Foto bij Hoofdstuk 67

Er is altijd licht aan het einde van de tunnel, nu maar te hopen dat het geen trein is

Gister was het Halloween. Yay! Vandaag is het Dia de Muertos (Dag van de Doden), dus dat past wel bij het hoofdstuk van vandaag denk ik

Het enige wat we moeten doen, is naar het westen blijven reizen om het Rijk van de Doden te bereiken. Sommigen zouden kunnen verwachten dat je juist naar het zuiden zou moeten of iets dergelijks, maar er is een hele logische verklaring ervoor! Het heeft alles te maken met de zon. Hij komt namelijk op in het oosten en gaat weg in het westen. Als de zon ondergaat voor iemand, betekent dat meestal dat hij of zij aan het eind van zijn of haar leven is gekomen, toch? Het enige probleem is dat je wel moet weten waar je moet stoppen. De poort gaat voor goden, behalve Scar en Elramel, namelijk alleen maar open tijdens Dia de Muertos. Wat een geluk hebben we dat dat nou net vandaag is!

De zon zal over een uurtje al ondergaan, maar we zijn nog steeds niet bij onze bestemming. Zijn we te langzaam? Zijn we te laat vertrokken? Zijn we er al voorbij? Hoelang moeten we nog?! Gaan we het wel redden?
Ik begin wanhopig te worden. Ik bedoel, de doden over te halen te helpen is al een dingetje, maar hoe willen we ze het ooit vragen als we er nog niet eens kunnen komen!? Ook Nathan lijkt het al te hebben opgegeven.
'Zullen we anders even rusten?' stelt hij voor. 'Dan gaan we bij schemering weer verder.'
Ik knik, niet wetend wat we anders zouden moeten. Vermoeiend ga ik zitten op een grote steen en zucht een diep.
'Denk je dat we het nog op tijd zullen kunnen vinden?' vraag ik Nathan en hij gaat naast me zitten.
'We moeten wel,' murmelt hij. 'We moeten de hoop blijven houden! Het is de enige manier.'
Even is het stil. Dan schrikken we allebei op van een geluid. Het is een vrouwenstem die een vreemde echo met zich meedraagt. Ze zingt met hoge tonen, maar niet te hoog.
"Veni ad nobis, intra portal."
Ze zingt nog meer teksten van een andere taal helaas kan ik die niet verstaan. Wel weet ik wat ze zingt.
'Kom bij ons, enter het portaal.' vertaal ik.
'Ik zie geen portaal.' reageert Nathan verward. 'Noch een vrouw die tegen ons praat.'
Daar heeft hij een punt.
"Tuflè einai prépeis. Etsi matia kleineis."
'Blind moet je zijn. Dus sluit je ogen.' legt Nathan uit.
Ik gehoorzaam en dat is het moment dat ik haar zie. Het is een vrouw van zo'n 1 meter 80. Ze is een en al lichtblauw met een bijzondere gloed. Zij is degene die praatte. Zodra ze doorheeft dat we haar zien, wijst ze naar een portaal. Ook deze is blauw. Zodra ik opzij kijk naar Nathan, zie ik dat hij hetzelfde doet. Hij steekt zijn hand uit zodat ik hem kan pakken en ik glimlach als reactie. Ik pak hem vast en samen staan we op om naar de poort te lopen.

Zodra we onze ogen weer openen, beseffen we dat we op een heel andere plek zijn. Verschillende mensen, mutanten en dieren lopen vreedzaam rond, kletsen of doen iets anders. Maar wat ze ook doen, ze zien er gelukkig uit. Het valt me wel op, denkend aan mijn leven als mens, dat er alleen wezens zijn die niemand ooit opzettelijk pijn hebben gedaan zonder er spijt van te hebben. Waar gaan die dan naar toe?
De plek zelf ziet er ook zo slecht nog niet uit. De zon schijnt en er is geen wolkje aan de lucht. Er stroomt een klein beekje en het groene gras is niet te hoog en niet te laag. Ook zijn er een paar bomen, maar niet te veel. In de verte zijn er heel veel bergen te zien, waar ook weer verschillende creaturen aan het hangen zijn.
'Zijn we er?' vraag ik fluisterend aan Nathan.
'Laten we het vragen.' antwoordt hij. Even denk ik dat hij een grapje maakt, maar dan stapt hij echt op iemand af. Het is een jong meisje. Ze is zo'n acht jaar oud en heeft lange, blonde haren en blauwe ogen. Meteen voel ik medelijden voor het kind. Hoe komt zij hier? Is ze echt overleden?
'Hey, zou ik je misschien iets mogen vragen?' vraagt Nathan voorzichtig.
'Natuurlijk!' roept het meisje vrolijk. 'Wat je maar wilt!'
'Is dit het Rijk van de Doden?'
'Zekers.' antwoordt ze meteen. 'Hier komen alle zielen terecht die altijd onschuldig zijn geweest, hoezo?'
'Omdat we dan op de juiste plek zijn.' reageert hij met een blik op mij gericht.
'Hoe ben je om het leven gekomen, kleintje?' gooi ik er zacht uit. Dit lijkt haar te raken, want meteen bevriest ze. Dan kijkt ze verdrietig omlaag.
'Een vuur, gemaakt door rebellen. Ze hebben geen hart. We stierven allemaal.'
'We?'
'Mijn vrienden en ik. En zij worden geeneens gestraft.'
Nathan legt geruststellend een hand op haar schouder.
'Maak je maar geen zorgen,' zegt hij. 'Iedereen die zulke dingen doet wordt gestraft, tenzij ze hun fouten al hebben ingezien en zich er schuldig voor voelen.'
We staan op en beseffen ons nu nog één ding. Hoe gaan we ooit al deze doden vragen te helpen? Het zijn er zoveel!

Reacties (1)

  • AmeranthaGaia

    Ondertussen is haar vader aan het flippen omdat hij zijn dochter kwijt is.

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen