1967, London, England

De eerste keer dat Aziraphale een blik wierp in zijn achterkamer sliep Crowley nog, zijn lichaam uitgespreid en het zonlicht scheen door het raam op hem, hoewel hij er niet wakker van werd. Zijn ogen gleden over zijn lichaam en namen het contrast tussen de zwarte coltrui en zijn bleke huid in hun op. Hij keek hoe zijn borst zacht op en neer ging bij elke ademhaling, naar de onmogelijk strakke leren broek die nauw alle rondingen van zijn benen omsloten. De Engel realiseerde zich met een schok dat hij waarschijnlijk wat klanten had om weg te jagen.

De tweede keer, een paar uur later, was hij op een missie. Crowley was plotseling in de winkel verschenen in de vroege uurtjes van de ochtend, gevaarlijk wiebelend, niet in staat om een woord te zeggen en stortte in op de bank. De Engel had geen details over wat er gebeurd was, maar het was wel duidelijk dat zijn vriend iets teveel gedronken had en Aziraphale wist maar één manier om een kater te behandelen, op een wonder na.
      “Crowley,” fluisterde hij terwijl hij zachtjes aan zijn schouder schudde, voorzichtig om zijn hand niet te lang te laten liggen. De Demon kreunde enkel en Aziraphale probeerde het opnieuw.
      “Waaa?”
      Crowley smakte met zijn lippen en zijn gezicht vertrok. Aziraphale probeerde zich te concentreren om hem rechtop te kunnen zetten en Crowley leek het ook te proberen. In ieder geval een ver familielid van rechtop zitten.
      “Kom nou, my dear, neem dit en dan kan je weer verder slapen.”
      Aziraphale probeerde zoveel mogelijk van zijn Hemelse krachten in zijn woorden te leggen, ook al werkte dat eigenlijk niet op Demons. Het was zo moeilijk om hem te laten doen wat hij wilde als hij hem niet aankeek! Zijn vriend gromde en kreunde, maar pakte uiteindelijk het waterglas vast dat de Engel heb probeerde te geven.
      “En de pil, Crowley,” zei hij stern en ook dat ging niet zo soepel omdat Crowley erop stond om de lucht te betasten met zijn ogen dicht. “Oh in hemelsnaam, doe gewoon je mond open.”
      De Engel zuchtte geïrriteerd, maar Crowley gehoorzaamde onmiddellijk. Hij probeerde zich niet te focussen op hoe de ander eruit zag, zo open en vertrouwend, lippen rood en zacht en de Engel kon hem wel kussen. Hij kon hem achteruit duwen, op zijn schoot zitten en hem kussen. En dan wat? Crowley zou hem wegduwen en nooit meer tegen hem spreken. Of erger, de Demon zou het aan hem geven en dan waren ze weer terug waar ze een halve eeuw geleden ook waren. Aziraphale zou zijn aanrakingen hebben, maar niet zijn liefde. Deze keer zou hij niet eens doen alsof er een kans was en Aziraphale wist dat hij hier niet opnieuw doorheen kon gaan. Hij kreeg de pil in zijn mond en deed zijn best om hem niet aan te raken daarbij.
      “Crowley, hoeveel heb je wel niet gedronken gisteren, je bent vreselijk rood. Misschien moet je je shirt uitdoen?” opperde hij bezorgd.
      “Probeer j’me onfatsoenlijk te krijgen, Angel?” sprak Crowley met lang uitgerekte woorden.
      Hij liet zich terug naar achteren op de bank vallen. Hij toch niet zo ziek zijn als hij nog steeds zo irritant kon zijn? De Demon weigerde nog steeds naar hem te kijken en Aziraphale hoefde enkel te focussen om zijn stem neutraal te houden, hij liet de blos naar zijn wangen trekken.
      “Je hoeft niet zo te doen,” berispte hij Crowley en vervolgde zachter, “Wat heb je gister dan allemaal gedronken?”
      “Oh, Angel,” zijn stem had absoluut geen reden om zo spottend te zijn terwijl hij op de bank van zijn vriend lag. “Wie zei iets over drinken?”
      Aziraphale maakte een tuttend gelijk, luider dan nodig was. Om te insinueren dat hij, een Engel, genoegen haalde uit het feit dat de andere zijn handen om zijn hoofd sloeg bij het horen van het geluid, zou gewoonweg belachelijk zijn.

De derde keer dat Aziraphale de volwassen baby bezocht die zijn achterkamer overnam, was omdat hij ertoe gedwongen werd.
      “Angeeeeeeeel,” jengelde Crowley door de winkel heen vanuit de achterkamer.
      Het had de klanten in de boekenwinkel laten opschrikken en een paar hadden Aziraphale een begrijpende glimlach gegeven. Hij gaf ze een verontschuldigende blik voordat hij terug de achterkamer in dook.
      “Wat?” zuchtte hij.
      Crowley had schijnbaar zijn advies opgevolgd en had de zwarte coltrui met lange mouwen omgeruild voor een zwart t-shirt met daarop de naam van één of andere band die schreeuwerige muziek maakten. Aziraphale keek zeker niet naar de plek waar het shirt omhoog was gekropen en een stukje platte buik onthulde.
      “Je klanten zijn te luid, zorg ervoor dat ze weggaan!”
      “Moet ik je eraan helpen herinneren dat dit wel een winkel is?”
      Aziraphale wist dat hij oneerlijk was, hij had klanten weggejaagd om minder, maar hij vond het veel te leuk om Crowley te plagen op dit moment. Een geel oog opende zich lui en de Engel voelde het onder zijn buik kriebelen. Afwezig vroeg hij zich af of Crowley zijn gedachten kon lezen, maar als hij dat kon, zou hij zeker niet meer naar hem kijken.
      “Als jij het niet wilt, kan ik het makkelijk doen?”
      Crowley’s stem klonk ziekelijk zoet en zijn glimlach zag er even ziekelijk zoet uit. Aziraphale rolde met zijn ogen en probeerde de affectie die groeide in zijn borst er niet uit te laten. De meeste klanten liepen de winkel al uit terwijl ze iets zeiden over de maffia. Er waren maar een paar goed gekozen gedachten nodig naar de mensen die er nog over waren en oh, eentje van hen had een vrouw die in verwachting was en was het niet leuk om wat extra tijd met haar door te brengen, of die lieve vrouw haar moeder was ziek, zegen haar hart, ze wilde vast wat zelfgemaakte soep. Een kort moment later zat Aziraphale weer in de achterkamer op zijn eigen stoel.
      “Echt, my dear,” zuchtte hij, zijn stem als een zachte fluistering. “Je moet me echt vertellen wat er aan de hand is.”
      Crowley ging rechtop zitten en nam op de een of andere manier nog steeds de hele bank in beslag. Hij zag er zorgwekkend bleek uit en Aziraphale moest de neiging onderdrukken om hem in zijn armen te nemen en hem beter te maken. Hij wist dat hij bespottelijk was, hij kon het nog niet eens riskeren om een troostende hand op de anders knie te leggen zonder dat het verlangen naar meer zijn gedachten vergiftigden. Hij besloot zijn gezicht te vormen in een bezorgde grimas.
      “Je weet dat Hel een plan heeft voor de Apocalyps, toch?” begon Crowley, net toen Aziraphale besloten had dat hij best de hele dag gewoon naar de ander kon blijven kijken in plaats van praten. Het antwoord maakte echter niks duidelijker en hij fronste.
      “Vaag,” antwoordde hij. “Ik weet van de vier ruiters en de Antichrist en dan is er een gevecht en wij winnen.”
      Crowley trok een wenkbrauw op. “Yep,” zei hij, de p kwam als een poppend geluid uit zijn mond. “Weet je, ze zijn begonnen met het voorbereiden. We hebben misschien nog een paar decennium en dan… zijn we fucked.”
      De Engels huivering op het scheldwoord was een automatische reactie, maar de andere woorden zonken in zijn gedachten. Hij had natuurlijk geweten dat het zou gebeuren, in te verre toekomst zoals mensen wisten dat ze ooit dood gingen, maar om te bedenken dat ze het al aan het voorbereiden waren was gewoon… vreselijk. Hij staarde naar de Demon, een diep verlangen brandde in zijn hart als een zuur. Een wereld zonder Crowley was even onaantrekkelijk als een wereld zonder licht en geluid. Plotseling snapte hij het verlangen om zich vol te proppen met alle soorten drugs.
      Aziraphale waagde het om zijn hand op Crowley’s been neer te leggen, dichtbij zijn knie. Hij had het idee dat dit gebaar, onder deze omstandigheden, hun lichtelijk gespannen vriendschap niet erger zou maken. Zijn been voelde warm en uitnodigend onder zijn aanraking en hij durfde er zelfs even in te knijpen.
      “Ik weet zeker dat de Hemel druk bezig is om dit te voorkomen,” zei hij zelfverzekerd, hoewel hij zich niet zo zelfverzekerd voelde.
      Crowley leek zich wel iets verzekerd te voelen, want hij zakte wat onderuit op de bank en zijn benen strekte zich uit richting Aziraphale. Zo zaten ze in comfortabele stilte voor een paar minuten. De Engel realiseerde zich pas dat hij zijn hand nog steeds op de been van Crowley had, waar zijn vingers troostende rondjes draaiden, omdat er een ademloze zucht de stilte verbrak.       Aziraphale trok zijn hand terug alsof hij het in een vat met kokend water gestoken had. Hij kende die zucht, hij had de helft van dit millennium gespendeerd om die zucht uit lippen gezwollen van kussen te krijgen. Zelfs nu voelde het alsof hij in vuur stond omdat zijn lichaam ernaar smachtte om het opnieuw te horen.
      Crowley zag er verontrust uit, hij had er zeker baat bij als de Engel hem liet relaxen. Als hij nou gewoon zijn hand kon terugleggen, misschien iets hoger… Met grote ogen schudde hij zich uit zijn trance. Ooit had hij gedacht dat hij zichzelf kon laten genieten van het vleselijke genot zonder te smachten naar het hart van Demon, maar hij had het vreselijk mis gehad. Als een mantra bleef hij zichzelf herinneren dat hij dankbaar moest zijn voor de Demons vriendschap.
      “Kijk…” begon de Demon, zijn borst bewoog heftiger op en neer terwijl zijn stem vlak en neutraal bleef. “Als er een oorlog komt, wil ik dat je weet…”
      Aziraphale stopte hem voordat hij zijn zin af kon maken. Als er iets meer pijn deed dan het feit dat de Demon tegen hem zou vechten, was om hem dat te horen toegeven.
      “Ik weet het, ik begrijp het,” knikte hij geruststellend, ook al wilde hij iets anders doen. Ze waren vrienden, al een hele lange tijd, maar de Engel zou nooit verwachten dat Crowley Hel zou verlaten voor hem. Hoe graag hij ook wilde denken dat ze aan hun ’eigen’ kant stonden, ze wisten allebei dat het gewoon een inleiding was tot het echte verhaal begon. Nee, als het ertoe zou komen, zou Aziraphale liever sterven dan een hand opheffen tegen de Demon en hij vermoedde dat het zijn ondergang zou worden. “Als het je beter laat voelen, ik zou hetzelfde doen,” loog hij.
      Crowley’s ogen werden koud terwijl hij naar Aziraphale keek en de Engel wilde naar hem uitreiken en hem aanraking, hem ervan verzekeren dat het niet zover zou komen. In plaats daarvan groef hij zijn nagels in zijn handpalm tot de huid brak.
      “Right,” zei de Demon en sloeg zijn handen hard op zijn knieën. “Als je het niet erg vindt, ik heb nog minstens een paar dozijn drugs in mijn lichaam om eraf te slapen.”
      Aziraphale kon hem eraan helpen herinneren dat dit technisch gezien nog steeds zijn boekenwinkel was. Hij kon zich verplaatsen naar de winkel en zichzelf bezighouden met het catalogiseren van boeken of naar boven gaan om de slapende Demon niet te storen. Er waren zoveel dingen die hij kon doen, maar het liefst wilde hij zich opkrullen in zijn stoel met een goed boek en Crowley zo dichtbij dat hij hem kon horen ademhalen. Het was zo heerlijk huiselijk en misschien, als Aziraphale in de stemming was voor boetedoening, kon hij doen alsof het een normaal gedeelte van hun leven was.

Toen Crowley doorging met dit gedrag, de hele nacht uitgaan en God wist wat hij allemaal deed, zei de Engel er niks van. Hij wilde het wel, de zorgen knaagden aan zijn botten tot ze stof waren, maar hij dacht niet dat het zijn plaats was om dat te doen. Daarbij had de Engel zijn eigen zelf destructieve eigenschappen, dus wie was hij om er iets van te zeggen?
      Dingen namen echter een scherpere, duistere vorm aan nadat hij uitvond dat Crowley een paar mensen had ingehuurd om een kerk te overvallen. Onhandige domme mensen die niet eens wisten wat een druppel holy water kon doen bij een Demon! Het beeld van Crowley, die als een plasje ergens gesmolten was, flitste door zijn hoofd, hetzelfde beeld dat hem 28 jaar lang achtervolgd had. Stelen was een zonde, maar liegen ook. Van een Demon houden was op een manier ook een zonde. Dat had Aziraphale nooit eerder gestopt.
      Dat is hoe hij in de Bentley beland was, terwijl hij een thermos vol met het enige dat het schepsel dat hij zo graag veilig wilde houden, kon vernietigen. Hij had een wonder op de thermos gezet zodat de dop steevast zou blijven zitten tot hij bewust opengemaakt werd door Crowley en alles als hij dat wanhopig graag wilde. Het zorgde ervoor dat hij zich iets beter erover voelde. Hij probeerde zichzelf ervan te verzekeren dat dit het juiste was om te doen. Hij kon zich amper voorstellen hoe het gegaan zou zijn met mensen, een losse druppel hier, de deksel die niet goed vast zat, natte handen die zijn Demon aanraakten. Nee, als iemand het moest doen, was hij het.
      “Mag ik je bedanken?” vroeg Crowley, zijn stem zachter dan het in tijden geweest was.
      Aziraphale's gezicht vertrok. “Liever niet,” want hij wilde niet dat hij bedankt werd omdat hij hielp in de zelfmoord van zijn beste vriend.
      “Kan ik je ergens afzetten?”
      “Nee, bedankt,” want hij wilde niet dat Crowley hem ergens afzetten en alleen verder ging om wie weet wat te doen nu hij holy water had.
      Crowley’s mondhoeken trokken teleurgesteld omlaag.
      “Kijk niet zo teleurgesteld. Misschien dat we ooit… weet ik veel… kunnen gaan picknicken. Uit eten bij de Ritz.” glimlachte hij triest, hij probeerde Crowley over te halen om een toekomstige afspraak te maken want hij wilde horen dat er nog een toekomst was waar ze beiden aanwezig zouden zijn.
      “Ik geef je een lift. Waar je maar heen wilt,” probeerde Crowley opnieuw.
      Aziraphale staarde een moment lang naar hem, hij had door de Demon niks vast wilde zetten. Hij wilde huilen, maar bovenal dat de Demon hem vasthield en hem geruststelde, maar hij kon het niet. Zijn hart zou opnieuw breken en het was nu al gebroken genoeg.
      “Je gaat te snel voor me, Crowley,” zei hij in plaats daarvan, maar hij bedoelde uiteraard niet de snelheid waarmee hij normaal gesproken reed.
      Crowley zei niks en Aziraphale stapte uit de Bentley, hem achterlatend met zijn holy water en hij vroeg zich af of hij hem ooit nog zou zien.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen