1949, London, England

Crowley had de intentie gehad om eerder langs de boekenwinkel te gaan. Dagen werden maanden, maanden werden jaren. Het was niet zo dat hij de Engel ontweek, hij was een Demon, de originele verleider, de serpent van Eden. Er was niks dat hem kon afschrikken. Het was gewoon zo dat hij een belangrijke trip naar Amerika had die hij, natuurlijk, niet uit kon stellen, dus hij moest weg. Crowley schreef nog steeds een brief naar Aziraphale en stuurde deze op, met een uitleg waarom, want hij was geen complete klootzak en hij wilde zijn kans op vergeving bij de Engel niet helemaal verspelen.
      Toen hij eindelijk terug kwam, was de oorlog voorbij, wat een hele hoop andere problemen met zich meebracht. Als hij had gewist dat Hitlers zelfmoord zoveel uren papierwerk met zich mee had gebracht, was hij zelf naar Berlijn gereisd en had de man zelf omgelegd. Wat toevallig ook was wat hij gezegd had in zijn rapport. Niet dat Crowley hem ooit ontmoet had, hij was te druk bezig geweest met het verdrinken van zijn hersencellen in een herberg in Frankrijk.
      Maar nu kon hij het niet langer uitstellen. Zijn excuses waren op, evenals het verlangen om weg te zijn van de Engel. Met een picknickmand vol lekkernijen die toevallig Aziraphale's favorieten waren, in zijn kofferbak, reed hij naar de boekenwinkel. Vrienden. Ze konden vrienden zijn.
      Zijn handen trilden lichtjes toen hij de deur knop omdraaide. De actie was een grote verrassing voor de deur die toch behoorlijk zeker was dat hij een moment geleden nog op slot geweest was.
      “Ik ben bang dat we vandaag gesloten zijn,” klonk het beleefd van binnen in de winkel. Aziraphale leunde over het bureau, zijn rug gedraaid naar Crowley en hij bedankte iemand dat Demons niet hoefden te ademen.
      “Om dit nog een boeken[/i]winkel[/i] te noemen op dit punt is wel een beetje overdreven, niet?” plaagde hij, zijn lippen in een goed geoefende grijns getrokken.
      Hij keek toe hoe Aziraphale’s schouders verstijfden, voordat deze weer relaxte en hij zich naar de ander omdraaide. De Engel glimlachte. Het was de glimlach die Crowley al jaren kwelde, altijd zo dichtbij maar als hij zich erheen draaide, verdween hij. De Demon schermde bijna zijn ogen af tegen de pure energie ervan, de schoonheid en het feit dat hij dacht dat hij deze nooit meer zou zien.
      “Crowley!” Aziraphale piepte het bijna en de Demon zou hem hebben geplaagd omdat hij klonk als een kind op pakjesavond.
      Dit was hij dan ook van plan, hij had zijn mond al geopend, tot de Engel naar achteren leunde op zijn bureau, zijn wangen lichtroze van verrukking. Plotseling moest hij flink zijn best doen om zichzelf eraan te helpen herinneren dat vrienden niet hun vriend bovenop het dichtstbijzijnde vlakke oppervlakte wilden duwen en hen wilden ontheiligen tot ze smeekten. Oh, hoe zijn lichaam ernaar snakte om Aziraphale te horen smeken.
      “Leuk om jou hier te zien,” plaagde hij, geen spoortje zenuwen erin te horen.
      Hij slenterde naar de ander en zorgde ervoor dat zijn heupen precies goed heen en weer zwierden. Hij was behoorlijk teleurgesteld toen de Engel niet eens keek. Plotseling vroeg hij zich af hoe ze elkaar vroeger begroetten. Kusten mensen bij een begroeting? De Demon wilde Aziraphale wel erg graag kussen en dat nam hij als een teken dat hij dat niet moest doen.
      Hij besloot tegen een boekenkast aan te leunen, nonchalant als altijd. Hij was dichtbij genoeg om de kleine lijntjes te zien die zich rondom zijn ogen gevormd hadden en om zijn onaardse geur te ruiken. Aziraphale glimlachte nog steeds, zijn ogen dwaalden over het lichaam van de Demon heen alsof hij hem helemaal in zich opnam. Crowley voelde diep in zich iets gloeien, iets warms, alsof iets naar hem uitreikte. Vrienden hoorden zich niet zo te voelen, toch?
      “Ik kan je vast niet overtuigen om je vreselijk winstgevende bedrijf achter te laten voor een nacht?” vroeg Crowley.
      Aziraphale liet een neppe zucht horen, zijn lichaam leunde nog verder naar achteren waardoor hij ondertussen bijna op het bureau zat, en de Demon moest wegkijken.
      “Ik veronderstel dat ik je wel in mijn drukke agenda kan proberen te passen.” De Engel hield zijn hoofd schuin terwijl Crowley wanhopig probeerde om niet iets op te hoesten wat vast kwam te zitten in zijn keel bij het horen van het koosnaampje. “Maar alleen als het eten goed is.”
      “Ik ken je te goed om je te verleiden met iets minder dan iets hemels,” zei Crowley en hij wiebelde zijn wenkbrauwen boven zijn zonnebril, de gedachte aan iets anders dat ook hemels smaakte, zorgde ervoor dat hij zich warm van binnen voelde, toen hij het gevoel verbande.
      De Demon had nooit echt andere vrienden gehad, of schepsels die hij kon tolereren, dus alles voelde nieuw voor hem, nu hij zo zijn best moest doen om een vriend te zijn voor Aziraphale en op moest letten dat hij zijn gevoelens niet opnieuw duidelijk maakte. Hielden vrienden de deur voor elkaar open? Aziraphale deed dat, dus waarschijnlijk was het een ding en Crowley was verrukt om de gunst terug te verlenen en hield de deur van de Bentley voor hem open. Vrienden legden blijkbaar niet terloops een hand op de onderrug van de ander om ze richting de geopende deur te leiden. De manier waarop de Engel ineen kromp zorgde ervoor dat hij dit nooit meer zou vergeten.
      Het was eeuwen geweest sinds hij zijn aanrakingen en bewegingen rondom de Engel had moeten censureren en hij was hyperbewust van de hand die op zijn schoot lag, jeukend om zich uit te strekken naar de ander en zijn knie aan te raken. Niet dat Aziraphale dat door zou hebben, babbelend over moderne literatuur, bekende schrijvers die hij had ontmoet en die lastige klanten die dachten dat ze zijn boeken konden kopen en ermee weg konden komen. Het voelde als een vulkaanuitbarsting en liet zichzelf het branden van de lava koesteren. Aziraphale vroeg hem niet naar wat hij gedaan had, wat alleen maar goed was. Crowley had geen zin om alle verleidingen te onthullen die hij gedwongen was om uit te voeren. Hij had het idee dat zijn vriend dit al wist.
      “Je kan niet geloven hij blij ik ben dat je terug bent!” straalde Aziraphale. “Zeker na wat er gebeurd was.”
      Dat laatste gedeelte kwam eruit als een ademloos gefluister, de glimlach was verdwenen van zijn gezicht, vervangen door een blik van schaamte en wanhoop. De Demon had veel liever dat zijn vriend naar hem schreeuwde, hij zou duizend woorden nemen die voelden als roestige messteken in zijn hart, als dat ervoor zou zorgen dat zijn Engel niet keek alsof zijn boekenwinkel afgebrand zou zijn.
      Crowley wapperde met zijn hand om hem te stoppen. Hier was hij, de liefde van zijn bestaan naast zich, zijn huid voelde alsof hij hem achter zou laten voor de kans op een aanraking, terwijl die liefde wilde praten over de keer dat de Demon hem publiekelijk had laten huilen over het feit dat Crowley verliefd op hem was. Het kon niet beter. De Engel keek berekenend naar hem en vroeg zich waarschijnlijk af of hij erover door moest gaan. Dat kon hij beter niet doen want Crowley had nooit geleerd om nee te zeggen tegen zijn vriend. Gelukkig had Satan medelijden met hem, want na een laatste bezorgde blik vertelde Aziraphale over de nieuwe Bijbel die hij gevonden had. Crowley zuchtte een adem waarvan hij niet doorhad dat deze vast zat in zijn keel.
      Tegen de tijd dat ze arriveerden bij Crowley’s keuze was de zon begonnen met ondergaan en werd het donker. Als iemand ernaar zou vragen, zou hij zeggen dat hij niet te snel wilde gaan na al die jaren, hij wilde niet dat de Engel wagenziek zou worden en zou overgeven over zijn geliefde leren stoelen. Hij zou zeker niet zeggen dat het was omdat hij gemist had hoe Aziraphale’s stem klonk als hij enthousiast was over iets, dat zou belachelijk zijn.
      “We zijn er,” verklaarde Crowley terwijl hij de auto parkeerde.
      Zijn stem klonk vast, geen spoortje van de bezorgdheid erin te horen, die hij zeker wel voelde in zijn maag, terwijl hij de drang bevocht om zich om te draaien en zijn reactie te zien. Niet dat het nodig was, want de Engel snakte blij naar adem naast hem.
      “Een drive-through theater! Weet je, ik kan niet zeggen dat ik ooit geweest ben.”
      De Engel draaide zich naar Crowley en straalde. Zonder na te denken schonk Crowley hem een oprechte glimlach terug. Donker, als een schaduw, gleed er iets over het gezicht van de ander terwijl hij zijn blik afwendde. Perfect. ‘Zeg hem gelijk maar dat je van hem houdt, opnieuw,” gaf de Demon zichzelf een uitbrander, hoewel zijn uitdrukking geheel neutraal bleef. Aziraphale trok plotseling zijn neus op.
      “Hoewel popcorn niet echt hemels kan worden genoemd,” pruilde de Engel, hoewel nogal gemaakt, en Crowley greep de reddingsboei die hem toegeworpen werd maar al te graag vast.
      Hij knipte simpelweg met zijn vingers. Voor hen verscheen een kleine tafel, netjes gedekt en overladen met allerlei gebakjes en broodjes en snoep, een thermoskan met chocolademelk erbij. De Demon liet zijn hand discreet over het leer van de Bentley glijden, in stilte bood hij zijn excuses aan voor wat er zou komen.
      “Crowley!” piepte de Engel vol verrukking.
      “Shut up!” zei hij als een waarschuwing, waarna hij zijn vinger dramatisch waarschuwend naar zijn vriend wees. “Als ik zelfs maar een kruimel op de grond vind mag je naar de boekenwinkel terug lopen.”
      Aziraphale grinnikte en nam voorzichtig een hap uit een koekje. Crowley keek naar het scherm. Het duurde iets langer voordat de Engel zijn blik van al het lekkers voor hem kon afscheuren en ook naar het scherm keek. Er klonk nogmaals een verraste ademhaling en de Demon vocht tegen de neiging om iets te doen om dat nogmaals te horen.
      “Is dit Hamlet? Oh, dat had niet gehoeven, ik weet dat je niet zo van Will’s sombere stukken hield.”
      “Jij wel,” haalde hij zijn schouders op, alsof dat reden genoeg was.
      Vrienden zouden de stralende zonneschijn die hun vriend was moeten kunnen negeren, toch? Toch besteedde Crowley meer aandacht aan de Engel dan aan het scherm voor hen. Hij keek hoe hij zijn ogen kort sloot als hij iets proefde dat hij erg lekker vond, de manier waarop hij glimlachte naar de film en hoe dichtbij hij was. Hij wilde gewoon zijn hand uitstrekken om zijn warmte te voelen, de zachtheid van zijn huid. Hij richtte zijn ogen weer op het scherm en weigerde om naar iets anders te kijken, zelfs nadat hij realiseerde dat dit niet de beste film was. Zeker als je het origineel gezien had.
      “Ik denk dat Will’s versie veel beter was,” zei Aziraphale, gevolgd door een zachte kerm en Crowley wist dat hij de chocoladecake gevonden had.
      Crowley ging iets verzitten. “Het was die dunne vent, hij was behoorlijk goed.”
      “Burbage?” vroeg Aziraphale, met een schuine blik op hem.
      “Hm?”
      “Burbage? De acteur?”
      Crowley haalde zijn schouders op, hij kon zich de namen van random mensen van eeuwen geleden nou eenmaal niet herinneren. “Ik denk het. Het is niet alsof ik met die vent gepraat heb. Jij was degene die altijd daar was, met dat ‘to be or not to be’ gedoe.”
      Zijn stem klonk scherper dan hij bedoeld had en hij prompte snel het dichtstbijzijnde gebakje in zijn mond. De enige reden waarom hij zich de jongeman kon herinneren, was omdat hij altijd aangetrokken leek te worden door de Engel, altijd zichzelf in hun gesprekken mengde.
      Aziraphale keek naar hem, zijn lippen lichtelijk getuit, alsof hij probeerde te besluiten of hij het onzegbare plan aan Crowley wilde onthullen. Zijn maag voelde plots zwaar toen hij besefte dat er best uit tussen hen gebeurd kon zijn, hij was altijd overijverig geweest als het ging om het beschermen van de Engel tegen William zelf, dat hij er nooit bij stilgestaan had… Crowley slikte een grom in, vriend of niet, als de jongen Aziraphale ooit met een vinger had aangeraakt, dan zou hij hem persoonlijk opzoeken en zijn huid in een riem maken.
      “Hij was smoorverliefd op je, wist je dat?” zei Aziraphale na een tijdje, de toon in zijn stem vlak. “Schijnbaar kon hij niet stoppen met over je te praten, volgens Will.”
      De Demon snoof. Alsof iemand naar hem zou kijken als er iemand zo prachtig en lieflijk als de Engel in de buurt was. Hij kon het nog steeds niet de verlichten helpen die hij voelde.
      “Ik kan niet zeggen dat ik zijn gevoelens kon beantwoorden.”
      “Nee,” zei de Engel, iets in zijn stem klonk gebroken en definitief, als een laatste vaarwel. “Ik denk niet dat je dat kan.”
      Het kostte Crowley minder dan een seconde om te beseffen wat hij gezegd had en zelfs minder om de pijnlijke uitdrukking van zijn gezicht te vegen. Geweldig gedaan, om de Engel er nog even aan te helpen herinneren dat hij al eeuwen verliefd op hem geweest was. Dat zou zeker helpen met hun vriendschap.
      “We zijn tenminste niet de enige die niks aan de film vinden. De twee hadden een goed idee,” spotte Crowley.
Zijn hoofd wees richting de auto naast hen waar een stelletje veel meer geïnteresseerd waren in elkaar dan de man op het scherm die gedichten aan het oplezen was. Hij probeerde ze af te leiden van de ongemakkelijke sfeer die rond hen hing, de Engel overhalen om te klagen over het feit dat mensen kunst simpelweg niet konden waarderen. Hij had niet verwacht dat Aziraphale ineen zou krimpen en zichzelf lichtjes in het verste hoekje van zijn stoel zou duwen, zo ver weg van Crowley als hij kon. Crowley rolde met zijn ogen, hoewel hij het liefst met zijn hoofd tegen het stuur zou willen bonken. Hij wist niet wat erger was, het feit dat de Engel dacht dat hij dit insinueerde, hoe verstoord hij eruit zag of dat hij het zelf een milliseconde lang overwogen had.
“Come one, Angel,” plaagde hij, de naam die hij al de hele avond wegdrukte slipte zijn mond uit. “alsof ik het risico neem om dat Bentley vies te maken voor een vluggertje op de achterbank.”
      Natuurlijk zou hij dat doen, zonder nadenken. Hij zou iets veel ergers gedaan hebben voor een enkele kans om de Engel aan te kunnen raken, laat staan om hem te voelen kronkelen onder hem, zo dichtbij. Niet dat Aziraphale dat moest weten, zeker niet na de geschokte blik die hij van hem kreeg. Crowley gromde naar zichzelf, hij wist wat hij moest doen. Hij moest ophouden met praten. Alsof het een natuurlijk iets was, propte hij zijn mond vol met gebakjes, allemaal tegelijk. Het zou het perfecte plan geweest zijn en hij zou ermee weg gekomen zijn, daar was Crowley zeker van, als Aziraphale niet besloten had om op het moment dat zijn wangen zo vol waren als die van een eekhoorntje, tegen hem te praten. Zijn vriend staarde naar hem, mond wijd open en als de Hel Crowley nu had opgeslokt, kon hij Satan niet genoeg bedanken.
      Toen begon Aziraphale te lachen, zo hard dat zijn lichaam schokte en zijn ogen fonkelden. “My dear,” kreeg hij eruit tussen het lachen door en zijn stem klonk zo ademloos dat Crowley iets voelde in zijn borst. “Wat dacht je ervan om terug te gaan naar de boekenwinkel en schaamteloos dronken te worden?”
      Aziraphale leunde naar hem toe nu, zijn wangen lichtrood van het lachen en het voelde bijna alsof er niks mis was. Misschien konden ze toch terug naar hoe het ooit was. Crowley grijnsde en startte de auto.

Crowley had gehoopt dat alcohol zou helpen. Het hielp op een bepaalde manier. Aziraphale zag er niet langer uit als een hert die gedwongen werd om de ruimte te delen met een enorme slang, maar hij was heel, heel erg enthousiast dronken geworden. Hij was ergens over aan het praten met wilde gebaren en de Demon keek enkel naar hem. Hij was prachtig. Alle Engelen waren prachtig, maar deze, deze was echt. Hij praatte met een dubbele tong, zijn lippen waren mooi rood gevlekt van de rode wijn en er lag een glans over zijn huid heen. Crowley wilde hem kussen, zijn lichaam deed er pijn van, zijn vingers jeukend om uit te reiken, gewoon een keertje.
      De Engel was gestopt met praten en keek verwachtingsvol naar Crowley. Crowley knikte automatisch, al had hij geen idee waarmee hij akkoord ging, maar hij had toch niet verwacht dat het iets was waarop hij nee zou zeggen. Het moest het juiste antwoord geweest zijn, want de Engel keek stralend naar hem en verplaatste zichzelf van de stoel naar de bank, recht naar Crowley. Oh.
      De Demon stopte met ademen. Toen zijn lichaam om lucht schreeuwde, herinnerde hij het dat hij het technisch gezien helemaal niet nodig had. Het alternatief was het inademen van de geur van de ander, gemixt met wijn en chocolade. Crowley was sterk, hij had het anders nooit overleefd al die tijd, maar niet zo sterk.
      Aziraphale was zich er totaal niet bewust van, want was hij er niet altijd totaal onbewust van? Hij leunde naar hem toe waardoor Crowley de paniek door zijn lichaam voelde stromen. Satan wist dat als hij iets zou initiëren, hij zich absoluut niet in kon houden en hem niet kon stoppen. Het zou wreed zijn om dat van hem te verwachten. Net toen Aziraphale dichtbij genoeg was verscheen er een boek in zijn handen en de Engel bladerde er enthousiast doorheen. Crowley wilde opgelucht zijn.

Een paar flessen later en de Demon lag half uitgespreid over de bank heen, zijn ledematen in vreemde hoeken over het meubel heen en normaal gesproken zag het er nog goed uit ook, nonchalant. Dit keer zag het er meer random uit, minder berekend op dat het er goed uitzag. Het soort van uitspreiden dat uitstraalde dat het hem niet zoveel uitmaakt waar zijn ledematen terecht kwamen zolang hij er maar geen moeite voor hoefde te doen. Aziraphale was tegen hem aangeleund, zijn hoofd praktisch gezien op zijn schouder. Het voelde zo goed dat Crowley niet durfde te bewegen, bang om Aziraphale eraan te herinneren dat vrienden niet zo dichtbij hoorden te komen.
      Of deden ze dat wel? Hij herinnerde zich zoveel avonden die precies zo geëindigd waren, voor dit alles, en ja hij had altijd gehoopt op een aanraking, maar het was makkelijker om dat te negeren. Er was altijd de angst geweest dat de Engel hem zou afwijzen. Maar nu kende hij zijn lichaam, hij wist precies waar hij moest kussen om te zorgen dat de ander slap ging in zijn armen tot hij kreunde en smeekte. Het maakte het het lastiger om te negeren, hij voelde de noodzakelijkheid om het te doen.
      En toen, omdat het altijd erger kon in Crowley’s leven, draaide de Engel zijn hoofd iets om naar hem te glimlachen, net toen Crowley hetzelfde deed. Ze waren zo dichtbij dat hun neuzen elkaar aanraakten en ze elkaar adem op hun gezichten konden voelen. Ze konden nooit vrienden zijn. De gedachte raakte Crowley snel en pijnlijk, als een bliksemschicht. Hij zou nooit naar dit prachtige en pure schepsel kunnen kijken en hem niet willen verslinden. Hij was hebberig en zelfzuchtig. Hij zag een paniek in de ogen van de Engel, een paniek die waarschijnlijk weerspiegeld werd in zijn eigen ogen.
      Crowley klauterde terug overeind, sierlijk als een pasgeboren giraffe, net toen de Engel naar hem uit reek. Natuurlijk deed hij dat, zelf toen de Demon alles weer verpeste was zijn vriend vastbesloten hem te troosten en ervoor te zorgen dat alles goed ging met hem. Waarom kon Aziraphale niet gewoon reageren als een normaal persoon en zeggen dat hij op moest flikkeren? Het zou ondraaglijk zijn en zoveel pijn doen, maar Crowley zou het doen, hij kon nooit nee zeggen tegen zijn Engel. In plaats daarvan probeerde Aziraphale hem aan te raken, zijn ogen wijd ogen en verontschuldigend en Crowley was teveel een bastard om zelf weg te gaan.
      Maar er was iets in de manier waarop de ander naar hem keek, wanhopig en gebroken en de Demon wilde die blik wegkussen, zelfs als hij wist dat hij het alleen maar erger zou maken. Het beroerde iets in hem, dat oeroude verlangen om de ander te behagen en hem boven al het anderen te stellen. Ze zouden vrienden zijn, zelfs als het zijn dood zou worden.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen