haar dan andersom. Ze deed de boodschappen, kookte, zorgde ervoor dat haar oma nog iets binnenkreeg. Erg vond ze het niet – het hield haar bezig. Ze was bang dat ze anders net zo zwijgend voor zich uit zou staren als haar grootmoeder.
      Vandaag moest ze echter echt het huis uit. Haar eerste dag op een nieuwe school. In haar examenjaar kwam ze aanzetten, terwijl school al twee maanden was begonnen. Alsof dat nog niet erg genoeg was voor een tiener. En dan zag ze er ook nog eens uit als een freak.
      Ze stond op en liep naar de spiegel toe. Haar duim streek langs het vurige litteken dat dwars over haar oog liep. Het kunstoog had ze nog niet lang, slechts een paar dagen en ze moest erg aan het glas wennen. De wond stak soms nog steeds. Met een zucht staarde ze naar haar mismaakte gezicht. Ze had al overwogen om haar gezicht volledig te bedekken, maar het had geen zin. Ze kon niet verbergen wie ze was.
      Een slachtoffer van een gruwelijk misdrijf.
      Ze had geen keuze, ze moest er doorheen. De rest van haar leven zouden mensen haar blijven aankijken. En misschien – misschien zouden ze niet gaan staren en zouden ze gewoon doen alsof er niets mis met haar was.

Dat deden ze niet.
      Fluisteringen volgden haar door de gangen van haar nieuwe school. Meisjes staarden, jongens gniffelden. Ze negeerde het, vertelde haarzelf dat ze hier kwam om te leren. Hurkend voor haar kluisje verwisselde ze haar boeken, de omslagen moest ze dicht bij haar gezicht houden omdat haar ene oog het gemis van de ander nog niet kon corrigeren.
      ‘Het freakcircus is een straat verderop,’ klonk een spottende stem.
      Vanuit haar ooghoek zag ze een schaduw. Alesia deed net alsof ze de opmerking niet had gehoord en ging verder met haar bezigheden totdat ze de juiste spullen had. Daarna kwam ze overeind. Ze wilde zich van de jongen af draaien, maar hij greep haar ruw bij haar arm en draaide haar terug.
      ‘Wie denk je wel niet dat je bent? Denk je dat je boven de hiërarchie staat omdat je nieuw en lelijk bent?’
      Alesia balde haar vuist. Opgroeien met jongens als Angel had ervoor gezorgd dat ze best een goeie vuist kon uitdelen. Maar hier kende ze niemand, de jongens die ze altijd in haar rug had gehad, waren er niet. Ze was helemaal alleen en tegen deze kleerkast kon ze niet veel uitrichten.
      Het gegrinnik op de achtergrond vertelde haar dat hij níét alleen was.
      ‘Laat me met rust,’ zei ze alleen en ze gaf een ruk aan haar arm. Hij liet haar ogenblikkelijk los, waardoor ze haar balans vandoor en tegen de kluisjes aan klapten. Een lachsalvo steeg op. Schaamte prikte in haar gezicht vanwege haar verstoorde evenwicht.
      De bullebak stapte weer op haar af en staarde op haar neer. ‘Wat heb je er voor over om met rust gelaten te worden? Zulke gunsten verleen ik niet zomaar.’
      Alesia zweeg nog steeds en probeerde zich los te trekken.
      ‘D’r is alleen wat mis met je oog, je kan nog prima praten,’ grauwde de jongen. ‘En je zou moeten weten dat –’
      Opeens werd hij tegen de kluisjes aangekwakt. Het lachen was opgehouden. Terwijl hij zich weer van de muur afzette, greep een lange jongen hem bij zijn kraag en ramde zijn vuist midden in het gezicht van de ander. ‘Nog één opmerking tegen haar en jij hebt twee van zulke ogen,’ klonk het dreigend.
      Hoe stoer de jongen zich ook gevoeld mocht hebben; nu wist hij niet hoe snel hij zich uit de voeten moest maken. Een beetje verdwaasd keek Alesia naar haar redder. Net als zij was het een latino, al waren zijn ogen opvallend blauw.
      ‘Ben je oké?’ vroeg hij. Eerst keek hij in haar ongeschonden oog, daarna zag ze dat zijn blik ook even naar het litteken gleed.
      ‘Ja,’ antwoordde ze zacht.
      ‘Blijf maar bij mij,’ zei hij. ‘Dan doet niemand je wat.’
      Alesia vroeg niet waarom dat zo was. Iets aan zijn houding deed haar aan Angel denken, die ook altijd heel hard naar anderen kon zijn, maar een hart van goud had. Ze voelde zich gelijk bij hem op haar gemak.
      ‘Hoe heet je?’ vroeg hij toen ze met hem opliep naar wat ze vermoedde dat de aula was.
      ‘Alesia.’ Ze gluurde even naar zijn knappe gezicht. ‘En jij?’
      ‘Esai. Esai Alvarez.’
      Hij keek haar aan alsof die naam haar iets moest zeggen, maar dat deed het niet.
      Ze knikte. ‘Dank je. Patrouilleer jij door de gangen om verschoppelingen te redden?’
      ‘Alleen als ze mooi zijn,’ zei hij met een knipoog.
      Ze voelde dat haar wangen een blos kregen. Ze had niet verwacht dat iemand haar ooit nog mooi zou noemen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen