London, England (11 year before The Apocalypse)

They were fucked.

De Antichrist was veilig bij zijn nieuwe familie en ze hadden 11 jaar voordat alles royaal verpest was. Het zou beter geweest zijn als Aziraphale niet zo ertegen was om hem te helpen. Het zou niet zoveel pijn doen als Crowley geen vieze trucjes en aardse pleziertjes hoefde te gebruiken om de Engel te verleiden tot hulp. Crowley wilde schreeuwen, hij wilde zijn schouders vastpakken en hem door elkaar schudden, maar hij wilde hem vooral smeken.
      De grote verleider Crowley, wilde op zijn knieën gaan en Aziraphale smeken om deze keer, deze ene keer, aan hun kant te staan. Hij wilde hem vertellen dat hij meer van hem hield dan een rationeel persoon ooit van iemand zou moeten houden, dat hij hem nodig had zoals je licht en zuurstof nodig had. Meer zelfs, want de Demon kon zonder zuurstof leven en Aziraphale was de enige zon die hij ooit wilde. Hij wilde de Engel vertellen dat hij zichzelf liever holy water over zichzelf heen goot dan met hem te vechten. De pijn van de heiligheid die elke atoom smolt, elke vezel van zijn wezen, zou beter zijn dan toekijken hoe zijn blauwe ogen werden vertroebelt met righteous judgement, zijn sterke armen, waarvan zijn lippen elke centimeter nog kende, omhoog gingen om hem te smiten.
      Het maakte niet uit welke kant won, want Crowley zou toch dood zijn als hij zonder de Engel moest leven. Aziraphale wist dat, hij wist het al een hele tijd. Het was nog steeds niet genoeg. De Demon moest hem eraan helpen herinneren dat het zijn taak was om het kwaad te stoppen zodat hij hem zou helpen. Om ook maar een kans te krijgen op meer tijd met de Engel had hij zichzelf terug gebracht tot zijn vijand. Alsof alles dat tussen hen gebeurd was, de eindeloze nachten, het speelse geplaag en de gedeelde lachen weg was en ze teruggebracht waren tot Engel en Demon, geboren vijanden van tegengestelde kanten. De archetypes van goed en kwaad.

Ze dronken weer, dit keer om te vieren dat ze peetvaders geworden waren. Aziraphale was het aan het vieren. Voor Crowley voelde het als een straf. De Demon vond zich ondersteboven op de bank, zijn benen tegen en over de rugleuning, zijn hoofd hing slap van de rand af. De Engel glimlachte liefhebbend naar hem en hij zag er anders uit vanuit de positie waarin Crowley zich bevond, als een droom, bijna onwerkelijk.
      “Weet je,” begon de Demon met dubbele tong. “Je bent prachtig.”
      Er kwam een gegniffel uit de algemene omgeving van de Engel en zijn hand reikte uit naar hem, waarschijnlijk met de intentie om door zijn haar te gaan. Het probleem was dat, ook al had Aziraphale lang niet zoveel wijn op als Crowley, hij had nog steeds genoeg op om Crowley’s hoofd compleet te missen en eindigde in plaats daarvan met zijn vingers strelend langs diens nek. Niet dat de Demon dat zo erg vond, maar dat gaf hij niet toe.
      “Je bent dronken, dear,” klonk Aziraphale geamuseerd en hij had gelijk. Crowley was dronken genoeg dat hij de rilling niet onderdrukte.
      “Mmmm,” zei de Demon ontwijkend.
      Hij sloot zijn ogen en opende die opnieuw toen hij vermoedde dat hij misschien even het bewustzijn verloren was. Aziraphale liet zijn vingers nog steeds over zijn nek glijden en humde er zachtjes bij. Crowley dacht even dat hij misschien toch niet wakker geworden was en zei er niks van.
      “Dat is misschien wel zo,” wees hij erop, zijn vinger zwaaiend om meer in controle te lijken dan hij eigenlijk was, waarin hij nogal faalde. “Maar morgen ben ik weer nuchter en dan ben je nog steeds het mooiste ding dat ik ooit gezien heb.”
      Aziraphale’s vingers stopten abrupt. Als hij niet zo onmogelijk dronken geweest was, niet zo zielig wanhopig naar de aanraking van de Engel, dan zou hij zich zorgen maken dat zijn woorden zich op een gevaarlijk terrein begaven en dat hij dit terrein niet kon verlaten zonder zijn hart opnieuw te breken. Crowley voelde zich enkel warm nu, alsof de zon zich een weg gebaand had in zijn maag, terwijl sterke handen hem vastgrepen.
      “Laten we je eens omhoog helpen,” fluisterde zijn Engel terwijl hij hem goed op de bank zette.
      De plekken waar Aziraphale hem aanraakte voelden goed, alsof hij een bloem was en de ander er was om hem te helpen bloeien. Nu zat hij rechtop, de Engel zat naast hem en Crowley leunde naar hem toe alsof hij een magneet was.
      “Ik meen het.”
      Crowley had er moeite mee om zijn ogen open te houden, maar hij probeerde het echt. De wereld stond op het punt om te vergaan en ze waren fucked en Aziraphale keek naar hem, zijn ogen open en ernstig en niks anders deed ertoe. Ze waren zo dichtbij elkaar, merkte Crowley afwezig op. Aziraphale was niet opgeschoven en als hij zijn hoofd draaide en zijn ogen een beetje dichtkneep kon hij iets zien in de manier waarop de Engel naar hem keek, iets dat als hij zich optimistisch voelde, kon lezen als hoop.
      “Mag ik je kussen?”
      Het was waarschijnlijk geen goede vraag, want Aziraphale leek te verkruimelen onder zijn aanraking. Met de zachtste snik krom de Engel ineen. Zijn hele lichaam leek in elkaar te zakken, alsof hij plotseling het gewicht voelde van 6000 jaar op Aarde zijn. Als Crowley nuchter geweest was zou hij gezien hebben hoe hij eruit moest zien, alsof hij zo wanhopig was voor seks dat hij alles zou zeggen. Maar de Demon zat veilig verstopt tussen de warme lagen van alcohol en de enige samenhangende gedachten die hij nu had was dat hij de Engel nooit in zou willen ruilen voor iets anders. Maar er was nog een gedachte, ver weg, maar hij kwam snel dichterbij. ‘Ik heb hem verdrietig gemaakt’.
      “Please?” drong hij aan, tot het onvermijdelijke gebeurde en de gedachte aan was gekomen.
      Aziraphale schudde met zijn hoofd, zijn gezicht leek weer normaal, behalve dat er een paar rimpels gekomen leken te zijn. Hij glimlachte half, enkel zijn ene mondhoek was iets omhoog getrokken en Crowley wilde de andere kant kussen zodat die ook omhoog kwam.
      “Ik denk niet dat dat een goed idee is,” zei hij.
      Hij klopte zacht op zijn hand erbij, maar het voelde niet warm aan. Een zacht, jammerend geluid ontsnapte aan Crowley’s lippen, een geluid dat hem normaal gesproken zou ontzetten. De Demon zou een hele hoop vergeten van wat er deze avond gebeurd was. Er waren momenten die hij zich niet meer kon herinneren, sommigen omdat hij gewoonweg geen aandacht besteedde aan wat de Engel zei, in plaats daarvan staarde hij opvallend naar zijn mond. Anderen omdat hij de herinnering gewoonweg verbannen had, de gedachte aan hen pijnlijker dan alle martelingen die Hel kon verzinnen. Maar er is was één zin, één moment, dat zichzelf niet liet wissen en die hij de komende jaren zou herinneren. Hij zou het proberen te vergeten door zijn hoofd tegen harde oppervlaktes te slaan en te drinken tot hij zijn eigen naam vergat, maar het hielp niet.
      “Je brandt te fel voor mij, dear,” zei Aziraphale, zijn stem zacht terwijl hij wanhopig probeerde te glimlachen naar de Demon.
      Het klonk niet als iets dat als messteken in Crowley’s hart voelde of dat hem metaal in zijn mond liet proeven. Het klonk bijna als een compliment en de Demon humde blij, zijn lichaam leunde op de zachte wolk die zijn vriend was.
      Je had intieme kennis nodig van Aziraphale om te begrijpen wat hij hier eigenlijk mee bedoelde. Je had bijvoorbeeld ontelbare eeuwen moeten doorbrengen terwijl je de vriend van de Engel bent, wakend in de schaduwen. Je had moeten weten wanneer Aziraphale boos of blij of hongerig was door te kijken hoe zijn lippen bewogen. Als Crowley nuchter was zou hij in dat profiel passen. Dan zou hij ook realiseren wat zijn vriend precies bedoeld had.
      Crowley was een serpent, een koudbloedig reptiel dat nooit echt de warmte van de Hemel kon vergeten. Voor hem was branden een heilig woord, een verleiding, het enige dat in de buurt kwam van opgeslokt worden in de omarming van de Engel. Voor Aziraphale betekende branden enkel pijn en vernieling en dingen die voor altijd kwijt zouden zijn. Het betekende vlammen die aan zijn huid likten tot er niks over was behalve as.
      Maar de Demon was nog steeds dronken, dus besefte hij nog niet wat hij gedaan had. Hij was voor nu tevreden met zijn gezicht die zich in Aziraphale’s nek begraven had terwijl hij genoot van de warmte die zijn lichaam uitstraalde. Hij probeerde de geur in zijn geheugen op te slaan. 11 jaar en dan zou dit alles weg zijn. Dan zou er alleen nog maar de Hel of de Hemel zijn en niet dat kleine beetje van beiden dat ze hier zoveel eeuwen geleden gemaakt hadden. Crowley zou ook weg zijn.
      Aziraphale’s nek was een ademtocht van hem verwijderd en de Demon had zijn mond geopend, klaar om de huid te aanbidden, maar hij kon het niet. Zelfs dronken wist hij dat de Engel nee had gezegd, dus kon hij hem niet kussen. Hij wilde de Engel niet boos maken.
      “Je bent warm,” zei hij in plaats daarvan.
      Aziraphale rilde en Crowley probeerde de rilling met zijn lippen op te vangen. Hiermee overschreed hij de grens die de Engel gesteld had en hij voelde vingers in zijn haar die hem weg trokken. Crowley was slim en maakte geen geluid, hij had zijn les eerder geleerd. Hij zou nachtenlang wakker liggen en zich afvragen hoe ver het had kunnen gaan, hoe hoog die hand had kunnen reiken.
      “Alsjeblieft, ga slapen.”
      Aziraphale’s stem klonk gespannen en klaar om te breken. Crowley wilde niet dat hij brak, hij wist wat er gebeurde als de Engel brak. Daar hadden ze geen tijd voor. Er was iets belangrijks geweest dat hij hem wilde vertellen, iets dat nog vast zat in zijn keel, als een brandend stuk kool. Het was geen slecht iets geweest, dat wist hij nog. Als hij het morgen nog wist, zou hij het dan wel vertellen. Crowley sloot zijn ogen.
      De volgende dag erkende geen van beiden wat er de vorige nacht gebeurd was.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen