. . .


Juice keek van het haastig neergekrabbelde adres naar het huis voor hem en weer terug. Als hij eenmaal een straatnaam en een cijfer in zijn hoofd had onthield hij dat wel, maar evengoed checkte hij het huisnummer nu vijf keer.
      Hier was het echt. Hier woonde zijn pa.
      ‘Nou je gaat er wel op vooruit schat.’ Roxy leunde met haar arm op zijn schouder. ‘Dat is wel wat anders dan dat krot waar je eerst woonde.’
      Hij trok haar bandana over haar ogen. ‘Zelfs als ze in een fucking paleis hadden gewoond had ik nog liever in jouw schuur gewoond.’ Met een zucht keek hij weer naar het huis. Het was vrijstaand en hij moest zeker tien meter gras doorkruizen voor hij bij de voordeur kwam. Wel zag hij een hondenspeeltje liggen, wat een glimlach aan zijn lippen ontlokte. Hij had altijd al een hond gewild, maar z’n moeder moest er niets van hebben.
      ‘Het is maar voor twee jaar,’ zei Roxy. ‘Dan gaan we samen studeren.’
      Twee jaar zonder zijn beste vriendin… Dat konden alleen maar klotejaren worden.
      ‘Ik kom elke vakantie hierheen,’ beloofde ze. ‘Het clubhuis is hier een halfuurtje vandaan. Weet dat je daar altijd terechtkan als je iets nodig hebt.’
      Hij glimlachte dankbaar. Na hun vlucht naar deze kant van het land, hadden ze daar een paar nachten geslapen voordat hij voldoende moed had om naar Tacoma te reizen. Aangezien al Roxy’s mannelijke familieleden wel ergens bij een charter aangesloten zaten en zij al vanaf de kleuterklas beste maatjes waren, waren de ruige bikers hem niet vreemd. In tegenstelling tot de meeste mensen voelde hij zich niet door hen bedreigd; hij keek juist tegen hen op. Misschien zou hij zelf op een dag ook wel een kutte dragen.
      ‘Nou, laten we naar binnen gaan.’ Roxy gaf hem een klein duwtje.
      ‘Ja.’ Hij veegde zijn plotselinge klamme handen aan zijn broek af. Als zij er niet bij was geweest, betwijfelde hij of hij de deur überhaupt had gehaald. Hij deed het hekje open, sloot die achter hen en liep naar de voordeur toe. Zijn voeten voelden loodzwaar.
      Wat moest hij in vredesnaam tegen die vent zeggen? Alle contact was via de telefoon gegaan.
      “Je moet naar je vader gaan,” had zijn moeder gezegd.
      Zijn vader. Die hij nog nooit van z’n leven ontmoet had, nog nooit gesproken had. Die blijkbaar ook geen enkele behoefte had gehad om hem te leren kennen.
      Maar goed – het was z’n vader. En nu z’n moeder niet meer voor hem kon zorgen, hij minderjarig was en hij geen andere familie had bij wie hij terechtkon, had hij niet zo veel keuze. Blijkbaar moest hij blij zijn dat zijn vader überhaupt had toegestemd. Anders was hij vast in een pleeggezin terechtgekomen.
      Niet dat dat zo’n ramp was. Dit voelde niet zo veel anders; ze waren alleen door bloed aan elkaar verbonden. Zijn moeder had nooit over hem willen praten. Als hij wél bij een pleeggezin was terechtgekomen, had hij Queens misschien wel niet hoeven verlaten. Dan kon hij naar school blijven gaan, hoefde hij zijn band niet op te geven, geen afscheid van zijn vrienden te nemen.
      Maar ja. Dat had hij nu wel moeten doen.
      Eindelijk had hij de deur bereikt. Vlug belde hij aan, bang dat zijn arm anders zou gaan trillen. Roxy’s hand gleed in die van hem en ze gaf een bemoedigend kneepje. Zijn hart klopte in zijn keel terwijl hij afwachtte. Opeens wenste hij dat hij wél informatie over de man had opgezocht op internet. Hij had het niet gedurfd – ontkennen dat hij een vader had was nog altijd makkelijker geweest dan zijn nieuwe toekomst onder ogen komen voordat hij geen andere keus had.
      Er klonken voetstappen. De deur zwaaide open.
      Met grote ogen staarde hij naar de lange man die er stond.
      Dit kon zijn vader niet zijn, toch? Hij was zwart. Was hij toch naar het verkeerde huis gegaan? Hij wisselde een blik met Roxy, die haar schouders ophaalde.
      ‘Bent u meneer Cole?’ vroeg ze.
      Hij knikte en toonde een vriendelijk glimlach, al zag Juice aan zijn trillende mondhoeken dat hij ook nerveus was.
      ‘Ik ben Michael,’ zei hij. ‘Jij moet Juan Carlos zijn, nietwaar?’
      ‘Juice,’ antwoordde hij kortaf.
      ‘Juice,’ herhaalde Michael.
      Zijn vader. Pap. Nee, no way dat hij hem zo ging noemen.
      Michael.
      Fuck – zijn vader had serieus een donkere huidskleur. Hij was wat – half Afrikaans ofzo. Jemig, hoe kon je zoiets níét over jezelf weten? Het was alsof zijn fundering onder zijn voeten vandaan werd geslagen.
      ‘Kom, we gaan naar binnen,’ moedigde Roxy hem aan en ze stapte over de drempel. ‘Ik ben trouwens Roxy,’ zei ze tegen Michael. ‘Juice’ beste vriendin.’
      ‘Kom je helemaal uit Queens?’ vroeg de man verbijsterd.
      Juice klemde zijn kiezen op elkaar. Wat, was dat zo verbazingwekkend? Dat er iemand was die wél om hem gaf, die inzag in wat voor een klotesituatie hij zat en die wél een steun wilde zijn? Maar nee, deze egoïstische eikel stond daar vast niet bij stil.
      ‘Ja, maar mijn familie woont vlakbij. Ik logeer daar een weekje.’
      Michael knikte maar wat, hij leek niet echt te weten wat hij verder moest zeggen.
      Juice wist het ook niet. Daarom liep hij maar zwijgend achter zijn vader aan. De gang waar hij doorheen liep had een witte lambrisering van een meter hoog, daarboven waren de muren olijfgroen geschilderd. Na nog een deur stapten ze in de woonkamer. In het midden ervan zette Juice zijn sporttas neer met de weinige bezittingen die hij had.
      Het was een ruime kamer en door de vele grote raampartijen had het een hele andere vibe dan het schemerachtige hol waarin hij was opgegroeid. Hij voelde zich bekeken, zelfs al was er niemand behalve Michael en Roxy in de kamer. Dat hij hier zou gaan wonen, kon hij zich nauwelijks voorstellen.
      ‘Marthe is de honden aan het uitlaten. Ik zal je intussen alvast je kamer laten zien.’ Michael ging hem voor de trap op, de twee jongelingen volgden hem. Ze kwamen uit op een overloop met verschillende deuren. ‘Hier slapen Marthe en ik,’ legde zijn vader uit terwijl hij een hand op de eerste deur legde. ‘Dit is Josh zijn kamer.’ Hij liep ietsje verder. ‘Dit die van Lindsay.’
      ‘Josh? Lindsay?’
      ‘De kinderen van Marthe,’ verklaarde Michael.
      Oh geweldig, nu kreeg hij er nog een stiefbroer en -zus bij ook.
      ‘Lindsay is net zo oud als jij, Josh is veertien.’
      ‘Fan-fucking-tastic,’ bromde hij. Er waren nog twee deuren over. De linker had een slotje en was waarschijnlijk de badkamer, dus hij legde zijn hand op de andere klink. ‘Ik neem aan dat dit dan mijn kamer wordt?’
      Michael knikte.
      Juice deed de deur open en stapte naar binnen.
      Alles was er al. Een opgemaakt bed, een kledingkast, een bureau.
      Het gaf hem een ontheemd gevoel. Het was alsof ze een kamer aan hun huis hadden toegevoegd en hem erin hadden gezet om hem te bewonen. Hier moest hij gaan wonen, terwijl hij hier niet thuishoorde, hier niet bij hoorde. Niets in deze kamer voelde van hem – het voelde alsof hij helemaal niets was.
      Zijn benen trilden terwijl hij de kamer in liep. De kamerdeur sloot zich – Michael trok zich terug. Juice was blij toe, want de tranen brandden plotseling in zijn ogen. Zodra hij het bed bereikte, zakte hij er op neer en staarde verslagen voor zich uit.
      Roxy zakte naast hem neer en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Hij is niet onaardig toch?’ zei ze zacht.
      Juice haalde zijn schouders op. ‘Ik wil hier niet wonen,’ zei hij zacht. ‘Met al die mensen die ik niet ken en die opeens mijn familie moeten zijn. Ik wil gewoon terug naar Queens.’ Met zijn schouder veegde hij langs zijn ogen. Nee – hij ging niet lopen janken. Het had geen zin. Hij kon niet terug naar huis.
      ‘Het is maar tijdelijk.’ Ze gaf hem een kus op het geschoren deel van zijn hoofd. ‘Een jaartje, weet je nog? Zie het gewoon alsof je op een uitwisseling bent. Je gaat straks allemaal toffe vrienden maken. De coole nieuwe gast.’ Ze streek met haar hand over zijn hanenkam. ‘De meisjes staan straks voor je in de rij.’
      ‘Ja hoor,’ zei hij zachtjes lachend en hij veegde langs zijn ogen. Hij haalde diep adem.
      ‘Echt, geloof me. Met die glimlach van je beneem je ze allemaal de adem. En anders trek je een hun aandacht wel met die tattoos op je kop.’ Ze gaf hem een knipoog. ‘Sinds je dat hebt heb je echt een bad boy vibe. Je wil niet weten hoeveel van mijn vriendinnen je opeens wel zagen zitten.’
      Hij gaf haar een schouderduw. ‘Komt ze nu mee hoor.’
      ‘Geen ervan had je interessant gevonden,’ antwoordde ze. ‘Jij bent nog kieskeuriger dan ik.’
      ‘Ik ben helemaal niet kieskeurig.’
      ‘Oh kom op! Je hebt op zijn minst tien dates gehad en er is er nooit eentje waar je verliefd op wordt.’
      Daar kon hij ook niet veel aan doen. De meisjes waar hij mee gedatet had waren nauwelijks een uitdaging geweest; de meesten had hij dezelfde nacht nog in bed gekregen hoewel sommigen het heus niet slecht deden, kwamen die vlinders waarover Roxy het altijd had nooit.
      Maar ja – misschien was dat wel een meisjesding.
      Hij vond het eigenlijk wel best ook. Relaties waren alleen maar gedoe – als hij keek naar hoe z’n moeder het ervan afgebracht had, had hij niet de minste interesse in een relatie. Het bracht alleen maar gezeik – hij bracht hem verdorie naar fucking Washington; hij was bijna drieduizend mijl gescheiden van een leven dat hem prima bevallen was en dat hij gedwongen was achter te laten. En nu moest hij hier, in zijn examenjaar, helemaal opnieuw gaan beginnen.
      Zonder vrienden, zonder reputatie. Waar niemand wist wie hij was.
      Waar hij zelf verdomme niet eens wist wie hij was.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen